Klein stukje transcriptie van de Raad van Politie en Tucht in de Gewone Kolonien op den 29 September 1856


(...)

4. tegen de koloniste weduwe A. de Vroeg wegens het ontvreemden van onderscheiden gereedschappen door hare kinderen van den in haar buurt wonende kolonist A. Zorn.

De beschuldigde wed. de Vroeg geeft te kennen dat zulks door hare kinderen zoude zijn gedaan en dat zij dat eerst vernomen had de zelfde avond na het plegen van die misdaad.

De Raad merkt aan dat zij ingeval zulks waar was, dan dadelijk die goederen had behooren terug te geven nadat zij dit ontdekt had, doch dat zij zoowel als hare kinder onderscheiden malen voor den Raad hebben teregt gestaan en daarbij gelet op art 2 paragraaf e en art. 3 paragraaf 3 van het Reglement van Tucht, waarbij dubbele vergoeding van het ontvreemde benevens acht dagen opsluiting in de strafkamer of ook wel overplaatsing naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Het huisgezin van de wed. de Vroeg voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, daar zij in de kolonien een slecht voorbeeld is voor menig huisgezin, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde wordt haar zulks kenbaar gemaakt.

(...)

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 3283

Notities bij het zittingsverslag