Ongeveer juli 1862: Raad van Tucht gehouden te Frederiksoord den ... (notulist heeft vergeten de datum in te vullen)

De Raad van tucht

Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N 1 dd 30 April 1862 betreffende het voorloopig verhoor van de vrouw van den kolonist van Bree die zich beklaagt door Vrouw Zandwijk gedurig mishandeld en gescholden te worden, waarop zij vrouw Zandwijk weder verweten heeft mest van de Maatschappij te hebben ontvreemd.
Gehoord de beschuldigingen die elkander ook hier nog allerlei en de meest verschillende verwijten doen die echter wederkerig niets bewijzen.
Overwegende dat de wederzijdsche oneenigheden het moeijelijk maken, die te rangschikken onder de overtredingen waarop het Reglement van Beheer straf bedingt(?) en hunne verwijdering van elkander het eenige radicale middel is om daaraan een einde te maken.-

Besluit

1e den Heer Directeur der Maatschappij van weldadigheid uittenoodigen, om zoodra die twisten zich herhalen, hen een van beiden in een afgelegen gedeelte van de Kolonien te plaatsen en hen daardoor de gelegenheid te benemen om dagelijks met elkander in aanraking te komen.
2e Vrouw van Bree en Zandwijk van dit besluit te onderrigten en hen in hun belang ernstig tot verdraagzaamheid aan te sporen.


                                   
Gelezen een proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No. 3 dd 12 Julij 1862 omschrijvende het voorloopig verhoor van den Kolonist B. Pronk, die beschuldigd is van 20 bos takkenbosschen te hebben ontvreemd.
Gehoord den beschuldigde die het hem ten laste gelegde erkent, maar voorgeeft daartoe toestemming te hebben ontvangen.
Overwegende dat hij die vergunning zooals hij zelf erkent in geen geval van de Directie heeft ontvangen.-
Gelet op art: 91 litt f in verband met art: 92 ad 4 van het Reglement van Beheer

Besluit

den Kolonist Pronk te veroordeelen tot vergoeding der waarde van het ontvreemde, getaxeerd op 21 centen X 1 ½ (?) = f -,30 en tot een dag opsluiting in de strafkamer.


Gelezen hetzelfde proces verbaal vermeldende een gelijke handelwijze van den Kolonist Hendrik Westerveld te Willemsoord.
Gehoord de verklaring der vrouw van den beschuldigde die het kappen van 20 wilgen takkebosschen langs de wal van Steggerda Sloot erkent, maar meende daartoe geen toestemming te behoeven.
Gelet op Art: 91 litt: f in verband tot Art : 92 ad 4 van het Reglement van Beheer

Besluit

Hendrik Westerveld te veroordeelen tot vergoeding der waarde van het ontvreemde ad f. -,30 en tot een dag opsluiting in de strafkamer


                                                           
Gelezen hetzelfde proces Verbaal, vermeldende het voorloopig verhoor van den Kolonist B. Plomp die zich zonder verlof gedurende drie dagen buiten de kolonien heeft opgehouden.
Gehoord den beschuldigde die naar Veenhuizen is geweest om zijne vrouw die hem sedert eenige tijd verlaten had, en zich daar bij zijnen schoonzoon ophield terug te halen en meende dat hij als vrijboer voor die absentie geen verlof behoefde.-
In aanmerking nemende dat hij het tegendeel had kunnen weten
Gelet op Art: 91 § e in verband tot Art: 92 ad 3 van het Reglement van Beheer

Besluit

B. Plomp te veroordeelen tot eene geldboete van f.-,75 en voorts naar aanleiding van het door hem tijdens het verhoor vermeldde de aandacht van den Onder Directeur van Willemsoord te vestigen, op de langdurige afwezigheid zijner vrouw.


                           
Gelezen hetzelfde proces verbaal van den Raad van toezigt volgens ’t welk de bestedeling Marten Jans Broersma voor den tijd van drie dagen eigendunkelijk de Kolonien heeft verlaten.
Gehoord den beschuldigde die zijne familie in Friesland wenschte te bezoeken en uit hoofde van het vroeger verkregen verlof betwijfelde of de vereischte toestemming hem nu bij vernieuwing zou worden verleend.
Gelet op Art: 91 § 1 in verband tot Art: 92 ad 3 van het Reglement van Beheer
Besluit
den Bestedeling M. J. Broersma te veroordeelen tot eene geldboete van f.-,75.

                                   
Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N 1 dd 18 Junij 1862 en het daarin vermeldde omtrent den Kolonist Stegeman, die meermalen te vroeg van zijn werk loopt en den Wijkmeester die hem daarover onderhield, onlangs op eene zeer ongepaste wijze bejegende en brutaliseerde, toen deze hem daarover onlangs onderhield.
Gehoord den beschuldigde die erkent zich niet zoodanig tegen den Wijkmeester te hebben uitgelaten als dat behoorde, maar het hem ten laste gelegde overigens ontkent.
Gelet op Art: 91 § a in verband tot Art: 92 ad 1 van het Reglement van Beheer

Besluit

Stegeman te veroordeelen tot twee dagen opsluiting in de strafkamer en hem tot omzigtigheid aan te sporen.

                                   
Gelezen het proces Verbaal van dienzelfden raad dd 25 Junij 1862
Gelezen het daarin omschrevene betreffende het voorloopig verhoor van den Kolonist J. G. Leonhardt, die bij het schoonmaken van aardappelen der Maatschappij eene zeer geringe hoeveelheid heeft medegenomen.
Gehoord den beschuldigde die het hem ten laste gelegde erkent, maar verzoekt hem ditmaal te verschoonen.-
Gelet enkel op de geringe beteekenis van zijn misdrijf, zijn onvermogen tot eventueele schade vergoeding en de mogelijkheid om hem op zijne hooge jaren en bij zijn ziekelijk gestel in de strafkamer op te sluiten

Besluit

hem voor ditmaal ernstig te waarschuwen en van straf te ontheffen, maar tevens de aandacht der Directie te vestigen op de volkomen ongeschiktheid van dit huisgezin en de wenschelijkheid om hen te ontslaan.
Voor al het feit dat Leonhardt, gedurende den Zomer giften en ondersteuning vraagt, geeft daartoe alle aanleiding.
                                       


Gelezen een proces Verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N. 2  dd 13 Mei ll. betreffende het nader verhoor van de vrouw van den Kolonist van Attekum en Frans Fucke ter zake van de door eerstgenoemde, in tegenwoordigheid van den laatste jegens Dr. Voorhorst gebezigde beleedigende uitdrukkingen.
Gehoord de beschuldigde Vrouw van Attekum die hoezeer F. Fukke het haar ten laste gelegde in hare tegenwoordigheid herhaalt alles blijft ontkennen
Overwegende dat er in weerwil van hare ontkentenis voldoende gronden bestaan om de beschuldiging van Fucken als waarheid aantenemen.
Overwegende dat de ongepaste wijze waarop zij zich ook hier nog over Dr. Voorhorst uitlaat en de brutaliteiten die zij zich over ’t algemeen veroorlooft op zich zelve reeds strafbaar zijn

Besluit

Vrouw van Attekum te veroordeelen tot drie dagen opsluiting in de strafkamer.


                                   
Gelezen het proces verbaal vermeldende het voorloopig verhoor van den Kolonist J. J. Hackleij die het hem ten laste gelegde omtrent den verkoop van een deel van den oogst voor den raad van toezigt heeft erkend maar de verkoop van Katoen ten stelligste ontkent.-
In aanmerking nemende dat het huisgezin sedert de inzending van het proces verbaal uit de Kolonie is ontslagen en hunne opzenders tot betaling der achtergelaten schuld zijn uitgenoodigd.
Besluit
Het proces Verbaal voor informatie aan te nemen.

                                   
Gelezen hetzelfde proces verbaal van denzelfden raad dd 18 Junij ll., in bijzonderheden omschrijvende de beschuldiging van Vrouw Werkmeester, tegen de vrouw van den vrijboer C. de Kleine wegens laster en scheldwoorden
Gehoord de betrokken personen die elkander allerlei verwijtingen doen, welke, bij gebrek aan eenig voldoend bewijs het lang verleden en verschillende andere redenen niet opgenomen en omschreven worden.-
Overwegende dat de verklaringen van Vrouw Werkmeester geheel in overeenstemming zijn met die der getuigen
In aanmerking nemende dat vrouw Kleijn op goede gronden voor schuldig kan worden gehouden
Gelet op Art: 91 litt b en Art: 92 § 1 van het Reglement van Beheer

Besluit

Vrouw Kleijn te veroordeelen tot drie dagen opsluiting in de strafkamer


Gelezen hetzelfde proces verbaal betreffende het voorloopig verhoor van den bestedeling George Frederik van Lettow die zich gedurende vijf dagen zonder verlof buiten de Kolonien heeft opgehouden.-
Gehoord den beschuldigde die het hem ten laste gelegde erkent, ofschoon hij er den schijn aan geeft als of hij daartoe tegen zijn wil zou zijn overgehaald.-
Gelet op Art: 91 Sub           in verband  tot Art: 92 ad     van het Reglement van Beheer

Besluit

den bestedeling G. F. van Lettow te veroordeelen tot drie dagen opsluiting in de strafkamer.


Gelezen hetzelfde proces Verbaal betrekkelijk den verkoop door Joseph van der Sluis van hooi dat hem tot voeder voor zijne koe door de Maatschappij was verstrekt.
Overwegende dat de beschuldigde sedert de inzending van ’t proces verbaal uit de Kolonie is ontslagen en ofschoon niet vertrokken reeds niet meer behoort tot degenen die volgens ’t Reglement der Maatschappij kunnen worden gestraft.

Besluit

Het ter zijner aanzien vermelde voor notificatie aan te nemen.-



Gelezen het in dat proces verbaal vermelde omtrent de vermoedelijke zwangerschap van G. Kluster voordochter der Vrouw van Cornelis van Os
Overwegende dat dit meisje reeds sedert eenigen tijd uit de Kolonien is vertrokken

Besluit

Het ten haren aanzien vermelde voor notificatie aan te nemen.-


                                   
Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N 1 dd 9 Julij 1862 betreffende het voorloopig verhoor van vrouw Mäkel welke door den Kolonist van Batenburg beschuldigd wordt van diefstal van gras op zijne hoeve hetgeen door zijn gezin zou zijn gezien.
Gehoord de beschuldigde die het haar ten laste gelegde bepaald ontkent en te kennen geeft wel met een mes over het land van Batenburg te zijn gelopen maar alleen met het doel op het achterland van hare hoeve gras te snijden
Overwegende dat de stellige tegenspraak van Vrouw Mäkel (die als eene eerlijke oppassende vrouw bekend staat) in ieder geval evenveel vertrouwen  verdienst dan het onbewezen gezegde van een kind

Besluit

Vrouw Mäkel van het haar ten laste gelegde vrij te spreken.


                                   
Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N 1 dd 9 Julij 1862 betreffende het voorloopig verhoor van Gerrit Meindert en Keesje van der Poort die voornemens waren in de Kweekerij gras te plukken, waarin zij door de komst van den Directeur zijn verhinderd.
Gehoord de beschuldigden die te kennen geven niet geweten te hebben dat zij daaraan mis deden
Overwegende dat geene dezer kinderen, vroeger eenige reden tot aanmerkingen heeft gegeven.-

Besluit

hen ter zake hunner hiervooren omschreven verkeerde handelwijze geen straf op te leggen, maar hen ernstig te waarschuwen zich daaraan voor het vervolg niet weder schuldig te maken.



Gelezen hetzelfde proces verbaal omschrijvende de oneerlijke handelwijze van den bestedeling Leendert Verhoef die beschuldigd wordt een kantschop welke hij den bestedeling Frans Fransen had ontvreemd aan den Vrijboer A. van den Brink te hebben verkocht en een ossenbit van Van Os aan den Vrijboer Harmsen.
Gehoord den beschuldigde die verklaart de schop onbeheerd te hebben gevonden en zich toen meende geregtigd te zijn om die te laten herstellen en daarna te verkoopen, verder erkennende dat hij het ossenbit aan Van Olst heeft ontvreemd.
Overwegende dat de onnoozele toestand waarin Verhoef verkeert hier verschooning in aanmerking kan komen en de genen die daarvan misbruik hebben gemaakt eigenlijk de meeste straf verdienen.
Gelet op Art: 91 litt f en Art: 92 § 4 van het Reglement van Beheer.-

Besluit

1e den bestedeling Verhoef ditmaal uit aanmerking van zijn onnoozelen toestand niet aan den Burgerlijken regter over te geven, maar hem te veroordeelen tot drie dagen opsluiting in de strafkamer onder mededeeling dat hij, bij herhaling van ’t gebeurde, onmiddelijk zal worden ontslagen.
2e den Vrijboer Arie van den Brink te noodzaken de door hem gekochte kantschop zonder schadevergoeding aan den eigenaar Frans Fransen terug te geven en
3e Evenzoo te handelen ten aanzien van den Vrijboer M. Harmsen van Kolonie 2 die het door Van Os gebruikte ossenbit van Verhoef heeft gekocht.


                                   
Gelezen vorengenoemd proces Verbaal dd 18 Junij 1862 betreffende het  voorloopig verhoor van Leendert van Kesteren beschuldigd van ontvreemding van aardappelen uit het achter de hoeve liggende land.-
Gehoord den beschuldigde die het hem ten laste gelegde bepaalde ontkent.-
Overwegende dat de waarheid van die verklaring bij gemis van voldoende bewijs niet kan worden wederlegd,

Besluit

Leendert van Kesteren vrij te spreken van de straf die hem bij het bestaan van voldoend bewijs voor zijne schuld zou zijn opgelegd.


                                   
Gelezen het proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N 1 dd 12 Julij 1862 waarin de Raad van tucht wordt bekend gemaakt met de verpanding door den Kolonist J. van Batenburg van een gedeelte der goederen, die hem bij zijnen aankomst in de Kolonien zijn verstrekt.
Gehoord den beschuldigde die dit feit erkent en zegt daartoe reeds kort na zijne aankomst te zijn overgegaan, om in zijne behoeften te voorzien.-
Overwegende dat hij door zijne vestiging in de Kolonien, waar hij in een zeer verarmden toestand is aangekomen in bezit kwam van al het noodige huisraad, kleeding en gereedschappen, en bovendien in de gelegenheid werd gesteld om door arbeid in zijne behoeften te voorzien
dat hem zoodra het bleek dat hij daartoe niet in staat was, eene wekelijksche toelage van f 1,50 wordt uitbetaald
dat zoo er toen nog behoefte bestond hij daarvoor nimmer het bewijs heeft geleverd, maar integendeel meermalen blijken heeft gegeven van zijne zorgeloosheid luiheid en onverschilligheid
dat de voorstelling van den armoede waarin hij verkeerd zou hebben alzoo of geheel bezijden de waarheid of zeer overdreven is voorgesteld.-
dat voorts de verkoop van goederen, die hem slechts ten gebruike waren gegeven, in geen geval het middel mogt zijn tot verbetering van zijnen toestand.
Gelet op Art: 91 litt f en Art: 92 van het Reglement van Beheer in verband met Art: 135 van dat Reglement, volgens ’t welke het feit van Batenburg met diefstal wordt gelijk gesteld.-

Besluit

1e den Kolonist J. van Batenburg het verder verblijf in de Kolonien te ontzeggen
2e dit besluit aan den Heer Voorzitter Commissaris ter bekrachtiging voor te dragen (Art: 84 van ’t Regl: v: Beheer)
3e den Heer Directeur der Maatschappij met dit besluit bekend te maken en ZWEG: in overweging te geven, de verpande goederen, waarvan de briefjes bij den Onder Directeur van Frederiksoord zijn gedeponeerd uit de Bank van Leening te Steenwijk te lossen.-
De Raad van tucht
K Borgers, secretaris



BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3284

Notities bij het zittingsverslag