Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en verlatene Kinderen, bij het 1 Gesticht te Veenhuizen

Zitting van den 23 Junij 1858


Present
Rensing  President
Leden: G. J. Hendriks, L. Vrieze, & B. Nijman
J. F. Morriën Secretaris

De Raad bij één geroepen zijnde, wordt door den voorzitter geopend; allen de leden zijn tegenwoordig; uitgenomen het lid W. Heidema door ziekte verhinderd.

Wordt voorgenomen:

de weezen:
Jan Jacobus Thiel, N819
Roelof Hunderman, N67 PK
Pieter Verweij, N862
allen deserteurs, respectivelijk voor de 2e en 3e maal.-

den Wees Johannes Willemse N958 wegens ontvreemding van twee borstrokken mans 1e en 2e taille die beide zijn terug bekomen-

En de hulpbehoevende kolonisten dochter Marijtje Kiesling N328 Bis, verpleegd wordende onder de Weezen, aangeklaagd door den Zaalopziener J. Meijer, welke haar gezien heeft op eene afgelegen plaats met den bedelaars kolonist J. Egthuizen in eene drooge sloot.

Gezien artikel 3 § 5 en 8 van het reglement van Tucht voor weezen

Wordt besloten:

te straffen J. J. Thiel N819, R. Hunderman N67 PK en P. Verweij N862 ieder met 8 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood

J. Willemse
N958, met 8 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood, benevens vergoeding van het ontvreemde

En M. Kiesling N328 Bis met 4 dagen opsluiting in de strafkamer, met eene bijzondere vermaning.

Dit vonnis aan hun lieden bekend gemaakt zijnde, wordt de vergadering gesloten.

Aldus opgemaakt op datum als in het hoofd dezes vermeld en onderteekend door:
Rensing, President
Leden: G. J. Hendriks, L. Vrieze & B. Nijman
J. F. Morriën, secretaris

Voor Copie Conform
De secretaris
J. F. Morriën


Bijlage: reactie van de gecommitteerde der regering


No
7
’s Gravenhage, den 29 Julij 1858

De Gecomm der Regering bij de Maats V Weld enz.

Gelezen den brief van den Dir der Kolonien van den 9 dezer N 1946 en de daarbij ingezonden Processen Verbaal van de Raden van Tucht bij de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen over de maand Junij ll.-

Besluit

Aan den Directeur voorn te schrijven als volgt:

Uit het Proces verbaal van den Raad van Tucht bij het 1 Gesticht te Veenhuizen van den 23 Junij ll, onder andere ingezonden bij Uwen brief van den 9 dezer N 1946 is mij gebleken dat de hulpbehoeftige kolonisten dochter Marijtje Kiesling N328 Bis na eene bijzondere vermaning met 4 dagen opsluiting in de strafkamer is gestraft op grond dat zij is gezien met den bedelaars kolonist J. Egthuizen in eene drooge sloot.-

Deze straf komt mij, in verband tot den aard der overtreding waaraan hier schijnt te moeten worden gedacht, zeer ligt voor, waarom ik ten deze gaarne nadere inlichtingen zou bekomen en vernemen of er geene termen hadden kunnen gevonden worden tot verwijzing naar de strafkolonie te Ommerschans.-

Wijders heeft het mijne aandacht getrokken dat Egthuizen voornoemd te dier zake niet is gestraft.

Ik verzoek u mitsdien ook na te gaan wat daartoe aanleiding heeft gegeven en mij vervolgens, onder opgave van het nummer waaronder die kolonist is gevestigd de vereischte opheldering omtrent een en ander te verstrekken.-

de Gecomm enz

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post 29-07-1858 N7, invnr 893

Notities bij het zittingsverslag