Klein stukje transcriptie van de

Raad van Policie en Tucht in de gewone Kolonien

op den 15e juli 1850


(...)

Verder wordt gelezen een Proces-verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 2 van heden, houdende beschuldiging tegen

den kolonist N. Beun wegens onzedelijke omgang met de van Veenhuizen ontslagen wees Elisabeth Nagt, ten gevolge waarvan laatstgenoemde in eenen zwangeren staat verkeert.

De beschuldigde binnen geroepen zijnde blijft alles ontkennen, zeggende nimmer op zulk een voet met haar geleefd te hebben en ook niets van haar zwangerschap te hebben gehoort, waarbij hij te kennen geeft wel met haar te hebben verkeert en aan haar ook twee brieven te hebben geschreven, een voor haar ontslag uit de kolonie en kort na haar vertrek;

terwijl de raad de Permanente Commissie voorstelt die twee brieven te doen onderzoeken of die ook eenig licht kunnen verspreiden.

Nog wordt hierbij overgelegd een brief van genoemde Elisabeth Nagt aan N. Beun, waaruit men in den beginne wel zoude opmaken dat hij met hare gesteldheid bekent was, doch later ook wederom zoo vele duisterheden bevat, dat men hem daarop niet heeft kunnen veroordeelen, waarom de Raad deze zaak aan het voordeel van de Permanente Commissie wil overlaten.

(...)

Bijlage 1: Raad van Toezicht van Wilhelminaoord 15-07-1850


Raad van Toezigt
gehouden den 15 julij 1850
Alle leden zijn tegenwoordig.

De President verklaart de vergadering voor geopend, aan dezelve mede deelende dat hij op aanschrijven van den adjunct directeur der gewone Kolonien, den kolonist N. Beun, weduwnaar, oud 31 jaar, wonende in de tweede wijk dezer Kolonie hoeve No. 47, heeft aangezegd, zich heden ter dezen plaatse te bevinden, ten einde gehoord te worden in een hem ten laste gelegd feit en wel van onzedelijken omgang met Elisabeth Nagt indertijd gewoond hebbende en verpleegd zijnde aan het 1e gesticht te Veenhuizen, ten gevolge waarvan genoemde Elisabeth Nagt zich in zwangeren staat bevindt.

De beschuldigde na binnen geroepen te zijn wordt door den President met alle ernst en klem van woorden over deze zoo zeer te verfoeijen handelwijze onderhouden, en in alle bijzonderheden omtrent het hem ten laste gelegde ondervraagd; waarop door hem met een vloed van woorden alles wordt ontkent en zichzelf bereid verklaard om zulks onder eede te bevestigen:

wordende  bij dit Proces-verbaal echter overlegd een brief door N. Beun van genoemde E. Nagt te dezer dage ontvangen, welke brief door de raad beschouwd wordt niet ten zijnen voordeele te pleiten.

Niets meer aan de orde zijnde wordt de raad gesloten.
Gedaan op dag, maand en jaar boven.
T. Burk, raadsman
A. Idserda, president
van der Schaaf, secretaris
H. Kroll
P. Hazeloop
Wijkmeesters


Bijlage 2: Brief van adjunctdirecteur Rensing van Veenhuizen-1 aan directeur Van Konijnenburg:


Veenhuizen, 15 julij 1850

Op de missive van de Permanente Commissie gevoegd geweest bij Uwen brief van den 6e dezer N1869, heb ik de eer te berigten, dat ik den zaalopziener Elsing gehoord heb omtrent het voorgevallene met de wees Elisabeth Nacht, tijdens dat zij onder zijn toezigt als keukenmeid werkzaam was, en dat hij mij op alle de vragen, die ik in deze aangelegenheid vermeend heb te moeten doen, heeft geantwoord, dat zijn zwager Beun van Frederiksoord bij gelegenheid dat hij hem kwam bezoeken, zijn oog had laten vallen op het bovengenoemde meisje, en als toen deszelfs verlangen te kennen gaf, om met haar te mogen huwen; dat hij later nog eens hier is teruggeweest, doch dat hem volstrekt geene gelegenheid is verschaft, om met haar alleen te kunnen zijn.

Dat de zaalopziener Elsing nu wel juist geene gelegenheid tot onzedelijken omgang zal bevorderlijk geweest zijn, waardoor de zaak nog erger zoude worden, wil ik aannemen, maar dat hij de verkeering van zijn zwager, met eene hem toevertrouwde wees, niet heeft verhinderd, dat is laak en strafbaar.
De Adjunct Direkteur, Rensing.


Bijlage 3: Brief van adjunctdirecteur Rensing van Veenhuizen-1 aan directeur Van Konijnenburg:


Veenhuizen, 17 julij 1850

Ik heb de bejaarde kindermeid bij den zaalopziener Elsing gehoord, doch zij heeft mij niets belangrijks kunnen zeggen, maar langs andere wegen heb ik vernomen, dat Elsing met de groote meisjes op eene al te vertrouwelijke wijze omgaat, dikwijls aardigheden vertoont, die hem niet passen, en dat de wees Elisabeth Nacht hoog bij hem aangeschreven stond.

Zijne vrouw is hier met geen genoegen, en men wil dat het alleen uit jaloerschheid voortkomt, vroeger heb ik hiervan niets gehoord, maar thans spreekt men er over, en wanneer ik Elsing zijn gevoelen over de aanhangige zaak vraag, dan komt zijne taal en houding mij nu zeer verdacht voor, mijn bedunkens zoude het goed zijn, dat men beproefde, het meisje tot de opregte bekentenis te brengen.
De Adjunct-Direkteur, Rensing.


Bijlage 4: Brief van directeur Van Konijnenburg aan de permanente commissie


Frederiksoord, 22 julij 1850.

Ik heb de eer UwHoogEdG hiernevens in te zenden het proces verbaal van den raad van policie en tucht in de gewone Kolonien, van den 15 dezer maand, waarin ook voorkomt de beschuldiging tegen den weduwnaar N. Beun over zijn verkeer met de van Veenhuizen ontslagen wees Elizabeth Nacht, die ontkent onzedelijk met haar te hebben omgegaan en nu zelfs ongenegen zoude zijn met haar een huwelijk aantegaan.

Ik voeg hier, omtrent die zaak nog bij copie eens briefs van den Adjunct Direkteur aan het 1e Gesticht, van den 15 dezer maand N153 over de gelegenheid, die zijn zwager, de zaalopziener Elzing, hem zoude kunnen gegeven of gelaten hebben, tot zoodanig verkeer, benevens nog een lateren brief, van den 17e  N158 op het dien ambtenaar mijnentwege medegedeelde vermoeden dat Elzing zelf aan de zwangerschap schuldig zoude kunnen zijn,
dat Beun wel niet te kennen geeft, maar waarvan toch eenig gerucht loopt,
om al hetgeen het mij van belang voorkomt Heeren Regenten over de Stadsbestedelingen te Amsterdam met den meesten aandrang te verzoeken om E. Nacht zelve te hooren over dengenen, die hier wezenlijk schuldig is, ten einde, wanneer dit onverhoopt Elzing zijn mogt, hij geen ogenblik in zijn betrekking wordt gelaten en wanneer het Beun is, dezelve min ongestraft blijve, zullende zij thans te eerder tot eene verklaring der waarheid komen, nu deze laatste zich volstrekt ongeneigd betoont, met haar een huwelijk aan te gaan.

De Direkteur der Kolonien
J. van Konijnenburg

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post 15 augustus 1850 N29, invnr 676

Notities bij het zittingsverslag