Raad van Politie en Tucht in de gewone Kolonien

op den 11 December 1843



Alle leden zijn tegenwoordig.

Wordt gelezen een Procesverbaal  van den Raad van toezigt van Kolonie N3, van den 9de dezer maand houdende beschuldiging:

1. tegen de Kolonist M.J. van den Berg, welke aardappelen uit de Kolonien zoude hebben gevoerd, ter verruiling voor knollen. De beschuldigde binnen geroepen zijnde bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art. 2 § e en Art. 3 § 3 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer benevens dubbelde vergoeding op dat misdrijf is gesteld, daarbij tevens aanmerkende dat zulk eenen ruilhandel bij de Kolonisten, ten strengste dient tegen gegaan te worden, daar zij in de gelegenheid gesteld worden om hun overhebbende aardappelen voor eenen zeer billijken prijs bij de Maatschappij te verkoopen.

Besluit:

M.J. van den Berg de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, doch hem van de vergoeding vrij te spreken, daar men de aardappelen, zoo hij ze niet te kort mogt komen als zijn eigendom kan beschouwen.



2. tegen de Kolonistenzoon Johannes Hendrikus Wolfs oud 20 jaren en de bestedeling Cornelia van Dort oud 21 jaren, welke laatste door onzedelijken omgang met elkanderen in eenen zwangere toestand zoude verkeeren.
De  beschuldigden binnen geroepen zijnde is alleen J.H. Wolfs verschenen, welke hun beide misdrijf bekend.

De Raad gelet op Art 2 § f en Art. 3 § 2, van het Reglement van tucht, waarbij verplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld

Besluit:

J.H.  Wolfs en C. van Dort beiden voor eenen onbepaalden tijd te verwijzen, de een naar Veenhuizen en de andere naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



3.  tegen de Kolonist Y. Attes wegens het vervoeren van aardappelen uit de Kolonien.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde blijft verklaren de aardappelen naar zijnde dochter te hebben gezonden, en wel met den schipper van Steenwijk op Meppel.
Dien schipper door een der wijkmeesters van Kolonie No 3, ondervraagd zijnde, heeft verklaart geen aardappelen te hebben ontvangen.

De Raad vermeent grond te hebben, om te gelooven dat de beschuldigde de aardappelen zoude hebben verkocht en daarbij gelet op Art. 2 § 3 en Art. 3 § 3 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld benevens dubbelde vergoeding

Besluit:

Y. Attes de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, wordende hij van de vergoeding vrij gesproken, zodat in het vervolg niet blijkt dat hij aardappelen op zijnde vergoeding te kort komt.



4. tegen de bestedeling A. Zuidgeest, welke zich zoude hebben schuldig gemaakt aan dronkenschap en het plegen van baldadigheid aan het voertuig van den kolonist D. de Vries.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde bekent zijn misdrijf.

De Raad gelet op Art. 2 § c en Art. 3 § 1 van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

A. Zuidgeest de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Verder wordt gelezen een procesverbaal van den Raad van toezigt van kolonie No 2 van de 7de dezer maand houdende beschuldiging tegen Hendrikus Izaak Frankot voorzoon der vrouw van den Kolonist Hendrik Arends, wegens verregaande luiheid in de katoenweverij. De beschuldigde binnen geroepen zijnde kan niets tot zijne verschooning in brengen.

De Raad in aanmerking nemende, dat de beschuldigde reeds onderscheidende malen in de strafkamer is opgesloten geweest en niets schijnt te baten, daar hij in twee  maanden tijds slechts twee stukjes katoen heeft geweven, welke beiden nog hebben moeten worden afgekeurd, waardoor de ouders telken weken van hun winkelgeld moet worden gekort, en daarbij gelet op Art. 2 § g en Art. 3 § 4, van het Regelment van tucht, waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd onder de arbeiders te Veenhuizen of ook wel naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

H.I. Frankot voor een onbepaalden tijd te verwijzen naar de Ommerschans waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



Nog wordt gelezen een procesverbaal van den Raad van toezigt van Kolonie No 1, van de 9de dezer maand houdende beschuldiging tegen de kolonistenkinderen Klaas Hameka, oud 22 jaren en Elisabeth Thoss oud 26 jaren wegens onzedelijken omgang met elkander, ten gevolge waarvan laatstgenoemde reeds den 26ste der vorige maand is bevallen.
Klaas Hameka binnen geroepen zijnde bekend hun beider  misdrijf.

De Raad gelet op Art. 2 § f en Art. 3 § 2 van het Reglement van tucht, waarbij overplaatsing voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Klaas Hameka en Elisabeth Thoss beiden te verwijzen, de eerste naar Veenhuizen en de laatste naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem zulks kenbaar gemaakt.



2. tegen de Kolonist Dirk van Hoogmoet, welke den Pastoor van Dam zoude hebben beleedigd, volgens de mede hierbij gevoegde aanklagte van genoemden Pastoor.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde kan niets tot zijne verschooning in brengen.
De Raad gelet op Art. 2 § a en Art. 3 § 1, van het Reglement van tucht, waarbij opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer op dat misdrijf is gesteld.

Besluit:

Dirk van Hoogmoed de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer en den Directeur voor te stellen om hem over te plaatsen naar Willemsoord onder het kerkbestuur van Steenwijkerwold.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde, wordt hem zulks kenbaar gemaakt.


Aldus gedaan in den Raad te Frederiksoord en 11 December 1843.
C. Hulst  Pres.
L.F ??
M. Aspelslagh
H. Hulsbring
J. van Attekum
T.H.P. van Marle, secretaris


Bijlage 1: Raad van toezicht van Willemsoord 09-12-1843


GEEN transcriptie.


Bijlage 2: Raad van toezicht van Wilhelminaoord 07-12-1843


GEEN transcriptie.


Bijlage 3: Raad van toezicht van Frederiksoord 09-12-1843


Raad van Toezigt gehouden in Kolonie N 1 Zaterdag 9 December 1843.

De leden alle tegenwoordig zijnde wordt voorgeroepen en ondervraagd Klaas Hameka, kolonistenzoon Hoeve 124, oud 22 jaren, en bekent hij onzedelijken omgang gehad te hebben, met de kolonistendochter Elisabeth Thoss van Hoeve 118, tengevolge waarvan deze den 26 deze vorige maand, ten huize harer ouders, is bevallen.


Wordt gelezen aan den Raad in handen gestelde en hierbij terug gaand adres van de R. C. Pastoor J. van Dam, houdende aanklagte tegen den kolonist D. van Hoogmoed die zijn welEdEerw met scheldwoorden en beledigingen heeft bejegend.
De Kolonist D. van Hoogmoed Hoeve N 94, die gehoord wordt, bekent het hem in genoemd adres ten laste gelegde en zegt hij tot die uitdrukkingen gekomen te zijn omdat de Pastoor zou getoond hebben beledigd te zijn van door eene arme vrouw van buiten de Kolonie, te zijn geroepen.


Aldus gedaan, en aan den Raad van Policie en Tucht onderworpen

H. Faaken
J. Mulder
J. Uhl
??


Bijlage 4: Brief van pastoor Joannes van Dam


Woensdag den 22 november werd ik s morgens om half negen door eene arme vrouw uit de hutten van Noordwolde verzocht, om dadelijk bij Dirk van Hoogmoed te willen komen, alwaar de ingedeelde wees Jan Louwers zeer gevaarlijk ziek lag;
doch niets van zijne ziekte gehoord hebbend, dan dat hij alle dagen de koors had, en ook dat ik door eene arme vrouw uit de hutten geroepen werd, kwamen mij wonderbaar voor;
ik liet echter Grietje van Hoogmoed, die reeds in de cathechismus was, oogenblikkelijk roepen, die echter van de ziekte niets af wist en beweerde, dat, van huis gaande, Jan Louwers nog zeer wel was;

Dadelijk zond ik haar naar huis om eens naar den zieke te vernemen, en al zeer spoedig terugkomende zeide zij mij, dat Jan Louwers nu wel was, maar dat hij voor eenige oogenblikken, bij den afloop der koors, zeer benaauwd was geweest;

ik ging derhalve mijnen gewoonlijken gang, en onderwees mijne kinderen in de christelijke leer.

Doch 's middags wilde ik toch eens zien, hoe het met den zieke gesteld was, en aankomende werd ik van eene menigte scheldwoorden, verwijtingen en andere grofheden overladen;
Dirk van Hoogmoed wilde, dat ik zijne woning zoude verlaten, en dat ik nooit meer daar mogte komen,
en zoo hij wist, wanneer ik weer wilde komen, zoude hij de deur voor mij sluiten, of gelijk Eulenspiegel mij zijn achterste laten zien.

Ik was een onmensch, die niets anders, dan het ongeluk der kolonisten zocht,
ik deed mijne pligt niet,
en had in plaats van zijn dochtertje te zenden, zelf moeten komen,
maar de kolonisten wierden van mij niet geacht, omdat zij arme arbeidslieden waren,
waren zij menschen van ?? aanzien, dan zoude ik ogenblikkelijk wel gekomen zijn;
had ik er ook eenen hond met eenen brief in den bek gezonden, dan had gij nog oogenblikkelijk moeten komen.

Frans Louwers, de broeder van de zieke, was ook op het oogenblik daar, die alles heeft gehoord.

Ik heb gemeend, dit aan de Heeren der Directie bekend te moeten maken met vriendelijk verzoek, om tegen dergelijke ?? volgens UEd goeddunkens behoedmiddelen te beramen, om voor het vervolg dergelijke grofheden voor te komen.

J. van Dam




BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1616

Notities bij het zittingsverslag