Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



Derde jaarverslag, dd 20 augustus 1827, over het bijbrengen van goed gedrag jegens 'medemenschen, redelooze dieren en de onbezielde natuur'

Het lijkt of de Instituteur aanmerkingen heeft gehad op zijn vorige verslag, want hij noemt nu nadrukkelijk geen namen van kwekelingen en houdt een nogal algemeen, tamelijk godsdienstig betoog over zijn onderwijsactiviteiten op het Instituut. Dit verslag is afgedrukt in het maandblad de Star van oktober 1827.

Verslag van den Staat van het Opvoedings-Gesticht voor den Landbouw te Wateren, door K. Muller

Mijne heeren, leden der Kommissie van Weldadigheid!

Zoo is dan het tijdstip wederom verschenen, om, overeenkomstig uwe verordeningen, verslag te doen van den toestand van het Opvoedings-Gesticht, aan mijne leiding toevertrouwd.

Mij van deze aangename verpligting kwijtende, meen ik, met de aanmerking te mogen beginnen, dat ik, even als bij vorige verslagen, slechts algemeene trekken mag opgeven, deels, dewijl mij de ondervinding overtuigend geleerd heeft, dat het openbaar maken van de deugden en gebreken van bijzondere kweekelingen in de gevolgen hoogst nadeelig kan worden, en deels, dewijl eene doelmatige opvoedkunde eene zoo veelvoudige behandeling vordert, als er kweekelingen aanwezig zijn, wier geaardheid en karakter niet minder uiteen loopt dan hunne gelaatstrekken verschillen.

Ten einde dus de nadeelen te verhoeden, welke de opgaaf van vele bijzonderheden zoude kunnen voortbrengen, en tevens de uitvoerigheid, met de vermelding van alle gebezigde middelen onafhankelijk verbonden, te vermijden, bepaal ik mij alleen tot het hoofddoel, dat ik mij naar de inrigting uwer Maatschappij meen te moeten voorstelien, en den weg, dien ik, ter bereiking van dat doe!, bewandeld heb.

Gelijk het mij voorkomt des menschen hoogste bestemming te zijn, dat hij goed worde, zoo heb ik mij, bij de opleiding der mij toevertrouwde kweekelingen, ook steeds als eindoogmerk voorgesteld, dezelve voor die bestemming te vormen.

Leent zedelijkheid aan den mensch, in het algemeen de hoogste waarde, dan zal dezelve voorzeker ook het hoofdvereischte zijn, dat uwe Maatschappij bij hare toekomstige ambtenaren vordert.

Zedelijkheid, zal dezelve iets meer zijn dan welvoegelijkheid, zal dezelve tegen het geweld der driften in, en tegen de kracht der verleiding buiten den mensch bestand zijn, moet, naar mijne wijze van zien, gegrond zijn, op een tot de levendigheid der aanschouwing verheven geloof aan, en een geheel ons doordringend gevoel voor het allerhoogste Wezen; waarom de verwekking, bevordering en bevestiging van beide, steeds het voorname doel mijner pogingen is.

Bij deze pogingen ben ik in het verstreken dienstjaar der Maatschappij aanmerkelijk ondersteund geworden door den Wel-Eerw. Heer Clinge, Predikant te Vledder, die met het leerstellig godsdienstig onderwijs van de kweekschool belast is; terwijl de Hoogleeraar van Swinderen te Groningen, die alles voorstaat, wat edel en groot is, niet alleen door aan mij gegevene wenken, maar ook door de kostelooze bezorging van bijbels, traktaatjes enz., op de godsdienstige stemming mijner kweekelingen eenen voordeeligen invloed gehad heelt.

Ten einde nu hetgeen ik in het kind zoek te ontwikkelen, eene bepaalde rigting en invloed naar buiten tť doen hebben, tracht ik mijne kweekelingen te doen beseffen, hoedanig hun gedrag behoort te zijn, omtrent alles, wat hen omringt, en wel:

a. omtrent hunne medemensehen.
Het heerlijke voorschrift van den Goddelijken Stichter des Christendoms, "alles, wat gij wilt, dat U de menschen doen zullen, doet gij hun ook alzoo," is de grondregel, naar welken ik het gedrag der jonge lieden zoek te rigten, zoo veel immer mogelijk aanwijzende, hoe zij hunne meerderen, hunne gelijken en hunne minderen in de onderscheidene omstandigheden en voorvallen des levens hebben te behandelen.
Zoo noodzakelijk ik dit in het algemeen beschouw, om liefde en achting onder meerderen en minderen, welwillendheid en vrede onder gelijken te bevorderen, zoo noodwendig acht ik zulks in het bijzonder voor het opvoedingsgesticht, in hetwelk naar de bepaling van den Heer tweeden Adsessor, onder de kweekelingen zeiven, even als in de overige koloniŽn, ambtenaren bestaan.

b. Het gedrag der jonge lieden, omtrent de redelooze dieren, zoo belangrijk voor de vorming hunner karakters, mogt mijne opmerkzaamheid niet ontglippen. Ik zoek hen steeds te doen gevoelen, dat elk dier, hoe gering en schijnbaar nietig ook, met hen van denzelfden Schepper afkomstig, gevolgelijk tot een wijs oogmerk aanwezig is, en derhalve geene willekeurige, doelloos wreede behandeling ondergaan mag, maar zekere, met het aanwezen verbondene, regten heeft, tegen welke aan de zijde van den mensch pligten overstaan, die niet dan ten kosten van den eerbied voor den grooten Schepper geschonden kunnen worden.
En op deze wijze tracht ik mijne kweekelingen te doen beseffen, dat ook in het volmaakste opvoedingsboek, den Bijbel, deze uitspraak kon en moest voorkomen: "de regtvaardige ontfermt zich over zijn vee."

c. Vestig ik de aandacht uwer, onder mijn opzigt staande, voedsterlingen op de onbezielde natuur, die voor het onderhoud en genoegen des levens zoo onontbeerlijk is. Het is mijn bestendige toeleg, om de groote en schoone gedachte levendig te houden, dat de wijze Schepper den mensch tot de hooge waardigheid geroepen en met vermogens en krachten toegerust heeft, om, aan de Schepping en dus aan het werk Gods, voort te arbeiden; terwijl ik het als een der edelste genoegens doe beschouwen, dat men het denkbeeld voeden kan, hier heb ik, onder Gods zegen, de gewassen veredeld, daar de natuur als verfraaid, en dat alles door middelen, aan welke alleen de hoogste wijsheid, zulke uitkomsten kon verbinden.
En aan deze leiding van gedachten, dit zij zonder zelfverheffing gezegd, schrijf ik het toe, dat mijne kweekelingen, hoewel bijna allen uit schoone steden en plaatsen afkomstig, en dienvolgens ook minder tot den landbouw genegen, aan Wateren, waar de natuur haren rijkdom en pracht minder dan elders ten toon gespreid heeft, meerendeels geboeid zijn en moeijelijken arbeid met vreugd verrigten, en zoo toonen overtuigd te zijn van de waarheid der schoone spreuk: "de hand des vlijtigen zal gezegend worden."

Het valt u, Mijne Heeren, leden der Kommissie van Weldadigheid, voorzeker in het oog, dat ik, uitgaande van het opgegeven beginsel, overvloedige aanleiding heb, om de jonge lieden ter beoefening van mensch- en karakterkunde aan te sporen, hen met de behandeling van de huisdieren, de doelmatige bearbeiding der onderscheidene gronden, met de daartoe noodige middelen en werktuigen en dus met alles, wat tot de landhuishoudkunde betrekking heeft, voor zoo verre de tijd, die hun van den arbeid overschiet, gedoogt, bekend te maken.

En zoo heb ik dan ook de onderwerpen doen kennen, over welke zich mijn onderwijs uitstrekt, een onderwijs, waaraan ik grootere uitgebreidheid zoude geven, indien tijd en omstandigheden zulks gedoogden.

Om intusschen de aangewakkerde gedachten en ingeboezemde gevoelens niet in droombeelden te doen verdwijnen, heb ik gemeend aan mijne kweekelingen gelegenheid te moeten geven, om hunne denkbeelden te verwezenlijken en hunne kundigheden in dadelijke beoefening (praktijk) te brengen, zonder mij, op hunnen voor eigene rekening ondernomenen tuinbouw en grondontginning en op hunne behandeling van voor eigene rekening aangekochte schapen, eenen beslissenden invloed te veroorloven, overtuigd, dat op alle bespiegelingen (theorien) en zaken van eenen door proeven te bewijzen (empirischen) aard door ondervinding het zegel gedrukt moet worden.

Het aldus verwezenlijkte denkbeeld van eigendom, dat naar de uitspraak van ervaring en geschiedenis, de voorname beweegreden tot onvermoeide arbeidzaamheid is, heeft ook onder mijne jonge lieden eenen voorbeeldigen geest van werkzaamheid en eene vrije ontwikkeling van vernuft en smaak ten gevolge gehad.

En de opmerking hiervan, zoo wel als de berekening der hieruit voortspruitende voordeden voor het volgende leven der kweekelingen, heeft mij meer dan dubbele vergoeding verschaft voor de aanmerkingen, welke zij maken, die alles in eenen bepaalden vorm gedrongen, en inderdaad het nuttige aan het schoone opgeofferd willen hebben.

Het was niet het eenigste gevolg dezer inrigting, dat de kweekelingen na de moeijeiijke taak van den dag, hunne speeluren aan eigene bezigheden wijdden, maar er vloeide ook uit voort, dat een geest van spaarzaamheid, wedijver, eerbied voor vreemd eigendom, wederkeerige genegenheid, die zich door voorlichting uitte, ontwikkeld werd.

Bovendien had deze oefening van vermogens en krachten eenen voordeeligen invloed op de veelzijdige ontwikkeling, welke zonder eene zekere vrijheid, vruchteloos beproefd zal worden.

Hetgeen tot de ligchaamsontwikkeling bij dit alles nog ontbrak, heb ik trachten te vergoeden, door eene uit beginsel afgeleide, en naar de gesteldheid van ieder jong mensch in het bijzonder gewijzigde kunstmatige ligchaamsoefening (gymnastiek), welke ten doel heeft, om vlugheid, evenmatige kracht in alle ligchaamsdeelen, eene goede houding, moed en mannelijke standvastigheid te bevorderen.

En hoezeer ik niet mag ontveinzen, dat in weerwil van alle, onder mijn bereik vallende middelen, de ligchamelijke groei, bij sommigen, niet zoo voorspoedig voortgaat, als ik wel wenschte, zoo heb ik echter het genoegen, dat anderen eene aanmerkelijke kracht, vlugheid en vaardigheid ontwikkeld hebben, waarvan zij echter, omdat ik de elders heerschende praalzucht opzettelijk onderdruk, huiverig zijn, zonder noodzaak, bewijzen te geven.

De gedachte, dat zedigheid de gezellin van wezenlijke verdienste is en vooral als het grootste sieraad der jeugd moet beschouwd worden, heeft invloed op al mijne pogingen. Van hier, dat mijne kweekelingen, niet geleid door de zucht om te schitteren, misschien den bezoeker, die alles naar den schijn afmeet, wel eens minder bevallen dan zij, die, op vertooning afgerigt, het wezen missen; doch ik troost mij met de gedachte, dat het oog van den kenner de gehalte der metalen niet naar den glans afmeet.

Ziet daar, Mijne Heeren, leden der kommissie van Weldadigheid ! in het algemeen aangeduid, de rigting mijner opvoedkundige pogingen, in het verstreken dienstjaar uwer Maatschappij, ter bevordering van het doel der kweekschool aangewend.
En hoezeer ik mij voor mij zeiven overtuigd houde, dat ik niet geheel vruchteloos gearbeid heb, zoo moet ik echter de beoordeeling van de uitkomsten mijner pogingen aan Ulieder bedaard onderzoek overlaten.

Ik mag evenwel niet stilzwijgend voorbijgaan, dat de Heer Direkteur uwer koloniŽn, aan mijn doel met de hem eigene gulheid bevorderlijk is geweest, noch ook, dat de even groote als kinderlievende Hoogleeraar van Swinderen eene aanmerkelijke som den kweekelingen tot aankoop van ooftboomen in hunne tuinen, geschonken en mij de bevoegdheid verleend heeft, om, voor rekening van Z.H.G., voor eiken kweekeling, die op woesten grond een tuintje zoude aanleggen, eenen vruchtboom aan te koopen.

Ik eindige dit verslag, met uitdrukking van mijne dankbare gevoelens voor de begunstigers der goede zaak, en met betuiging van mijnen eerbied voor U,
Mijne Heeren, Leden der Kommissie van Weldadigheid.

Wateren, (Prov. Drenthe) K. Mulder.
den 20 Aug., 1827.

Dit is het laatste zelfstandige jaarverslag door Mulder. De jaren hierna worden mededelingen over Wateren opgenomen in het jaarlijkse 'Verslag wegens den staat van het godsdienstig- en schoolonderwijs, alsmede van dien der zedelijkheid in de verschillende koloniŽn der Noordelijke Maatschappij van Weldadigheid'.