Bedelaars bij het tweede gesticht Veenhuizen

Zitting op den 5 Maart 1840


Extract uit de notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Bedelaars Kolonisten, gehouden te Veenhuizen.

Tegenwoordig zijn:
J. Kluver,  Adjunct Directeur    President
Leden:  Zaalopzieners  J. Visser en Van den Berg,
A.B. Ente, Onder Directeur Secretaris

De Onder Directeur Neyenbandering door dienstbezigheden verhinderd den Raad bij te wonen.

Wordt ter tafel gebragt Proces verbaal van den Zaalopziener G. de Waal, benevens Extract uit de notulen, gehouden te Ommerschans op den 8en February JL, gerigt en gehouden tegen de Bedelaars Kolonisten Johannes Paulus Rippegon N2348, Jacob de Cater N2526, Pieter Hakspil N2563 en Hendrik Daniel Giezen N663 , allen van alhier ontvlugt, de eerste voor de derde maal, de 2e voor de 2e maal met verzwarende omstandigheden, de 3e en 4e voor de 1e maal met verzwarende omstandigheden.

Nog Proces Verbaal van den zaalopziener G. de Waal tegen de Bedelaars Kolonist Luccas(?) Govers N1241 wegens het verkopen van een paar zijne Koussen.

Mede Proces Verbaal van den zaalopziener A.B. Schaghen tegen de van alhier ontvlugte Bedelaars Kolonist H. Lutzelaar N630 voor de 2e maal met verzwarende omstandigheden en zich mede schuldig gemaakt hebbende voor  zijne desertie als medepligtig te zijn geweest aan het helpen verkopen(?) van een paar Koussen van den Kolonist J. Sigman N1781, nog proces verbaal van genoemde zaalopziener tegen den Kolonist C. Looyer N.151 als hebbende hij zich schuldig gemaakt aan het verkopen van een Hemd en een paar Koussen.

Eindelijk Proces verbaal van den zaalopziener K.Gustavus tegen de Koloniste T. Hartog als hebbende zij zich schuldig gemaakt  aan het moedwillig medenemen van een halsdoek op de Bleek en heeft zij voor de 2e maal aan dusdanig misdrijf zich schuldig gemaakt.

Men laat de schuldigen voor zoo ver die tegenwoordig zijn een voor een binnen komen, en de tegen hun opgemaakte bezwaren voorlezen, als aan

H.D. Giezen, N663, H. Lutzelaar N630, C. Looyer N151, L. Govers N1241, T. Hartog N349(?)

De President hun wegens hun misdrijven onderhouden hebbende, waarbij(?) allen niets ter hunner verontschuldiging in te brengen, men laat hun buiten gaan om over de bepaling der straffen te handelen, alsmede over de zich nog in de Ommerschans bevindende strafschuldige Kolonisten,

En overwegende dat de straffen art.11, op H.D. Giezen, H. Lutzelaar, J.P. Rippegon, J. de Cater en P. Hakspil en art. 13 op C. Looyer, L. Govers, T. Hartog behoorende te worden toegepast en luidende als

Art 11: “Hij die voor de Eerste maal ontvlugten wil en Daarin wordt verhinderd, of ontvlugt en weder terug gebragt is, zal met opsluiting in boeyen tot tien Dagen toe, de twee Eerste te water en brood worden gestraft.- met mede neeming van goederen, buiten de aan hebbende Kleeding of andere verzwaarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeyen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood, en met verzwaarende omstandigheden, voor de tweede of volgende maal, benevens eenvoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig Rietjes Slagen en opsluiting als voren;  zullende al de ontvlugt geweest zijnde, of die dit kennelijk hebben willen doen, na de ondergane straf, veertien dagen lang, eene onderscheidenen Kleeding moeten dragen, en in de Discipline Zaal worden geplaatst.”

Art 13 “Ontvreemding, verwaarloozing, beschadiging of verpanding van goederen aan de Maatschappij, aan Ambtenaren, aan mede Kolonisten of aan iemand anders behoorende, zal worden gestraft met dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde of verpande uit hun tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting in boeyen van drie tot veertien dagen, naar gelang der omstandigheden des noods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven, altijd met veertien dagen opsluiting in boeyen, de drie eerste en drie laatste dagen te water en brood.”

De Raad in overweging nemende dat de hierin vermelde strafschuldige Kolonisten hunne misdrijven voor geene verschooningen vatbaar zijn, maar volgens de bepalingen vervat in het Reglement van Tucht behooren te worden gecorrigeerd zonder op een hunner uitzondering te kunnen maken.

Na deze overwegingen veroordeeld de Raad dezelve te straffen als

H.D. Giezen tot 14 dagen Provoost arrest in boeyen de drie eerste en drie laatste te water en brood en na die ondergane straf te dragen een schandpak voor den tijd van vier maanden.

J.H. Lutzelaar  idem, voorafgegaan met 20 Rietjes Slagen, benevens de enkelde vergoeding van een paar Koussen op zijn Rekening en aan Sigman (?)uitbetalen(?)

C. Looyer en L. Govers met acht dagen provoost arrest in boeyen en de dubbelde vergoeding van de verkochte Kleeding Stukken uit hun tegoed bij de Maatschappij

T. Hartog met 14 dagen provoost arrest in boeyen, de 3 eerste en de 3 laatste dagen te water en brood, benevens dubbelde vergoeding van het ontvreemde uit haar tegoed bij de Maatschappij.

En deze algemelde Bedelaars Kolonisten zich te Ommerschans bevindende te straffen, als Ripperon, de Pater(?) Cater en Anspel(?) Hakspil met 14 dagen Provoost arrest in boeyen, de drie eerste en de drie laatste dagen te Water en Brood, voorafgegaan de eerste met 30 en de volgende met 20 rietslagen en alle drie na deze ondergane straffen, te dragen schandpak voor den tijd van vier maanden.

Hiervan Extract aan de directie te Ommerschans te maken om de straffen ter Executie te brengen.

De alhier present zijnde worden andermaal voor den raad gebragt en de tegen hun toegepaste straffen voorgelezen, waarna aan de zaalopzieners onder wiens onmiddellijke toezicht zij gesteld zijn, worden gelast de toegepaste straffen ter Executie te brengen.

Aldus gedaan op Plaats, Dag, maand en Jaar als boven

Was getekend:
J. Kluvers, adj dir. Pres.
Vissers, van den Berg, zaalopzieners
En A.B. Ente, Onder Directeur Secretaris

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1620

Notities bij het zittingsverslag