Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Jacobus de Wals en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb

Uit de voordracht van Geertruidenberg dd 12 september 1818:
‘Jacobus de Wals oud 47 jaaren, van beroep boerenarbeider
Catharina van Beek, deszelfs huivrouw, oud 48 jaren
Lourens oud 16 jaaren arbeider
Hendrika oud 13 jaaren
Helena Maria oud 11 jaaren
Peter oud 10 jaren
Adriana Maria oud 7 jaaren
Martinus Johannis Favrier oud drie jaaren, zijnde een kleinkind en tot lasten van het huisgezin.’
Dit huisgezin, (zijnde van den Roomschen Godsdienst) is ons voorgekomen, alleszins aan de vereischtens te voldoen, zijnde den man zeer arbeidzaam en bijzonder tot den veldarbeid geschikt, waarin hem de zoon, 16 jaaren oud, behulpzaam kan zijn. De vrouw verstaat het spinnen, en kan daarin, door hare dogters geholpen worden.’

Zij horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie in De proefkolonie bladzij 32.
Het voor de reis meegegeven geld komt even ter sprake op de pagina transportkosten.


Ze komen even voor in een stukje in de Rotterdansche Courant:

29 oktober 1818: ‘Gisteren is van hier naar de volksplanting Frederiks-Oord vertrokken het huisgezin van Anthony Gerards, bestaande uit man, vrouw en vijf kinderen, welke allen door de sub-commissie van weldadigheid alhier van het noodige voor de reize zijn voorzien, zoo als ook voor het transport van het huisgezin van Geertruidenberg, alhier gepasseerd, gezorgd is en verder gezorgd zal worden voor verscheiden anderen, die van elders alhier ter verdere expeditie naar de volksplanting verwacht worden.’

In een brief van directeur der koloniën Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818 wordt Geertruidenberg genoemd als een van de voorbeelden ‘van subcommissies (die) ons zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen.’

In een brief van Benjamin dd 13 januari 1819 worden zij genoemd als een van de gezinnen die veel verdiend hebben bij spinarbeid en veldarbeid, in het kader van een verhaal dat ondanks stevige verdiensten vaak toch de schulden toenemen. Met een aparte vermelding: ‘vooral de Wals die ruim ƒ 32- in de afgelopen maand heeft verdiend, en echter schuld op zijne rekening heeft.’

Uit een brief van Benjamin dd 16 januari 1819 over de ‘grote domme luiaard’ Pieter Arends: ‘Hij maakte 25 takkeboschen, een arbeid waaraan hij altijd gewoon was, terwijl de Wals en meer anderen er 200 ja 250 in de zelfde tijd maakten.’


Op 12 juni 1819 doet directeur Benjamin van den Bosch verslag van een inspectie van de huishoudens, invnr 51, en meldt hij de vermissing van diverse goederen, zie hier, waaronder:
De Wals - 4 laaken, 2 wollen deken


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat De Wals ook vermeld als donateur.


In een brief van de spinbaas Anthonie Brouwer dd 1 juni 1820 behoort De Wals tot degenen die volgens Brouwer “voorbeeldeloos brutaal” zijn.

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd 'Ordinair huisgezin, zeer werkzaam, maar minder overleg' en worden ze voorgedragen voor een koperen medaille.

Uit een brief van de subcommissie Geertruidenberg dd 16 januari 1821:
‘Neme de vrijheid ingesloten, aan mij geadresseerde brief, aan UL te doen toekomen en aan welke hoofdzakelijk inhoud mij zeer gaarne en eerbiediglijk refereren, naardien het de subcommissie aangenaam zoude weesen, wanneer de Permanente Commissie het versoek in dezelve gedaan gunstig konde accorderen.
En daar mij door zijdelingsen informatiën bekend zij, dat de famille de Wals niet ondankbaar zijn, aan de gunsten die zij mogen genieten, maar door een alleszints goed gedrag en promptelijk aan de intentie hunner bestemming te voldoen – zoo wij hoopen en vertrouwen – uit dien hoofde aanspraak op de bijzondere bescherming der Permanente Commissie moge maken om welke reden, gemerkt mede hun altijd huigites(?) wij dezelve aan UL grondhartig aanbevelen.
De president der subcommissie van Weldadigheid te G.berg A. Koenen’.

Bijgevoegd bij dit schrijven van de subcommissie is een brief van de proefkolonist Baade die namens De Wals schrijft:
WelEdele Heeren!
Daar de kolonist J. de Wals gezegend met een talrijk huisgezin daar te boven, belast is met de opvoeding van zijn kleinzoon, heeft hij zig een en andermaal vervoegd bij den WEG Heer Direkteur der kolonien met instantelijk verzoek van op het voorbeeld van zo veele andere kolonisten welke met een ingedeelde begunstigd, van de landhuur gelibereerd te zijn en daar de gezegde de Wals zijne oudste dochter zig in de vorig maand a costy bevond, heeft zij haren vader UWEd alleszints gunstige genegenheid, welken ten besten van het huisgezin konde dienen gerapporteerd, met toezegging van in dit zijne belangen te zullen behartigen, en het is met voorkennis van den WEG Heer Direkteur dat de eer hebbe UWEd door deze te verzoeken met de Permanente Kommissie daar over te corresponderen en zodanige schikking en te maken als UWEd zult gunstig oordeelen. Hier op UWEd dispositie inwagtende heb ik de eer mij te noemen
WelEdele Heeren UWEDWDienaar J. Baade
Frederiksoord 17 dec. 1820′.

Daarop wordt Benjamin van den Bosch op onderzoek uitgestuurd en hij schrijft 5 februari 1821:
‘Den brief van den kolonist de Wals, benevens die van den President der subcommissie Geertruidenberg gaan mede hier bij terug.
Wanneer de Permanente Kommissie kan goedvinden aan de inhoud van gen. brieven te voldoen, dan zal daar door ongetwijfeld aan een oppassend huisgezin, een groot voorrecht gentrontre(?) worden.
Ik moet hier echter aanmerken, dat voorn. huisgezin, buitendien redelijk kan bestaan, en dat het mij dus in zoo verre alleen raadzaam scheen aan zijn verlangen te voldoen, als dit buiten schade der Kommissie geschieden kan, en die van Geertruidenberg voor den bestedeling betalen wilden.
De Wals heeft dit kind van den beginne af bij zich gehad. Herinner ik mij wel, dan is hij grootvader over het zelve en de vader nog in leven. Uit dien hoofde scheen het mij toe, dat hij weinig hoop kan hebben aan zijn verlangen voldaan zien.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een zilveren medaille.

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 23 mei 1822:
‘Er bestaat in kolonie N 1 en 2 eene ziekte die contagieus schijnt te zijn, althans zo iemand daar mede in een huisgezin besmet word, lopen zelden iemand der anderen vrij.
Reeds zijn daar aan eenige kolonisten gestorven en verscheidene anderen liggen daar aan nog zeer ziek.
De wachtmeester, de vrouw van Tijmes, de Wals, de zoon van Geraads en meester Middelboer zijn geenszins buiten gevaar.
De ziekte schijnt ons aangebragt te zijn door een dochter van de Wals, die ziek thuis gekomen is uit Steenwijk.’
(ter informatie: contagieus betekent besmettelijk)

Dokter Schuurman in het maandblad van de Maatschappij de Star van juni 1822:
‘In het midden der verloopene maand april vertoonde zich eerst in de kolonie no. 1, in de huishouding van de kolonist de wals, eene ziekte bij twee der kinderen; kort daarop werd de moeder en nog eene dochter ernstig ziek; zoo ook de vrouw, zoon, en ingedeelde meid van sitze jans; – het waren alle febres rheumaticae of catharales.’

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of ga terug naar de pagina van Jacobus de Wals.