Notulen van het verhandelde van den Raad van policie en Tucht in de vrije kolonien van den 18 Januarij 1830


Aanwezig:
de Heer J van Konijnenburg vz Pres
de Heer M Bersma,
de Heer A. Brouwer
de kolonist J Althoff, gemeensman
de kolonist JH Dornbach, gemeensman
de kolonist Fraterman, gemeensman
en JH van Wolda, secretaris

De President legt over een proces verbaal van den raad van toezigt van kol 2, van den 16 dezer maand wegens het voor 7 dagen, zonder bekomen verlof, naar Leeuwarden gaan, door den bestedelingen Cijfers en Zwigchem, alsmede het stelen van turf uit de turfgraverij der Maatschappij, en het zich bij dien gelegenheid verzetten tegen de onderopziener Mommers, van Jelle en Maarten Gerritsma op den 31 december 1829. 

De jongelingen Cijfers en Zwigchem, die voor den Raad van toezigt verklaard hadden in 1828 ook zonder bekomen verlof derwaards te zijn geweest, geven voor reden van deze hunne handelwijze op, dat zij vóór het heengaan, hunne Uitbesteders reeds onderscheidene malen, schriftelijk verzocht hadden, om eens met verlof naar Leeuwarden te mogen gaan, en daarop geen antwoord bekomende, hadden zij zich vervolgens voor den kleinen raad begeven, dan ook daar was hun verzoek geweigerd; -
de eene zoude zijne verpligting tot de loting voor de Nationale Militie onderzoeken en de andere, als zijnde, 20 jaren oud, naar een toekomstig bestaan omzien.

Overwegende, dat het zonder bekomen verlof, verlaten van de Kolonie, volgens art 2 Litt d Art 2 en art 3 van het reglement van policie en tucht met overplaatsing naar de Ommerschans zal worden gestraft;

Overwegende, dat alleenlijk de drie gemeensmannen van gevoelen zijn, dat voor dezen jongelingen verligting van straf moet worden gevraagd, terwijl de  vier overige leden het daarvoor houden, dat zoodanige handelwijze, te meer omdat het voor de tweede maal is, overeenkomstig de bepalingen der Maatschappij gestraft moet worden.

Besluit.

Art 1
De bestedelingen Cijfers en Zwigchem zullen gestraft worden met de overplaatsing naar de strafkolonie te Ommerschans.


Voorts gehoord hebbende de beide jongens van den Kolonist Gerritsma, met name Jelle en Maarten, die met ruwe woorden ontkennen eenige turf gestolen te hebben, doch hun verschil met den onderopziener Mommers, wijl deze hun den kruiwagen had  willen ontnemen, bevestigend beantwoorden; -
Is bevonden dat deze stoute knapen niet zoo zeer van diefstal als wel van verzet tegen de koloniale Ambtenaren te beschuldigen zijn.
Overwegende, dat zulke verzetten, volgens Art 3 van het Reglement met opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer zal worden gestraft;- dat alle leden van den Raad van gevoelen zijn, dat in dezen den langst bepaalden tijd dient gekozen te worden.

Besluit

Art 2
Jelle en Maarten Gerritsma voor den tijd van acht dagen op te sluiten in de gewone strafkamer der Kolonien.

Frederiksoord, datum als boven
J. van Konijnenburg Cz direkteur
M Bersma
A Brouwer
G. Fraterman
J,H, Dornbach               
G: Althoff   
JH van Wolda Secr

BRON:
Drents Archief, toegang 0186, invnr 1615

Notities bij het zittingsverslag