Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen aan het 1e gesticht Veenhuizen Zitting van den 16e Augustus 1857


Present
C. W. Rensing, Pr
G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
J. F. Morriën, Scr

De Raad te zaâm gekomen zijnde, wordt door den Voorzitter geopend.

Den R. Katholieken bestedeling Johannes Ossenberg N141 verschijnt om te regt te staan wegens verregaande brutaliteit gepaard met bedreiging jegens zijne superieuren,

de aanklagte bestaat in het volgende.

Op den 15e dezer maand zijnde een heilige dag voor de R.K. komt des morgens om 6 ½ uur de bestedeling Johannes Ossenberg de voorpoort uit, en wil den weg opgaan.

De Poortier houd hem aan, en vraagt hem waar hij heen moet, waarop tot antwoord wordt gegeven, “naar de Kerk”.

De Poortier doet hem de poort wederom binnen gaan met te kennen geving, dat hij ten 7 ure met de kerkrei onder geleide van den zaalopziener, en niet eerder, mag uitgaan.

Weinige oogenblikken daar na komt hij terug met een permissie kaartje van den Onder Directeur binnen, doch de poortier hetzelve inziende, doet hem andermaal terugkeeren, vermits dit briefje niet anders geldig is, als op maandag en woensdag, als wanneer Ossenberg het brood voor de alhier woonende Veteranen huisgezinnen van het 2e gesticht afhaalt.

Hierop wordt Ossenberg hoogst brutaal, vervloekt den poortier in verschrikkelijke uitbrakingen terwijl zijne laatste woorden zijn, “verrekt houtpoot”.

De poortier geeft hier van onmidlijk kennis aan den Onder Directeur binnen, die last geeft om Ossenberg in de strafkamer te brengen.

Onderweg zeide hij tot den poortier “beroerde bl… als ik een mes had dan stak ik je door jouw d….r.-

De Onder Directeur Hendriks heeft hem daar op in de strafkamer bezocht, met oogmerk, om hem het verkeerde van zijn gedrag onder het oog te brengen, doch konde geene overwinning op hem behalen, maar ontving bij het aannemen van eene kwaadaardige houding daar en tegen, in tegenwoordigheid van den zaalopziener Nijman en onderbrigadier Corba eene vervloeking in de vuilste uitdrukkingen, en ten slotte de toevoeging van, “Ja, als ik op dit oogenblik een mes had, stak ik ook jouw omver.

Twee dagen na het voorval, bij gelegenheid dat de poortier bij hem in de strafkamer was, onderhield deze hem nog eens op eene zeer bescheidene wijze over het plaats gehad hebbende, met oogmerk om hem zoo mogelijk tot berouw te brengen, toen hij op het onverwachts brutaal ten antwoord kreeg, “Verrekt S………r.

In de Raad van Tucht is Ossenberg ook geheel verstokt gebleven, doch was toen niet spraakzaam.-

In 1855 heeft hij een soortgelijk gedrag  aan den dag gelegd, in eene belediging van den tweeden onderwijzer van Muilwijk, waarvoor hij destijds met 8 dagen opsluiting in de strafkamer is gestraft geworden, zie proces verbaal van den 23 Maart van dat jaar.-

Gezien art. 9 van het Reglement van Tucht voor weezen, waarbij de overplaatsing naar de Ommerschans van bijzonder slechte jongelieden bepaald wordt.

Overwegende dat hier genoegzame termen aanwezig zijn, om tot de verwijzing naar de Ommerschans te kunnen overgaan.

wordt besloten

Den bestedeling Johannes Ossenberg voor eenen onbepaalden tijd, onder goedkeuring van het Beheer der Maatschappij van Weldadigheid, over te plaatsen naar de Ommerschans.

Dit vonnis wordt ter kennisse van Ossenberg gebragt.

De Raad wordt daar na gesloten.

Aldus gedaan op datum als in het hoofd dezes vermeld.
(was get:)
C. W. Rensing, G. J. Hendriks, W. Heidema, L. Vrieze, B. Nijman
Voor copie conform
De secretaris
J. F. Morriën


Bijlage: Besluit van de gecommitteerde der regering


’s Gravenhage, den 8 Sept 1857

De Gecomm: der Regering bij de Maats V Weld enz.

Gelezen den brief van den Dir der Kolonien van den 25 Augs ll. N 2643 en het daarbij ingezonden Proces verbaal van den Raad van Tucht bij het 1e Gesticht te Veenhuizen

Besluit

1. te bekrachtigen de verwijzing voor een onbepaalden tijd naar de Strafkolonie te Ommerschans van den wees J. Ossenberg N141.-

2. den Directeur uit te noodigen om bij de mededeeling van den uitslag van zijn onderzoek te Ommerschans, na zich aldaar zelf met dien wees te hebben bekend gemaakt, tevens toe te lichten de bedoeling der zinsnede nopens het aanwezig zijn van dien jongeling onder de bestedelingen te Veenhuizen alwaar hij op zijn 8 jaar gevestigd en sedert 14 jaren is verpleegd geworden.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Dir der Kolonien ter uitvoering
de Gecomm enz.

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 8 september 1857 N7, invnr 868

Notities bij het zittingsverslag