Raad van Policie en Tucht in de gewone Koloniën

op den 24e July 1845


Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt gelezen een Proces verbaal van den Raad van toezicht van kolonie N1 van de 11e dezer maand houdende de beschuldiging:

1 tegen den kolonist Bommel de Heer, welke, benevens zijne vrouw den wijkmeester Lucassen door onvoegzame uitdrukkingen zouden hebben beledigd.

Bommel de Heer binnengeroepen zijnde, verklaart, dat den Roomschen door den wijkmeester zouden worden voorgetrokken zonder dat hij daarvoor voldoende bewijzen kan leveren.

De Raad besluit omtrent deze zaak, der Directie in bedenking te geven, of het niet goed zoude zijn om het huisgezin in eene andere wijk over te plaatsen, daar het voorgevallene niet van belang is, vooral wat het misdrijf van de man betreft om op hetzelve toe te passen het Reglement van tucht, zullende de vrouw, zoodra zij uit het kraambed zal zijn hersteld nader worden gehoord.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: overplaatsing zal wel noodig en ook voldoende wezen VK



2 tegen de bestedeling Joseph Viasensky wegens het misbruiken van sterken drank.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, bekent zijn misdrijf, zeggende, dat zulks bij gelegenheid van eene bruiloft was geschied.

De Raad gelet op Art: 2§c en Art: 3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J. Viasensky de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer, hetwelk hem hij daartoe binnengeroepen zijnde, wordt kenbaar gemaakt.



3 tegen de kolonistenzoon Willem de Vries, wegens verregaande luiheid in de katoenfabriek, waar geene vermaningen schijnen te helpen.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, kan niets tot zijne verschooning inbrengen; bekent zijn misdrijf, zeggende, dat hij in onmin leefde met zijnen broeder, die thans de Koloniën verlaten heeft.

De Raad gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing naar Veenhuizen of ook wel naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Willem de Vries voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waar op de goedkeuring van de Permanent Commissie zal worden in gewacht.
De Raad moet hierbij nog aanmerken dat dit huisgezin een voorbeeld van zedeloosheid is, hebbende twee dochters wegens zwangerschap en twee zoons wegens het bezwangeren van meisjes de koloniën verlaten waarom het te wenschen was dat het geheele huisgezin ontslagen werd te meer daar hetzelve wekelijks voorschotten geniet.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: het ontslag zal wel aan bedenking onderhevig zijn, maar voor eene overplaatsing naar de strafkolonie of naar Veenhuizen van het gehele huisgezin bestaan mij dunkt wel termen, doch de uitplaatsing zou moeijelijk zijn omdat er geen ruimte bestaat VK



4 tegen den bestedeling Harmen Schouwman, welke zich al mede aan luiheid in de katoenfabriek zoude hebben schuldig  gemaakt;

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, belooft beterschap, hetwelk  hij dan ook reeds sedert een paar weken getoond heeft. De Raad

Besluit

H. Schouwman met eene ernstige vermaning te laten gaan, waartoe hij wordt binnen geroepen.



5 tegen de bestedeling Jannetje Risseeuw, wegens verregaande luiheid en onverschilligheid;

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, betoont alwederom de grootste onverschilligheid en weet niets tot hare verschooning in te brengen.
bekent zijn misdrijf;

De Raad gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar Veenhuizen  of ook wel naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Jannetje Resseeuw voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt



Verder wordt gelezen een proces verbaal van den Raad van toezigt van Kolonie N2 van den 30 Juny jl, houdende beschuldiging

tegen de bestedeling Antonie Johannes van Leeuwen wegens desertie uit de kolonien

De beschuldigde binnengeroepen zijnde , bekent zijn misdrijf

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

A.J. van Leeuwen voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



Nog wordt gelezen een proces verbaal van den Raad van toezigt van kolonie N3 van de 23 dezer maand houdende beschuldiging

1 tegen Wolf Mozes van den Berg welke uit de koloniën zoude zijn gedeserteerd den 24 Mei jl en den 4e Juny teruggekomen.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde , bekent zijn misdrijf, zeggende dat hij zulks gedaan had uit vrees voor zijnen vader, die hem had geslagen en hem nog meer had toegezegd

De Raad in aanmerking nemende, dat jij nog geen 15 jaren oud is, wil deze zaak als een ongehoorzaamheid beschouwen en daarbij gelet op Art:2§a en Art:3§1 van het Reglement van tucht waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld

Besluit:

Wolf Mozes van den Berg de straf op te leggen van drie dagen opsluiting in de strafkamer
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



2 tegen den kolonist C. de Klein, welke door lasteringen de fabriekbaas van Galen zoude hebben beledigd.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde blijft volharden in zijn vroeger gezegde en vertoont een Bedlaken en een hemd, werkelijk te klein zijn, daarbij te kennen gevende dat er zich veele kolonisten in Willemsoord bevinden welke van goederen voorzien zijn die allen te klein zouden wezen, kunnende echter niet bewijzen, dat van Galen goederen zou hebben verkocht.

Van Galen binnengeroepen zijnde, bekent dat het laken en het hemd onder berusting van van Kleijn werkelijk te klein zijn, zonder daarvan de oorzaak te weten, daar hij verzekert, dat  de goederen op de maat worden gesneden

De Raad van oordeel dat het best zoude zijn dat door den Adjunct Directeur wordt onderzocht of er zich onder de kolonisten werkelijk veel goederen bevinden die te klein zijn en zoo zulks het geval is, dan de zaak nader te overwegen welk onderzoek de Adjunct directeur op zich heeft genomen.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: de Directeur zal er kennis van nemen VK

In de kantlijn bijgeschreven door een lid van de permanente commissie:
Na een en ander gelezen te hebben komt mij de zaak nogal ongerijmd voor, van Galen in vast vertrouwen, ergens in ?? opzigt er ook bij betrokken is, mag een bepaald ?? onderzoek  wel word aanwezig



3 tegen den kolonist J.S. Vormeer, welke de aan hem toevertrouwde rogge zoude hebben verwaarloosd en 2.61 Mud te kort gekomen is

De beschuldigde binnengeroepen zijnde, zoekt zich te verschoonen met te zeggen, dat hij ’s morgens het rogge in het water had gevonden ten gevolge van een stortregen, waaraan de Raad echter geen geloof kan hechten

De Raad gelet op Art: 2§g en Art: 3§4 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing onder de arbeiders te Veenhuizen op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

het huisgezin van J.S. Vormeer voor een onbepaalde tijd te verwijzen onder de arbeiders te Veenhuizen, waarop de goedkeuring van de Permanente commissie zal worden ingewacht.
Daar dat huisgezin voor het overige niet ongeschikt is zou de Raad gaarne zien dat de Permanente Commissie deze straf veranderde in vergoeding van zijne tekort komende rogge door inhouding van Brood en hem dan vervolgens geen rogg meer toe te vertrouwen.

In de kantlijn bijgeschreven door directeur der koloniën Van Konijnenburg: conform VK



4 tegen de bestedeling Eva Broek welke zonder verlof de kolonien zoude hebben verlaten.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent haar misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

Eva Broek voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt



5 tegen de kolonistenzoon Johannes Jacobus Kleinée welke 14 dagen over de verloftijd is weggebleven

De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J.J. Kleinée voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt

In de kantlijn bijgeschreven door  directeur der koloniën Van Konijnenburg: de vader heeft zich aan de PC gewend om verschooning op grond dat zijn zoon geen geld voor de terugreis bekwam en kunnen belenen van familie, waarvan er overleden waren, hetgeen eerst dáár heeft moeten verdienen, dat mij niet zoo onaanemigen zwaarte was VK



6 tegen de bestedeling Gepke Sipkes de Vries welke uit de kolonien zoude zijn gedeserteerd.

De beschuldigde binnengeroepen zijnde bekent haar misdrijf.

De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

G.S. de Vries voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht; De beschuldigde binnengeroepen zijnde, wordt haar zulks kenbaar gemaakt

In de kantlijn bijgeschreven door  directeur der koloniën Van Konijnenburg: is een derde maal VK



7 tegen de kolonistenkinderen Cornelis Gijsbertus de Klein en Maria Christina de Ouden, wegens onzedelijken omgang met elkander en waarvan laatstgenoemde in eenen zwangeren toestand verkeert.

De beschuldigden binnengeroepen zijnde is alleen de Klein verschenen, welke hun beider misdrijf bekent.

De Raad gelet op Art: 2§f en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

C.G. de Klein voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar Veenhuizen en M.C. den Ouden naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
C.G. de Klein binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



8 tegen de kolonistenkinderen Jan Postma en Catharina Elisabeth Surstedt,  wegens onzedelijken omgang met elkander, waardoor laatstgenoemde in eenen zwangeren toestand verkeert.

De beschuldigden binnengeroepen zijnde is alleen J. Postma verschenen, welke beider misdrijf bekent.

De Raad gelet op Art: 2§f en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

J. Postma voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar Veenhuizen en C.E. Surstedt naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht;
J. Postma binnengeroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt



Eindelijk geeft de President den Raad te kennen, dat Wubbe Wering den 19 Mei jl is gedeserteerd, den 15 Juny van desertie is teruggebracht en twee dagen daarna naar de Ommerschans Is overgeplaatst ter voorkoming van vernieuwde desertie;
De Raad gelet op Art: 2§d en Art: 3§2 van het Reglement van tucht waarbij
overplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld,

Besluit:

de overplaatsing van Wubbe Wering bij deze goed te keuren.

Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord den  9e Mei 1845
C. Hulst
L: ten Broek
P Hertog
J Arsli
P Souvereijn
F.J.P. van Marle  secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Frederiksoord 11-07-1845


Raad van toezigt gehouden in Kolonie N 1 op den 11e July 1845

Alle leden zijn tegenwoordig

Is voor den Raad verschenen de wijkmeester Lucassen te kennen gevende, dat aan hem bij herhaling door den kolonist Bommel de Heer, wordt ten laste gelegd dat Roomsch gezindten boven de Hervormden door hem zouden bevoordeeld worden, terwijl, toen de wijkmeester hem hierover onderhouden heeft, deze ten antwoord ontving “hetgeen ik eenmaal gezegd heb, zal ik staande houden”

Dat wijders  de vrouw van den beschuldigden ten aanhoren van de Onder Directeur dezer kolonie de sectiebaas van Attekum, welke eerder door den wijkmeester Lucassen begunstigd zouden zijn, heeft toegeroepen de scheldwoorden Judas, Bliksemsche verrader en dergelijke.

Dat de aanleiding tot dit onbehoorlijk uitvaren zou moeten gezocht worden, immers naar het voorgeven der beklaagden, in het afstaan van mindere weide voor de koe, terwijl de Onder Directeur verklaart dat bij opname hiervan hem gebleken is dat deze klagt onregtmatig, en de Heer ten dezen opgezegte wijkmeester onregtmatig beschuldigde alzoo hij in de toebedeeling van het weideland niet  benadeeld was.

Beschuldigde Bommel de Heer ten dezen opgeroepen, oud 46 jaren voor den Raad verschenen zijnde, zegt dat door hem in het algemeen geloofd wordt, dat hij in verschillende dingen bij anderen ten achteren staat, en in het bijzonder omtrent dit land, dat hij het daarvoor houdt dat de Roomsch gezindten “de beste kaart speelen”


Is voor den raad verschenen Joseph Viasensky, oud 68 jaren, inwonende bij den Kolonist A. Klaver op hoeve N28, beschuldigd wegens het misbruik van sterken drank, omtrent welk punt de Onder Directeur der kolonie verklaart dat op den 22 Juny jl de beschuldigde door hem in beschonken toestand is aangetroffen.

Door de beschuldigde is erkend geworden, dat hij, ter gelegenheid van den bruiloft van de dochter van den Kolonist Versluis met den zoon van de weduwe Oostmeijer zich in het gebruik van sterken drank heeft te buiten gegaan, immers meer gebruikt heeft dan hij kon verdragen, waarvoor hij eerbiedig vergiffenis verzoekt.



Is voor den raad verschenen Willem de Vries, zoon van de kolonist A. de Vries wonende op hoeve N119, oud 16 jaren, beschuldigd van verregaande luiheid en onverschilligheid in het werk, als hebbende gedurende een geruimen tijd ’s weeks niet meer dan een stukje 7/8 imitatie katoen afgewerkt, ten gevolge waarvan hij herhaaldelijk is beboet en in de strafkamer is gezet, al hetwelk ten eenen male vruchteloos is, waarvoor dan ook de Raad van Toezigt geoordeeld heeft hem door te verwijzen naar den Raad van Politie en Tucht



Tegen Harmen Schouman, oud 17 jaren, inwonende bij den kolonist Grothe hoeve N89 wordt dergelijke beschuldiging ingebragt en gelden ten opzigte van dezen jongelinge luijaard en verstokten onverschillige in geene mindere mate dezelfde redenen van verwijzing ten opzigte van W.de Vries



Eindelijk wordt opgeroepen Jannetje Risseeuw oud 20 jaren inwonende bij den kolonist Bijlaart hoeve N129, welke dagelijks zich aanhoudend lui en onverschillig gedraagt en wel dienswijze dat zij in den tijd van 2 dagen nog geene 3 roeden geschoffeld heeft en dat werk niet eens goed verrigtte,

Dat zij doorgaande F 0.30 hoogstens centen verdiend, indien zij al verdiensten heeft.

Dat zij hierover door de Onder Directeur en wijkmeester dikwerf is onderhouden geworden, maar dit met lagchen heeft beantwoord,

Dat zij herhaaldelijk met geldboete en de strafkamer is gestraft geworden al hetwelk vruchteloos ook op haar is beproefd geworden,
redenen waarom ook zij door den Raad van Toezigt naar den Raad van Politie en Tucht is verwezen geworden.

Terwijl omtrent deze beschuldigde nog moet opgemerkt worden, dat zij in slechts 8 weeken 5 verschillende huizen gehad heeft en het alzoo hoogst moeijelijk valt haar telkens te plaatsen

Aldus gedaan op datum, maand en jaar als

De President
H Faaken

J. Uhl
W Taatgen
J: Arsi

Secretaris
J Heerkes de Vries


Bijlage 2: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 30-06-1845


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N 2 op Maandag 30 Juny 1845

Alle leden present zijnde

Hebben voor den Raad geroepen de Besteedeling Antonie Johannes van Leeuwen van Rotterdam oud 19 jaren wegens beganen desertie op den 21 Juny en de 28 door de Policien niet gecompareerd zijnde van Groningen naar Veenhuizen opgebragt en vandaar nu hier ’s avonds getransporteerd zijnde.
Heeft den Raad gemeend alzoo hiervan kennis te geven aan de Raad van Tucht.

A W Idserda
A.Croll
A Keizer
P: Souvereijn
Morriën


Bijlage 3: Raad van toezicht Willemsoord 23-07-1845


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N3

Alle leden zijn tegenwoordig

Wordt binnen geroepen: Wolf Mozes, zoon van den kolonist van de Berg, hoeve N101, oud bijna 15 jaren, die den 24 Mei jl weggeloopen – en de 21 Juny terug gekomen is, hij zegt dat zijn vader hem geslagen had, en bedreigde met nog meer slaag, waarvoor hij zoo bang was geworden en weggeloopen is, dat veel geloof verdiend, om dat het nog een kind is.



Nog wordt binnen geroepen: de kolonist  C. de Klein, hoeve N163, die gezegd heeft dat indien de goederen welke voor de fabrijken gemaakt in beide koloniën even groot moeten zijn, dan de fabrijkbaas van Galen van deze kolonie éénen dief is.

De Klein zegt dit gezegde te kunnen bewijzen doordien goed in deze fabrijk gemaakt kleiner is, dan dat door die van Kolonie N2 gemaakt wordt; van beide fabrijken zegt hij goederen te hebben en bovendien zegt hij: “ben ik bij vrouw Potberg geweest- deze woont buiten de koloni bij wie van Galen veel komt en heb haar gevraagd of zij van mij, als ik hier fabrijk-baas wordt, dat welligt gebeurd, ook wel eenig goed zou willen koopen, waarop zij mij vroeg het hele stukken zouden wezen en daarop een toestemmend antwoord bekomen te hebben, gaf zij mij te kennen dan maar te brengen”

Van Galen daarover binnenroepende en die te kennen gevende dat de Klein een en ander tegen hem ingebragt heeft zegt, “dan is hij eenen Smeer-lap”, waarop de Klein al dadelijk onder bedreiging zegt: ”ik zou je zoo op je scheele smoel kunnen slaan” en meer diergelijken gemeene en brutale uitdrukkingen, waar hij - maar met zeer veel moeite te stillen was.

Ook geeft van Galen te kennen dat de Heer ten Broek alles zoo maar niet zou laten gebeuren, waarop de Klein antwoord: “het is bekende genoeg dat die zich met de fabrijk niets bemoeid.

Aan de Klein vragende hoe hij op die gedachten gekomen en wat de reden was, waarom hij zoo veel kwaads van van Galen vermoede, was zijn antwoord dat het alleen wraak en niets anders is tegen van Galen omdat die aan anderen fabrijkwerk te maken gaf en hem niets, hetgeen wel in enkele gevallen gebeurd: als het aangevraagde voor het volgende kwartaal afgewerkt is, mag er niet meer worden aangemaakt en kan van Galen evenmin aan de Klein als aan andere werk verschaffen en moeten dan de kleêrmakers mede landwerk verrigten, daarvan werd onlangs door den Onder Directeur kolonist Wulffink vrijgesproken en op diens last eenig fabrijk-werk verschaft, omdat hij een zwak man is en toen vooral ongesteld was, dus buiten verkiezing van de fabrijk-baas.

Men weet niet anders of van Galen, die bijna 25 jaren in de fabrijk geweest is, behandeld de zaak wel eerlijk, en of de Klein zegt vrouw Potberg bovenstaande gevraagd te hebben bewijst nog niet dat van Galen zich aan dieverij heeft schuldig gemaakt;



Daarna wordt binnen geroepen den Kolonist J.S. Vormeer, hoeve N45 bij wien, toen men de rogge zoude afhalen, dezelve zoo nat en gezwollen was, dat men vier weken werkzaam geweest is om de rogge weder droog te krijgen en nu komt hij te kort 2.61 Mud op 19.99- dus bijna een kwart gedeelte;

Vormeer geeft voor dat de rogge door inregenen zoo nat geworden was;
dat het onmogelijk waar kan wezen, wel kan een gedeelte nat regenen, maar niet alles, daarbij werd hem vergund des morgens één uur later op het werk te komen om eerst het rogge te verscheppen en had hij dat gedaan dan wist hij ook hoe ze was en waarom er dan geen kennis van gegeven aan den wijkmeester?
Die het eerst gewaar werd toen hij dezelve wilde afhalen, - neen duidelijk is het dat er moedwillig het mogelijke aan gedaan was om de korrel groot te krijgen en langs die weg te min afleveren;



Ook wordt binnengeroepen Eva Broek, oud 24 jaren bestedeling in hoeve N122, die den 13 Mei jl weggeloopen en de 21 daarop teruggekomen is.
Zij zegt van hare huismoeder verlof gehad te hebben en meende dan wel te mogen gaan.



Daarna wordt Johannes Jacobus Kleinée, oud 22 jaren uit hoeve N145 binnengeroepen, die 14 dagen over zijn verloftijd is weggebleven en daarom ook als achtergebleven van verlof is afgeschreven.
Hij geeft voor dat toen hij te ’s Gravenhage was van zijne Zuster die daar woont geen reisgeld kon bekomen en daar eerst zoo lang heeft moeten werken om het benodigde reisgeld terug te bekomen;



Gepke Sipkes de Vries, bestedeling oud 33 jaren hoeve N64, die den 4 Junij jl gedeserteerd en de 19E daarop door den Veldwachter van Vledder teruggebragt is; Zij zegt alleen daarom weggeloopen te zijn , dat zij liever te Ommerschans wil wezen;



Nog zijn geroepen doch niet gekomen Cornelis Gijsbertus, zoon van de kolonist de Klein, hoeve N163 en Maria Christina, dochter van den kolonist den Ouden hoeve N168 oud 23 en 28 jaren, waar van laatstgenoemde zwanger is.



Eindelijk worden binnengeroepen Jan, zoon van de kolonist Postma hoeve N6 en Catharina Elisabeth, dochter van de Weduwe Surstedt hoeve N21 oud 23 en 20 jaren waarvan zij bekennen dat de laatstgenoemde zwanger is;


Aldus gedaan te Willemsoord, den 23e Julij 1845

JH  Hoving
P. Hertog
J. Klijzing
J van Agteren
H. de Plot


Bijlage 4: Besluit van de permanente commissie 04-09-1845


Nader 11 Aug.ll 14

’s Gravenhage den 4 Sept 1845
No 5

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Gelezen den brief van den Dir der Kol van den 6 Aug ll N1977

Besluit

A naar aanleiding van de daarbij ingezonden notulen van den Kleine Raad in de Gewone Kolonien over Aug. ll

1: toe te staan het verzocht ontslag van de kolonistenkinderen D. Mulder en T. van Kooten

2: het verzoek van de kolonistendochter M. Zwaan om te mogen huwen met de bestedeling L. Louwers en op de hoeve van hare overledene ouders gevestigd te worden, te houden in advies totdat daar omtrent het gevoelen van de uitbesteders zal zijn vernomen

3: omtrent het toegestaan verlof aan de bestedeling Engelen, de kleine Raad voorn. te kennen te geven dat de uitbesteder wel deswege heeft verklaard als daartoe geene toestemming hebbende gegeven, wordende de Raad mitsdien aandachtig gemaakt op de bepaling dat den bestedelingen geen verlof mag worden verleend zoo er geen bewijs bestaat dat de uitbesteder daarin bewilligd.


B naar aanleiding van het overlegd Proces verbaal van den Raad van Policie en tucht in de Gewone Kolonien van den 24 July ll

1: goed te keuren de overplaatsing in eene andere wijk van de kolonist B.de Heer en gezin

2: te bekrachtigen de verwijzing naar de Strafkolonie aan de Ommerschans van
W. de Vries, kolonisten zoon
J. Risseeuw, bestedeling
A.J. van Leeuwen, bestedeling
E. Broek, bestedeling
G.S . de Vries, bestedeling
M.C. den Ouden, kolonistendochter
C.R.Surstedt, kolonistendochter
W. Wering, bestedeling

Naar Veenhuizen van
C.G. de Klein, kolonistenzoon
J. Postma, kolonistenzoon

3: Voor de kolonistenzoon J.J. Kleinée de uitgesproken verwijzing naar de strafkolonie te verzachten in de straf van drie dagen opsluiting

4: te bekrachtigen de verwijzing onder de arbeiders te Veenhuizen van den kolonist J.S. Vormeer en huisgezin

5: de Dir der Kol te kennen te geven, dat op grond van het oordeel des Raads omtrent de zedeloosheid van het gezin de Vries dit gezin naar het gevoelen van den PC wel in de termen verkeert om naar de Strafkolonie te worden verwezen, wordende de Dir uitgenoodigd zulks bepaaldelijk te onderzoeken ten einde het gezin voor den Raad teregt te stellen, indien zulks met uitzigt op des bedoeld gevolg mogt kunnen geschieden

6: den Dir der Kol te verzoeken om de PC in bijzonderheden bekend te maken met den uitslag van het onderzoek naar het oneerlijk handelen waarvan de fabrijkbaas van Galen door den kolonist C. de Klein is beschuldigd

7: Voormelde Directeur nog te kennen te geven dat het de PC aangenaam zal zijn de vonnissen van de Raad van Policie en tucht in de gewone kolonien steeds onmiddellijk na derzelve uitspraak te ontvangen ten einde de bekrachtiging of verwijzing derzelve niet eene wezelijk verwijl onderga

8: aan den Heer Burgemeester van de Rijp te schrijven als volgt
Maartje Zwaan, oud 24 jaren uit het huisgezin van Jan Zwaan in der tijd op contract met Uwed in de kolonien gevestigd, wenscht een huwelijk aan te gaan met Frans Louwers, bestedeling uit Rotterdam, mede 24 jaar oud en dan gevestigd te worden  in eene hoeve, in vervanging van hare overledene ouders
Beide jongelieden zijn goed van gedrag en hebben een hoeveelheid tegoed in de spaarbank om de kosten der eerste verstrekking of zoogenoemde vervangingskosten des noods zelve te bekostigen.
Bij ons bestaan mitsdien in deze geene bedenkingen weshalve de zaak voortgang kan hebben willen ook door Uwed daarmede genoegen wordt genomen.
Waarom het ons aangenaam zal zijn Uwe gedachten te mogen vernemen DH

Extract dezes van zoo het betreft art.1 zal worden gezonden aan den Dir der Kol ter uitvoering het narigt.


BRON:
Drents Archief, toegang 0186, bij post van 4 september 1845 N5, invnr 571

Notities bij het zittingsverslag