Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen, bij het 1e gesticht te Veenhuizen. Zitting van den 13 Julij 1858


Tegenwoordig zijn:
C. W. Rensing, pr.
Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
J. F. Morriën, secretaris

Alle de leden tegenwoordig zijnde, wordt de vergadering door den voorzitter geopend.

Voor de Raad zijn geroepen en verschijnen:

Den Wees L. P. E. Massa N490
De bedelaars kolonist N. Korf N4132
De bedelaars kolonist H. van der Struif N4781
De bedelaars kolonist J. Delchisseur N511

Alle vier belhamels in een complot ontevreden jongens, die niet wilden werken, om dat hunne verdiensten verminderd waren.

Omtrent deze vermindering dient het volgende tot opheldering.

Bij ziekte van den Onder Directeur Heidema bleek het den Adjunct Directeur uit de werkstaten der buiten kolonie, dat de verdiensten van vele onzer jongens te hoog werden opgevoerd, en dat die eene redelijke vermindering dienden te ondergaan, het geen dan ook, na alvorens met de wijkmeesters en hoevenaars daar over gesproken te hebben, met de volgende week een aanvang heeft genomen.

De vier in dezen opgenoemde jongens hebben toen niet alleen hun werk verlaten, maar zijn naar de buurschap Westervelde gemeente Norg gegaan, van waar Delchisseur in een beschonken toestand is terug gekomen, en dadelijk in de strafkamer is opgesloten, aangezien hij van allen de brutaalste was.

De overige 3 zijn, onder geleide, naar hier weder teruggebragt, en hebben des avonds hunne verzuimde uren moeten inhalen.

Gezien art. 4 sub 2e en 6: van het reglement van Tucht voor weezen.

Overwegende dat de binnen bevolking van dit Gesticht die in de Gemeente Norg, buiten de grenzen van de kolonie, rondzwerven, en door de Gemeentelijke Veldwachter teruggebragt, beschouwd worden als deserteurs, en alzoo de premie en transport kosten voor die terugbrenging wordt uitbetaald.

Overwegende, wijders, dat hoezeer de vier in dezen te regt staande jongelingen het oog der policie zijn ontkomen, en uit zich zelven zijn teruggekomen, toen den Zaalopziener Vrieze, hun te Westervelde heeft toegeroepen, den aard van het misdrijf echter vordert, dat dit wegloopen, als desertie beschouwd en gestraft wordt, voornamelijk ook, om daar door een einde te maken aan de gestadige voorvallen van dien aard.

Wordt besloten te straffen als volgt:

Den wees L. P. E. Massa en de bedelaars kolonisten N. Korf, H. van der Struif en J. Delchisseur met opsluiting in de strafkamer gedurende den tijd van 8 dagen, om den anderen dag  te water en brood,

met verbeurd  verklaring van hun aller te goed op oververdiensten, overeenkomstig de bestaande bepaling bij desertie, zijnde van Massa f 36,77½ , Korf f 14,67, van der Struif f 12,24 en Delchisseur f 17,49, en eindelijk met terugplaatsing naar de Gestichten no. 2 en 3 van de bedelaars kolonisten jongens Korf, van der Struif en Delchisseur.

Niets meer te behandelen zijnde, wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op dato als in het hoofd dezes vermeld.
De President en Leden
(was geteekend) C. W. Rensing, G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
J. F. Morriën

Voor Copie Conform
De Secretaris
J. F. Morriën

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 24 augustus 1858 N7, invnr 895

Notities bij het zittingsverslag