Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Johan Weender en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb

Op 22 juli 1818 ontvangt de pc een brief dat de subcommissie van weldadigheid Zaandam is opgericht.

De familie Weender behoort tot de eerste vijf kolonistengezinnen die op donderdag 29 oktober 1818 op de kolonie aankomen.

Uit een brief van directeur der koloniën Benjamin van den Bosch 10 januari 1819: ‘Weender zal spoedig naar t schijnt de grote reis aanneemen.’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 17 januari 1819: ‘Weender legt op sterven.’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 23 januari 1819: ‘Ook moet ik aan de Kommissie berigten dat Weender den 20ste overleden, en op heden te Vledder begraven is. Kunnen de kleding stukken, die nog weinig gedragen zijn – zonder betaling worden terug genomen?’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 12 februari 1819: ‘Ook ten aanzien van (…), (…), (…), Weender en (…), die voor de veldarbeid zeer weinig dispositie hebben zijn door mij eenige provisioneele schikkingen gemaakt di ik bij mijne volgende aan de goedkeuring der Kommissie zal onderwerpen.’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 15 februari 1819: ‘(…), (…), (…), (…) en Weender, zijn niet voor den veldarbeid geschikt. Ik heb dus begonnen, hun de geheele week in den fabrijk te laten, waar zij geemployeerd zijn, en zal hun ƒ 1=.= op het verdiende loon korten, en daarvoor een bekwaam arbeider 2 dagen op hunne grond doen werken. Ik heb mij door herhaalde proefnemingen van de noodzakelijkheid van deze maatregel, die ik U verzoeke aan het oordeel der Kommissie te willen onderwerpen, overtuigd.’

Het maandblad de Star april 1819, dr. Schuurman over de overledenen op de kolonie:
‘De tweede was johannes weener, uit Zaandam, in Noordholland. Sedert eenige jaren asthmatiek in eenen hoogen graad, had hij in zijne vorige woonplaats langen tijd aan de derdendaagsche koorts gesukkeld, met welke hij hier aankwam.
Spoedig raadpleegde hij mij over zijne ongesteldheid.
Zijne verregaande asthmatieke gesteldheid van borst, zijne zware verstoppingen in den onderbuik, zijne uit één en ander voortgekomen waterzuchtige constitutie, deden mij reeds in den aanvang onzer bekendschap een ongunstige voorzegging maken omtrent de herstelling van dezen braven man; gelijk hij dan ook, niettegenstaande alle mogelijke aangewende middelen, na veelvuldige sukkelingen overleden is.’


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat de weduwe Weender ook vermeld als donateur.


Zie voor beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files bij de stukken over de proefkolonie.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 11 januari 1820: ‘Vrouw Weender heeft waarschijnlijk een soort van loop. De doctor heeft mij gezegd, de correspondentie van dat huis met andere te moeten beletten.’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 15 januari 1820: ‘Ook vrouw Weender bevind zich vrij wel.’

Uit een brief van Benjamin van den Bosch 6 maart 1820: ‘De dochter van de weduwe Vergeer verzoekt te mogen trouwen met de jongeling bij de weduwe Weender wonende. De gevolgen van hunne verkeering maken dit huwelijk volstrekt noodzakelijk. In afwachting van het antwoord der Permanente Kommissie, heb ik voor genoemde jongeling de daartoe benodigde papieren doen aanvragen.’

Vledder, huwelijksakte, aktedatum 20 mei 1820, aktenr. 6
Bruidegom: Franciscus Loomeijer, oud: 20 jr., zoon van Frederik Loomeijer en Lena Kanil.
Bruid: Janna Vergeer, oud: 23 jr., dochter van Lukas Vergeer en Henderika van der Valk.

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd 'Ordinair huisgezin.'

Later het jaar trouwt de oudste dochter van Weender: Vledder, huwelijksakte, aktedatum 30 september 1820, aktenr. 8
Bruidegom: Sijberen Gerrits de Vries, oud: 24 jr., zoon van Gerrit Jans de Vries en Martien Sijberens.
Bruid: Johanna Catharina Wener, oud: 21 jr., dochter van Johannes Wener en Grietje van Voorst.

Maar dan beginnen er vanuit Zaandam klachten te komen. Januari 1821 schrijft de subcommissie:
‘Bij deze gelegenheid menen wij UEd den hoofdzakelijken inhoud te moeten mededeelen van eenen brief door de wed. Weender, ons toegezonden.
Zij zegt onder anderen: “Door den dood van mijn man, heb ik niet zo veele vruchten van den akker genoten, als andere colonisten. Kleeding en verschooning wordt minder, en zonder afbetaaling, kan ik genen nieuwe op rekening bekomen. Mijnen behuwd zoon kan mijnen verachterden toestand niet alleen dragen. Dat zoude hem den moed welligt benemen. Gaarne wierd ik alzoo met een ingedeelde begunstigd van 16 a 18 jaren.”
Uwe commissie ontveinst niet, dat den inhoud dezes briefs haar onaangename gewaarwordingen heeft veroorzaakt. Dat zij meende dat volgens UEd schrijven door het huwelijk van de dogter der wed. aan haar verlangen voldaan was, te meer daar wij toen noch een geschiktst jong man voor haar meenden gevonden te hebben.
Genoeg zij herhaalt haren wensch, die haar behuwd zoon niet schijnt bevreedigd te hebben. Waren wij in het bezit eener reekening courant, wij zouden misschien in staat zijn te zien, dat de wed. naar billijkheid, geene meerdere aanspraak op kleeding etc. kan maken, uit ‘t geen wij wel vertrouwen, doch waar door dan ook de vlijt en oppassendheid der weduwe bij ons in een minder gunstig licht voorkomt, dan wij gehoopt hadden. UEd ophelderende aanmerkingen met verlangen tegemoet ziende, hebben wij de eer te zijn
de subkommissie van Zaandam J. Koopmans, sect’

Benjamin wordt op onderzoek uitgestuurd en rapporteert op 16 januari 1821:
‘Voldoende aan den inhoud der Permanente Kommissies missive van den 12 dezer, heb ik de eer haar hier nevens de staat van het genotene en verschuldigde van de weduwe Weender te doen geworden.’
De Kommissie zal daar uit ontwaren, dat den toestand der weduwe minder voordelig, dan dien van andere kolonisten is, hebbende de verdienste van dit gezin in ruim twee jaren na aftrek der kortingen slechts ruim ƒ283- bedragen.
Wanneer men hier bij echter in aanmerking neemt, dat zij een ingedeelde hebbende, den oogst van het eerste jaar, die zeker niet zeer gunstig was, echter voor de winter provisie ruim toereikende moet geweest zijn, geheel heeft mogen behouden en dat zij daarenboven steeds de opbrengst van een en later van twee koeijen gehad heeft, dan kan men hare omstandigheden niet als zo ongunstig beschouwen.
Het mankeerd vrouw Weender echter aan oppassendheid, en wanneer zij haren man niet hadt verloren, geloof ik dat hare zaken veel beter zouden zijn gederigeerd worden. (…)
Hare aangehuwde zoon is een braaf en oppassend man, die den verachterden toestand der weduwe wel zal verbeteren, maar niet ligt geheel te boven komen.
Weshalve het mij zeer wenschelijk toeschijnt, dat hij daarin eenige mate tegemoet gekomen wierdt. De oudste dochter, Jans genaamd, is meer tot last dan steun van t huisgezin.
Voor het overige gedraagt dit gezin zich wel en is zeer proper op huis en kleeding. Een jongeling bij het zelve in te deelen, was zeer verkieslijk, voor zo verre zij daardoor vrijstelling van huur erlangen, maar voor de zedelijkheid schijnt het nadelig te moeten zijn, daar men in een klein vertrek zo veel menschen uit verschillende gezinnen zamen brengt.’


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.

Na het vertrek van de weduwe Vergeer, de schoonmoeder van de eerst bij Weender ingedeelde Loomeier, begint de huisvesting van dat jonge stel een kwestie te worden. Uit een brief van de nieuwe directeur der koloniën Wouter Visser 1 oktober 1821:
Dat aangaande het indelen van Frans Lomeijer met deszelfs vrouw en kinderen; de wede Weender, ik haar daarover heb gesproken en zij geen genoegen schijnt te hebben gen. huisgezin bij haar in te nemen; en dit mijns bedunkens ook niet tot haar verpligting kan worden gerekend; daar het voor de adm. zelfs grote moeijelijkheden zoude veroorzaken; ben ik van gevoelen dat de subkommissie van Zaandam, op eene andere wijze in de behoefte van Frans Lomeijer zal behoren te voorzien.’

Daarna plaatst Johannes van den Bosch de bij Weender verder ongewenste Frans Lomeier en gezin als huisverzorgers in Willemsoord, zie hier bij hoeve 34.

Uit een brief van de subcommissie Zaandam 29 oktober 1821:
In antwoord op UWelEd: missive van 24 dezer dient, dat het de subcomm: voorkomt, dat zij regt heeft om het gezin van de wed: Weender aan te vullen, als hebbende hetzelve verscheidene personen, uit welke het bij de contractering voor hetzelve bestond, door den dood van Weender zelve, als ook door het vertrek van Fr. Lohmeijer bij haar ingedeeld verloren. Het is daarom dat de subcomm: van oordeel is, dat Fr. Lohmeijer met zijne vrouw en kind zeer wel als ter wederaanvulling in dat gezin ingedeeld worden kan, het zij hij, Lohmeijer, voortaan als hoofd der hoeve in plaats van Weender overleden, het zij deze personen als ingedeelde bij de wed: Weender, als blijvend hoofd voortaan beschouwd worden, wat ook de wed: Weender daar tegen zoude willen inbrengen.


In het 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Grietje en Susanna Weener.

Juni 1824 heeft de subcommisssie Zaandam er genoeg van en treden de leden af, zie hier.

Uit een brief van Wouter Visser 21 mei 1825 aan de pc: ‘Voorts ter hare kennis te brengen dat de huisverzorger Smit en de koloniste wed. Weender kol. N1 wenschen een wettig huwelijk aantegaan; ons geene reden ter contraire bekend zijnde, neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij tot het toestaan van dat huwelijk te authoriseren.’
(zie over deze nieuwe echtgenoot: Abraham Smit)

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of ga terug naar de pagina van Weender.