Extract uit de Notulen van het Verhandelde in de Raad van Tucht bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Zitting van den 21 December 1858


Tegenwoordig zijn
C. W. Rensing, Prt
G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman

De Raad wordt door den Voorzitter geopend.

De Weezen Pieter Bruneel N76, Cornelis Paulus de Rijk N679, Harmen de Boer N657, en den bedelaars kolonisten jongen Adriaan de Moor N1414 verschijnen wegens herhaalde desertie voor de Raad van Tucht.-

Toen deze jongens vermist werden, hebben wij onzen Veldwachter L. F. Timmermans, met den Zaalopziener B. Nijman uitgezonden om hun zoo mogelijk te achterhalen en terug te brengen.

Deze mannen hebben terugkomende gerapporteerd, dat zij deze jongens bijkans hadden ingehaald, toen ze op de Smilde regel regt in het huis van den Veldwachter A. J. Stavast waren geloopen.

Dat ook zijl. daar waren ingegaan om die jongens opteêischen, doch dat Stavast ze niet had willen afgeven, zeggende “ze zijn de mijne” zoo dat Timmermans en Nijman zonder de jongens terug kwamen, dat niet moest hebben plaats gevonden, daar de tusschen komst van de Burgemeester van de Smilde konde zijn ingeroepen geworden.

De volgenden morgen is den Veldwachter Timmermans door den Adjunct Directeur met een brief, over het voorgevallene naar de Burgemeester van de Smilde gezonden, toen hem Stavast met de 4 jongens tegenkwam, en dezelve toen aan Timmermans overgaf en de brief medenam, zoo dat er voor deze desertie geen premie noch transportkosten zijn uitbetaald geworden.

Bij het verhoor in de Raad, hebben Pieter Bruneel, en Cornelis Paulus de Rijk gezegt, dat de Veldwachter Stavast, hun bij de vorige terugbrenging in de maand November a.p. had belooft, dat, wanneer zijl. tegen nieuwjaar nog eens terugkwamen, ze dan van hem hebben zouden, een goed maal eten, een stuk worst, en een dubbeltje; terwijl Timmermans en Nijman nog verklaren, dat Stavast tegen de jongens in hunne tegenwoordigheid gezegt heeft “Kom jongens nu maar dadelijk aan het aardappels jassen.”

Gezien art. 4 onderdeel 2 van het Reglement van Tucht voor weezen

Gelet op de 3e desertie van de Weezen Pieter Bruneel en Cornelis Paulus de Rijk

wordt besloten

De Weezen Pieter Bruneel, Cornelis Paulus de Rijk, Harmen de Boer, en den bedelaars kolonisten jongen Adrianus de Moor op te sluiten in de strafkamer gedurende den tijd van 8 dagen, met verwijzing van de Weezen Pieter Bruneel en Cornelis Paulus de Rijk voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans, echter onder approbatie van het Beheer, zullende den bedelaars kolonisten jongen Adrianus de Moor teruggeplaatst worden naar het bedelaars Gesticht van waar hij naar hier is aangekomen.

Alle opgenoemde Weezen wordt hun Vonnis bekend gemaakt.

Aldus gedaan op dato als in het hoofd dezes vermeld

De President en Leden
was geteekend
C. W. Rensing, pr, G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman

Voor Extract Conform
De Secretaris
J. F. Morriën


Bijgeschreven:
P. Bruneel wees N 76
Geb: 27 Jan 1841
Gedeserteerd 20 terug 21 Dec. 1858

C. P. de Rijk wees N 679
Geb: 25 Julij 1841
Gedeserteerd 20 terug 21 Dec 1858


Bijlage 1: Brief van de directeur der koloniën aan de gecommitteerde der regering bij de Maatschappij van Weldadigheid


R 14 Jan 59

      
Frederiksoord, 11 Januarij 1859
N. 115

Bij de inzending der processen verbaal van de Raden van tucht aan de gestichten over December JL. heb ik de eer UwHWG: onder de aandacht te brengen, dat de bepalingen voorgeschreven bij den brief van den 14 December JL. N 1 zijn opgenomen in een besluit, waarvan een afschrift UwHWG: hiernevens wordt aangeboden,  waarmede ik vertrouw, dat naar de bedoeling van UwHWG: zal zijn gehandeld.

Voorts moet ik UwHWG: nog kenbaar maken, dat ook ik aan den Burgemeester van de Smilde klagten heb ingeleverd over den veldwachter Stavast dier gemeente, die de jongens van het 1e Gesticht tot desertie tracht te verleiden, door ze met lekker eten af te wachten, om daarna de premie voor hunne terugbrenging te verkrijgen, met te kennen gave, dat indien de Burgemeester daarin niet mogt voorzien, er als dan officieel van den Heer Commissaris des Konings over zal worden geklaagd. Dit heeft betrekking tot het proces verbaal van het 1e Gesticht te Veenhuizen van den 20e Decbr JL.

De Directeur der koloniën
J. van Konijnenburg


Bijlage 2: Besluit van de gecommitteerde der regering


No.
24
’s Gravenhage, den 18 Januarij 1859

De Gecommitteerde der Regering bij de M v W enz:

Gelezen den brief van den Directeur der kolonien van den 11 dezer N 115 en de daarbij ingezonden Processenverbaal van de Raden van Tucht aan de Gestichten over December jl

Besluit

1e te bekrachtigen de verwijzing voor een onbepaalden tijd naar de strafkolonie te Ommerschans van de weezen P. Bruneel N76 & C. P. de Rijk N679

2e den Directeur te kennen te geven dat het Beheer heeft goed gekeurd de voorgeschreven bepalingen vervat in het Besluit des Directeurs van den 4 dezer N 18 zullende alsnu in verband tot art: 1 dezer resolutie de bedelaars kolonisten G. de Vries N52, J. N. de Harder N1975 & E. Hogendoorn N4982 die zich te Ommerschans aan onzedelijkheid hebben schuldig gemaakt, naar het 2e Gesticht te Veenhuizen behooren te worden overgeplaatst.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Directeur der Kolonien ter uitvoering

de Gecomm

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 18 januari 1859 N24, invnr 905

Notities bij het zittingsverslag