Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Reactie Klaas Visser op de Vlugtige Waarnemingen

Het boek Vlugtige waarnemingen omtrent de ondernemingen van de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke ProvinciŽn verschijnt begin 1828. Het is naamloos, maar de vermoedelijke auteur, en dat denkt Klaas Visser ook, is de voormalige adjunct-directeur Bernard Diederik Gijsbert Wardenburg.
Het geschrift, dat toen veel opzien baarde, is op te halen bij googlebooks. De reactie van Klaas Visser bevindt zich als handschrift in invnr 3576, maar onderstaande is overgenomen uit de gedrukte versie in het nummer van april 1828 van de Vriend des Vaderlands, pagina 310-325. Zie ook mijn opmerkingen aan het eind.

Terwijl de Perm. Komm. onzer Maatschappij zich onledig houdt met het voor den druk gereed maken harer eigene aanmerkingen op het werkje, getiteld: Vlugtige Waarnemingen, enz., is zij, even vůůr het afdrukken dezes, verrast geworden door de eenvoudig hartelijke, maar niet minder ware en afdoende taal eens kolonisten zelven tegen dit werkje uitgesproken, die zij daarom gemeend heeft, in afwachting van het volgend Nommer, waarin zij met hare bedenkingen zal beginnen, aan het Algemeen te moeten kennelijk maken.
Het handschrift van den kolonist VISSER, door dezen aan den Directeur der koloniŽn overgegeven, met verzoek, om daarvan een gepast gebruik te maken, is bij de redactie voorhanden, en kan, des begeerende, gezien worden.


STAMELENDE WAARHEID, TER BEANTWOORDING VAN DE VLUGTIGE WAARNEMINGEN EN AANMERKINGEN OMTRENT HET BESTAAN DER KOLONISTEN HUISGEZINNEN IN DE VRIJE KOLONIňN FREDERIKS- EN WILLEMSOORD, BESTAANDE IN DE PROVINCIE DRENTHE VAN HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN

INLEIDING.

Daar mij onlangs een boek in handen kwam, waarin ik ontwaarde vlugtige waarnemingen en aanmerkingen omtrend de koloniŽn, bestaande in de provincie Drenthe, voor welke waarnemingen en aanmerkingen ik dadelijk al onder het lezen van dezelve niet alleen lust, maar zelfs een buitengewonen aandrang gevoelde, om zijn aanmerkingen en waarnemingen, omtrend de vrije koloniŽn Frederiks- en Willems-oord te beantwoorden, egter versloeg eene groote zwarigheid bijna al mijn lust en moed, en deze zwarigheid bestond uit niets anders, mijn geŽerde lezer, dan door zelfs bewustheid, dat ik geen de minste geleerdheid bezat, en dus alzoo geen bekwaamheid zou bezitten, om mijne gevoelens tegen de vlugtige waarnemer en aanmerker der koloniŽn welvoegelijk en nog eenigsins bevatbaar te kunnen uitboezemen, dog bij overdenking kwam mijn in gedagten: de waarheid laat zig tog altoos gemakkelijk verklaren, en deze gedagten deden dan ook mij de pen opnemen, om mij zelve eens te beproeven, hopende en vertrouwende, dat zoo zoms mijn schrijven, de een of ander in hande mogt komen, dat dan tog, hoe gebrekkig dan ook, de stamelende waarheid bij een geleerd en verstandig man tog altoos aangenamer en welgevalliger zal zijn, dan een verheven logen- en lasterschrijver.

STAMELENDE WAARHEID.

Om nu alle de aanmerkingen van de vlugtige waarnemer der koloniŽn, bestaande in de provincie Drenthe, breedvoerig te beantwoorden, door alles uit te pluizen, hoe de mest bij beproeving van theorie kan en moet gemaakt worden en hoe het land moet worden bearbeid volgens beproeving van landbouwhuishoudkunde, dan moet ik nu alreeds bekennen, indien ik mijn woord zal houden, van niets anders dan waarheid te zullen schrijven, dat ik daartoe niet in staat ben, ik kan geen theorie, ik kan geen landbouwhuishoudkunde, ik ben een boer en tegelijk een landbouwer, en van mijn jeugd af aan daarin opgebragt, tot aan mijn 30e jaar toe, heb ik in N.-Holland, en wel te Grootebroek, in de stand gearbeid, en nu op dit oogenblik bewoon ik reeds negen en een half jaar, ook in dat beroep de kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord, en wie van mijne lezers zal het mij nu kwalijk nemen, of mij van hoogmoed beschuldigen, wanneer ik zeg van meening te zijn, dat het aan mij tog ook vrij staat, zoo wanneer er van landbouw en veeteeld gesproken word, ook dan een woord te mogen medespreken, of zoo dat niet waar is, dan moet ik altoos zwijgen, want ik heb niets anders geleerd, dog om nu de theorie geheel te verwerpen als of de praktijk door niets te verbeteren was, dat doe ik niet.

O neen, ik laat UILKENS, dewelke onze vlugtige waarnemer zoo dikwijls aanhaald, in zijn landbouw huishoudkunde, en die theoretische geleerde mannen in hun waarde, ik geloof zelve zeer gaarn, en de ondervinding bevestigd er mij van tijd tot tijd van, dat de praktijk zelfs een nuttig gebruik kan maken van theorie, en dat, zoo wie het geluk heeft van met beide bekend te zijn, met regt een bekwaam landman mag genoemd worden en zoo ik er nu met waarheid een kan noemen, die met beide, en met praktijk en theorie volkomen en grondig bekend is, dan is het onze beminde Hoog Edele Gestrenge Heer Generaal-Majoor J. V. D. BOSCH.

Dat er nu een groot onderscheid bestaat in het dorre heideveld, in de provincie Drenthe, in vergelijking van de vette kleigronden in N.-Holland, zal een elk van mijne lezers mij geredelijk toestemmen, wie maar eenigzins met beide landstreken bekend is, dat ik nu, toen ik voor nu ruim 9Ĺ jaar verleden, te Westerbeeksloot de kolonie Frederiksoord binnen trad, met geen gunstig oog dat heideveld beschouwde, zal, zoo ik vertrouw, niemand van mijne lezers ongeloovelijk voorkomen.

Ja, gaarn wil ik dan ook bekennen ofschoon, zoo ik reeds gezegd
heb, van 30 jaren van landbouw en veeteelt geleefd te hebben, dat ik egter geene kans gezien had, om dien slapende heigrond wakker te maken, of hoe en op welke wijze dezelve te ontginnen, daar schoot mijn praktijk te kort, nu moest de theorie te hulpe komen, en daar ik reeds na waarheid verklaard heb, er slegts een te kennen, die met beide zoo wel met praktijk als theorie volkomen en grondig bekend stond, wiens naam en eer ik niet behoef te noemen, want die staat tog alom onsterfelijk bekend, die vond dan ook geen zwarigheid dat bijna doode ligchaam aan te pakken, en hoe moest ik mij zelve niet verwonderen, dat hij in zoo een korte tijd in hetzelve zoo veel levensgeesten verwekte, dat na verloop van 3 jaren, op de hoef, dewelke ik bewoonde en uit een tuin van 2000 roeden gronds bestond, behalven de 100 roeden tuingrond, dewelke ik voor ijgen gebruik had, en ook toen alreeds overvloedig groentens voor een geheel jaar opleverde, voor mijn talrijk huisgezin, bestaande toenmaals in elf zielen, ik zeg nog eens hoe moet ik mij zelve niet verwonderen, dat die heidegrond, dewelke ik voor toen nog maar 3 jaren verleden als dood beschouwd had, en nu door de oneindige landbouwkunde van onze waarde Generaal, als het ware, herschept, en zoo vrugtbaar gemaakt zag, dat mijn hoef het 4e jaar de onderstaande producten opleverde
373 ponden vlas,
351 schepels aardappels,
72 schepels rog,
4 schepels huttentutzaad en
2Ĺ schepels papaverzaad en
overvloedig stalvoeder en klaverhooi, met het geteelde roggestrooi, voor 2 koeien een geheel jaar door volkomen genoeg; nu alle deze produkte op waarde berekend, zoude toenmaals, volgens marksprijs, plus minus hebben kunnen opbrengen eene somma van É 443.90 cents, het voeder voor 2 koeien berekend een geheel jaar door op É 80.

Dit is geen logen nog grootspraak, mijn lezer. Ik spreek de stamelende waarheid zonder de minste ijgenbelang, en zoo wie mij bij ja of neen niet wil geloven, die kome bij mij, dan zal ik, volgens gehouden oogststaten, de waarheid bewijzen en daarbij ook aantonen, dat die geheele oogst ook aan mijn te goede is gerekend, maar welligt denkt nu de een of ander van mijne lezers, dat ik de eenigste was, wiens hoef zooveel opbragt.

Neen lezer, er waren toen reeds onderscheiden kolonisten meer, wiens hoeve zoo veel, ja zelfs nog meer opbragt als de mijne, dewelke ik bewoonden.

Ofschoon ik in vlas uitmuntte, zoo waren er daarentegen, die meer als 600 schepels aardappels op hun hoef geteeld hadden, en daar een pont vlas 30 cents waarde had, en een schepel aardappels 33Ĺ cents, zoo kan een elk de waarheid hiervan ligtelijk nagaan, egter bepaal ik mijn het liefste bij ijgen ondervinding, dan kan ik ook het beste bij de waarheid blijven.

Vraagd nu welligt de een of ander van mijn lezers, of mijn hoef in volgende jaren en op dit oogenblik zoo veel niet kan opbrengen.

Ja geŽerde landgenoten, ofschoon ik thans die hoef op kolonie No. 1 niet meer bewoon, maar met ijgen bewilliging, door de Maatschappij van Weldadigheid verplaatst ben geworden in kolonie No. 2, wijk No. 3, No. 74, zoo strekt egter ten bewijze overtuigend blijkbaar, dat onze teelgronden in de vrije koloniŽn niet terug gaan, zoo als waarmee onze vlugtige waarnemer en aanmerker ons wil belasteren, door dat van jaar tot jaar onze drie vrije, nog aanmerkelijk meerder produkte opbrengen, en met deze waarheid, hoop ik, hoe gebrekkig dan ook uitgestameld, onze vlugtige lasteraar, bij alle mijne geŽerde landgenooten, omtrend zijne voor mij bijna onbegrijpelijke waarnemingen en aanmerkingen, geheel tot logen en laster gebragt te hebben, aangaande onze landbouw, en hoe veilig mag men hem ook voor een lasteraar beschouwen, daar hij zijn gezegdens niet met zijn
naam durfd onderteekenen, dit kan ik nog wel inschikken aan een schrijver, die het goede werkt, en daarvoor aan deze zijde van het graf geen loon verlangd, maar een die eene goede zaak wii tegenspreken, is na mijn oordeel verpligt, zijn naam te melden, op dat zoo wanneer er soms de een of ander mogt zijn, die door zijn waarnemingen en opmerkingen beleedigd mogt vinden, zig dan ter verdediging bij hem konde vervoegen.

Het bestaan der Kolonisten.

Wat nu de vlugtige, waarnemer aanmerkt, omtrend bet beslaan van de huisgezinnen, dewelke de vrije koloniŽn bewonen, van wie dan tog zou een geŽerbiedigden Koning, of een Geliefden Prins, een nader verslag kunnen erlangen, dan van een kolonist zelve, dewelke reeds meer dan 9 jaren met een vrouw en twaalf ijgen kinderen, dat bestaan ondervonden en genoten heeft.

Dog van welke kinderen er thans een gehuwd is, en drie dienstbaar zijn, onder den boerenstand in N. Holland, en daar mijn vrouw op dit oogenblik, met twee van onze kinderen, onze vier kinderen, die zig in N. Holland bevinden, met verlof is gaan bezoeken, zoo bevind die zig thans zoo ik hoop met zes van onze kinderen in N. Holland, en ook ik nog met zes kinderen op de kolonie te Frederiksoord, maar waar tog mijne geŽerbiedigde lezer maak ik een aanvang, en waar zal ik einden, indien ik na waarheid alle die voorregten, al dat genot zal opnoemen, hetwelk alle kolonisten-huisgezinnen zonder onderscheid evenredig genieten, dewelke de vrije koloniŽn bewonen; maar tog is het mogelijk, in de gewone maatschappij, om aan een verarmd, en zoo een talrijk huisgezin als het mijne is, een woonplaats aan te wijzen, waar hij met alle de zijnen, na toe zou kunnen gaan, alwaar tegen hem gezegd zou worden: zie daar een huis met 2100 roeden land, gij kunt hetzelve bij een goed en ijverig gedrag erfelijk als pagter bezitten, bovendien ontvangd hij dadelijk met alle de zijnen kleding, dekking, huisraad, en het benodigde gereedschap tot den landbouw, spijs en drank, en hij kan, als het ware, maar zoo ogenblikkelijk, met alle de zijnen, wel en nieuw gekleed aan tafel schikken, maar tog zeg ik nog eens, zou het mogelijk zijn, om aan een verarmd huisgezin, zoo een woonplaas, met alle die voorregten aan te wijzen waar anders, dan alleen in de koloniŽn Frederiks- en Willemsoord, edog zoo nu, zoo een aanvankelijk gelukkig huisgezin, van mening was, om maar aan tafel te blijven zitten en dat er wel bediendens zouden komen om hun tafel af te nemen, en op hun wenk weder op te dissen, die zou zig bedrogen vinden, want hij ontvangd alle die vooregten tegen vergelding van arbeid, dog van niemand word meerder of zwaarder arbeid gevorderd dan zijn ligchaamskragten toelaten, ja zelfs bijna niet meer dan zijn ijgen werklust hem aanspoord, dog daar alle arbeidslieden zoo wel in de gewone als in de Maatschappij van Weldadigheid niet even veel ijver bezitten, niet even veel belang stellen in, het welzijn van hun huisgezin, en ook niet even veel bekwaamheid tot den veldarbeid hebben, zoo heeft dan de directie zeker noodig en nuttig geoordeeld, om alle arbeid zoo veel mogelijk per roe of per voet op zoodanig een prijs te stellen, dat een middelmatig arbeidsman altoos een behoorlijk en bestaanbaar dagloon kan bekomen, waardoor dan ook geweerd word, dat dezen voor den ander niet behoefd te arbeiden en een elk geniet, hetgeen hij verdiend, waartoe dan ook volstrekt een opzigt, een administratie vereist word, hetwelk dan ook onze vlugtige waarnemer onnodig of overtollig oordeelde, maar wat land of plaas tog, mijne lezer, zou kunnen bestaan, alwaar volstrek geen regt of orders bestonden, ik meen van geen, en dus ook even zoo min de koloniŽn, dog niemand word door het regt of orders, dewelke er op de vrije koloniŽn bestaan, onderdrukt of overheerd; hij die zijn pligten doet, zig zedig en oppassend gedraagd, leeft even zoo vrij als een ingezeten man in de gewone maatschappij, en geniet daarvoor door de Maatschappij' van Weldadigheid beloning en bevordering.

Vergun mijn waarde lezer, dat ik eens oordeel en de grootste en voornaamste voorregten opnoem, dewelke ik en alle mijne medekolonisten op de vrije koloniŽn onfeilbaar genieten; al ware het ook, dat een geheel huisgezin, in een geheel jaar, door oorzaak van ziekte of onvermogens geen cent kon verdienen, dan geniet hij nog het voorregt, van vrij te wonen, 24 pond brood, Ĺ schepel aardappelen per hoofd in de week te genieten, en bij zoodanig geval nog 10 en 12 stuivers in de week winkelgeld, doctoor en medecijnen bijna voor niet, daarenboven heeft ieder kolonie-huisgezin nog het genot van 1 of 2 melkkoeien, en de opbrengst van 100 roeden tuingrond en eindelijk, de meeste kolonisten brand, overvloedig verkrijgbaar voor eigen arbeid, welke voorregten ik veilig durf rekenen, indien ik dezelve voor mijn huisgezin in de gewone maatschappij moest aankoopen per week op 6 gulden, behalve deze noemenswaardige vooregten, dewelke ieder koloniste huisgezin als het ware slapende verdiend, zoo word nog bovendien alle zijne verdiensten hem tot op een cent toegerekend, behalve dat aan hem van ieder gulden 10 cents voor administratie gekort word, ontvangd hij totaal alle zijne verdiensten op de volgende wijs:
als ik nu b. v. met mijn huisgezin, zoo als veelal mogelijk is, 6 gulden verdien in de week, dan word daarvan afgetrokken 60 cents voor administratie-fons, dan laat ik daarvan doorgaans staan voor kleeding 3 gulden, en ontvang dan nog É 2.40 cents in handen, welk geld in papier bestaat, maar daarentegen bestaan er ook winkels op de Kolonie, waarmee men ook met dat geld alle huiselijke behoeften, als zout, zeep, olij, gort, meel enz. bekomen kan, dog daar onze vlugtige waarnemer, dan ook al op de winkels, die op de koloniŽn bestaan, zoo wat te zeggen heeft, zoo meen ik grond te hebben, hem te verdenken voor een lekkerbek, want zoo er mankering in onze winkels is, dan bestaat zulks in zuiker, ciroop, kandij, en wat al meer van dien aard is, dog aan wezentlijke behoeftens, aan een kolonisten huisgezin betaambaar, is of word in onze winkels dadelijk voorzien.

Ik heb dan ook reeds gezegd, dat ik bij zulke verdienste, zoo doorgaans 3 gulden per week liet staan voor kleeding, dus bedraagd zulks in het vierdedeel van een jaar 36 a 39 gulden, waarvoor ik dan ook 4maal in het jaar, na eigen oordeel de benoodigde kleeding, huismeubelen en gereedschappen uit het algemeene magazijn ontvang.
Nu geŽerde lezer, wie gij ook zijn moogt, oordeel nu eens zelve onpartijdig, over het bestaan van de kolonisten op de vrije koloniŽn Frederiks- en Willemsoord. Verdiend dan de Maatschappij van Weldadigheid, aan ons die verachting en laster van zoo een vlugtige waarnemer en aanmerker omtrend de koloniŽn, ik zeg rond uit van neen en wie het ook zijn mag, die meend of zegd, dat het bestaan van de kolonisten te Frederiks- en Willemsoord zoo slegt en armoedig is, die is met het ware bestaan der kolonisten op de vrije koloniŽn niet bekend, of kan geen weezentlijke armoed, nu weet ik ook zeer wel, dat er zelfs kolonisten zijn, die van de Maatschappij en van deszelfs hoofddirektie omtrend haar bestaan, met veel verachting en onverdiende belediging spreken, maar ook dezulke kennen geen wezentlijke armoed, of zij hebben welligt hun staat vergeten, waarin zij zig bevinden of stonden te geraken, voor zij na de kolonie vertrokken zijn, of anders zijn het dezulken die gemeend hadden om aan tafel als het ware te kunnen blijven zitten, en om zonder arbeid in pragt en weelde te kunnen leven, doch wie zou zulks kunnen billijken en dit is, ook nimmer het doel nog beloften van de Maatschappij van Weldadigheid geweest, en wie zou het behalve dit mogelijk zijn, om mijn een stad of plaats aan te wijzen, waarin elk in zijn beroep, elk in zijn stand, waarin hem God geplaatst heeft, volkomen tevreden leeft, gewis niemand, en ook even zoo min bestaat zulks helaas op de koloniŽn, ofschoon een elk kolonist, die van die middelen en voorregten, dewelke de Maatschappij van Weldadigheid hem aanbied, wat zeg ik, aanbied, neen schenkt en in handen geeft, dat gebruik wil maken, zou dezelve hoogstregtvaardig verlangd, dan kan het ook niet anders of dezulken leven te Frederiks- en Willemsoord dankbaar wel te vreden, en eindelijk zoo er soms van mijne lezers de een of ander mogten zijn, die over mijne gedane opgaaf van het bestaan der kolonisten op de vrije koloniŽn mijn mogt verdenken, dat ik mij niet volgens beloften bij de stamelende en opregte waarheid gehouden had, die kome bij mij, dan zal ik het hem aantoonen en uitleggen, ja die lust heeft kome, en aanschouwd dan ook mijne kinderen, die zullen stilzwijgend onze waarnemer beschamen, omtrend zijn laster, van voedsel en brood dat dezelve genieten, alsof zij daardoor dikke buiken, buikloop, en zwakke ongestelde ligchamen omdragen, maar komt en ziet geŽerde lezer, ik wil op de mijne daaromtrent niet roemen, maar God danken, voor die onwaardeerbare rijkdom, de schat der gezondheid dewelke ik met alle de mijne door zijn zegen mag genieten.
En hiermede zou ik dan kunnen sluiten, daar ik hoop het bestaan der kolonisten op de vrije koloniŽn, voldoende en zoo niet, dan tog na waarheid te hebben opgedragen, dog omdat onze vlugtige waarnemer de Maatschappij van Weldadigheid, en wel bizonder onze geliefde Generaal J. V. D. BOSCH, die een eenigen man is, in landbouwkunde en in zoo vele groote en edele wetenschappen meer, die zoo veel oneindige moeitens gedaan heeft, en nog onophoudelijk doet, aan het welzijn van zijn verarmde natuurgenooten en aan geheel ons Vaderland, die zich niet ontziet ver afgelegen kusten te gaan bezoeken, om ook daar bronnen van heil en welvaard te doen ontbinden, wat zegt gij lezer, wie zou het stilzwijgend kunnen dulden, dat zoo een man bij verre afwezigheid geblameerd zoude worden, door een laster en logenschrijver, ik niet! daar dan onze vlugtige waarnemer veel te zeggen heeft op de verkeerde ondernemingen en directie bestaande op de koloniŽn omtrend de landbouw, aanmaken van mest enz., zoo wil ik niet beweren, dat er nimmer proeven op de koloniŽn gedaan zijn, die niet aan het verlangde oogmerk zullen voldaan hebben, maar waar beantwoorden altoos nooit ondernomen proeven zonder feilen aan het verlangde doel, ik ben ook zeker, dat er wel eens verkeerden en schadelijken directie gevoerd is, zoo wel met landbouw als in andere belangens van de Maatschappij van Weldadigheid meer, maar daar het terijn van land, dat in de koloniŽn bebouwd en beteeld word groot is en door vele onkundige menschen in de landbouw moet worden bearbeid, zoo kan het dan ook niet anders of onze hoofddirectie is eene lagere directie hoogst benoodigd, doch hoe voorzigtig onze hoofddirectie ook staat in het begeven of kiezen, van die ondergeschikte, zoo doet tog soms de ondervinding de beste verwagting te leur stellen, te minste ik heb er een gekend, die dan ook door onze hoofddirecfie of door de Permanente Commissie van Weldadigheid geŽmploieerd was, en als adjunct directeur, over toenmaals nog kolonie 7, dog tegenwoordig aan kolonie 2 ingelijfd, maar die adjunct dan denk ik ongetwijfeld zeker, heeft onze vlugtige waarnemer aangetroffen en zijn ondoelmatige ondernemingen omtrent de landbouw waargenoomen, en zoo nu onze vlugtige waarnemer zig alleen bepaald had, bij die adjunct met naam WARDENBURG, ja dan zou ik hem nog veel kunnen verschonen,want ik moet het met waarheid bekennen, dat die WARDENBURG dan ook regelregt omtrent de landbouw, tegen mijn stelsel in werkte.

Vergun mijn lezer, dat ik aan u slegts eenige staaltjes van die adjunct directeur zijne verkeerde ondernemingen en slegte directie mededeel, ik heb het dan met mijn ijgen oogen gezien, want ik heb tot mijn leedweezen ook zelve nog bijna een jaar als kolonist onder zijn directie gestaan, in welke korten tijd hij mijn dan ook nog met een schuld van 173 gulden bij de Maatschappij bezwaard heeft, voor ondoelmatige arbeid, hetwelk hij alleen op mijn terijn van land, had laten verrigten, mijne ijgen oogen hebben het dan ook gezien, dat hij, op 300 roeden land, 12 span paarden met 12 wagens en 33 manschappen te werk stelde, op welke hoef N 86 dan ook een mistbult stond van ongeveer 60 kupike voeren.
Nu moest dan dat half morgen reeds gekultiveerd land, bemest, geploegd, geŽgt en met aardappels gepoot worden, dat alles moest te gelijk doorgaan, dat geschiedde dan ook, ofschoon de een den ander dikwijls in de weg stond en paarden en wagen na malkander moesten wagten om met mest geladen te worden, dog dat kwam er niet op aan, voerlieden en arbeiders tekende tog hun daghuur, want daar toen kolonie 7 nog maar door 6 kolonisten huisgezinnen bewoond werd, zoo liet dan die WARDENBURG bijna alle arbeid door vreemde voerlieden en arbeiders in daghuur verrigten, en daar er gezegd word dat een boeren arbeider eens zoo veel werk op een dag verrigt dan een kolonist, zoo klaarde de adjunct WARDENBURG het dan ook, om in een tijd van drie volle dagen dat half morgen land te bemesten, te ploegen, te eggen en met aardappels te bepoten, en wel voor niet minder dan voor É 116.85 cents, dog onze tegenwoordige adjunct directeur BERSMA laat 300 roeden land bemesten, ploegen, eggen en met aardappels poten voor É 5.55 cents, dog tegenwoordig word het land zoo veel mogelijk is gespit, ofschoon onze vlugtige waarnemer, het ploegen voor beter acht, zoo is het mijn weder een blijk van 's mans onkunde omtrend de landbouw, en, ook geen een landbouwkundig man zal hem daar in gelijk geven, maar daar het onderscheid zoo groot is, aan arbeidloon, voor het bewerken van 300 roeden land, zoo denkt mogelijk de een of ander, dat ik nu gelogen heb.
Neen lezer, zoo het u lust, kom bij mijn, dan zal ik u bij voerlieden en arbeiders brengen, die toen daaraan mee gearbeid hebben en die zullen onpartijdig de waarheid verklaren.
Wat dunkt u lezer, zou onze vlugtige waarnemer, die adjunct WARDENBURG, waarschijnlijk niet geopserveerd hebben, in zijn verkeerde directie, en dat hij nu nog alzoo onze tegenwoordige directie daarmee belasterd.
Zoo nu onze vlugtige waarnemer melde, dat hij gezien had, dat die adjunct WARDENBURG gehele stukken veengrond, die reeds met aardappels bepoot waren, in brand liet steken, zoo dat de aardappels, die daarin waren gepoot, gebraden of geheel verbrand zijn, dan moest ik onze vlugtige waarnemer gelijk geven, want mijn oogen hebben het ook gezien, en zoo het niet wil geloven, die kome bij de onder-directeur BOSMA, die zal plaats en tijd aanwijzen, waar en wanneer zulks geschied is, en zoo er dan aanmerking te maken geweest is, op het aanmaken of vermengen van mest, op de vrije koloniŽn, dan was het alleen onder de directie van den adjunct directeur WARDENBURG die liet diep uitgegraven veen en mest vermengen, die nimmer vrugtbaar was te maken, en nergens anders dienstig toe gemaakt kon worden, dan alleen tot turf, om te verbranden; geluk was het dat onze waarde heer directeur der koloniŽn W. VISSER hem spoedig in het oog kreeg, en die WARDENBURG in zijn verkeerde ondernemingen, dewelke hij maar op een ijgendunkelijk gezag aanvaarde, hem te keer ging, want anders zou hij in een korten tijd een geheel kapitaal in het land kunnen verspild hebben, maar zoo het mij intusschen voorkomt, dan zou de adjunct WARDENBURG bezonder wel gepast hebben bij onze vlugtige logenaar, die onze heer directeur verdenkt, als of die geen activitijd genoeg zou bezitten, om alleen als hoofddirecteur de directie over alle koloniŽn te voeren, die dan ook geen bepalingen nog tarief omtrend de landbouw goedkeurd, maar elk na ijgen goedvinding zou laten te werk gaan, hetwelk dan na mijn oordeel, even zoo schadelijk als nadeelig zou zijn.
Dog tot verwondering van vele menschen heeft onze hoofddirekfie langmoedigheid met die adjunct gebruikt, welligt uit hoofde van zijn oude moeder, maar eindelijk kon het dan tog niet langer, hij werd dan verplaast ik meen als stalmeester te Veenhuizen, ofschoon hij verdiend had weggestuurd te worden, en van daar is bij weder verplaast geworden, als magazijn-meester aan de Ommerschans, dog in verloop van een paar jaar worde er bevonden, dat hij goederen te kort kwam in zijn magazijn, waarop hij dan ook eindelijk na alle geduld met hem gebruikt te hebben, bedankt is geworden en zoo ik meen de koloniŽn ontzegt.

Aan de vlugtige Waarnemer

Zoo nu soms mijn schrijven ook in handen van de vlugtige waarnemer der koloniŽn mogt komen en daarop iets anders heeft aan te merken, dan als op mijn ongeleerd, gebrekkig en onzoetvloiend zamenstellen, dan heb ik reeds gezegd waar ik woon, en mijn naam is KLAAS VISSER, kolonist, hebt gij lust vlugtige logenaar om eens bij mij te komen, breng dan vrij WARDENBURG, die u tog niet onbekend zal zijn, mede, want die zou ik, met nog vijf van mijn medekolonisten wel eens gaarne willen spreken.
Eindelijk, zoo meen ik dan de vlugtige waarnemer der koloniŽn, bestaande in de provincie Drenthe, nagenoeg te kennen, om met zekerheid te gelooven, dat ik hem nog onlangs op onze kolonie perzonelijk gezien heb en toen ik hem wel beschouwde, dacht ik bij mijn zelve, die man ziet er even eens uit, als onze afgedankte adjunct WARDENBURG, mogelijk wenst en verlangd die man nu ook wel, indien het hem is, om het aardappelbrood en dat voedsel te mogen genieten, waarvan onze vlugtige lasteraar en logenaar met zooveel verachting spreekt.

BESLUIT.

Mogt ik door mijn gebrekkig en ongeleerd zamengesteld schrijven iets te weeg gebragt hebben om het geloof, aan de vlugtige waarnemer der koloniŽn, hij mijn geŽerde landgenoten, door mijn stamelende waarheid, wegtenemen en zijn verheven, en geleerd schrijven ongeloofbaar te maken, dan zou ik mijn moeiten dubbel beloond achten, stel het daarom mijn geŽerde lezer met mijn ontwijfelbaar zeker, dat de schrijver van de Vlugtige Waarnemingen der koloniŽn, niets anders heeft aargespoord, tot dien laster- en logentaal, dan onedele bedoelingen, mogt ik vooral tot dat verdiende ongeloof ieds gedaan hebben, bij de subcommissies van Weldadigheid, dewelke alom in ons Koningrijk bestaan, opdat hun lust en opwekking tot weldadigheid door zijn schrijven niet mogt verflaauwen, om nog aan meer van hunne verarmde huisgezinnen dat geluk en die voorregten te schenken, hetwelk ik, en alle mijne medekolonisten, die thans Frederiks- en Willemsoord bewonen, reeds genieten, en dat dit geen vlijtaal is, maar ik mijn bij de waarheid gehouden heb en nog doen, daarom bied ik dan nog eindelijk mijn zelve aan, om zoo, wanneer er soms, de een of ander kolonist, de ondankbaarheid mogt hebben, om bij zijn Subkommissie te gaan klagen over zijn bekrompen bestaan op de vrijen koloniŽn, die kome vrij met hem bij mijn, en zoo ik dan niet overtuigend kan bewijzen, dat ieder koloniste huisgezin, dat bestaan, en die voorregten geniet, zoo ik hetzelve heb opgedragen, dan zal ik strafbaar beschaamd staan.

KLAAS VISSER



Opmerkingen: Tegenstanders van de Maatschappij van Weldadigheid betoogden dat Visser niet de schrijver van het verweerschrift zou zijn, maar meester van Wolda, met wie Visser vaak gezien werd de laatste tijd. Dat is niet waar. Het origineel van Vissers geschrift bevindt zich in het archief en daaraan is te zien dat hij het zelf geschreven heeft.
Wardenburg gaat er, als hij in een boekje reageert op de kritiek op de Vlugtige waarnemingen, wel van uit dat Visser de Stamelende Waarheid zelf geschreven heeft, al voegt hij toe dat deze sterk onder de invloed moet hebben gestaan van het bestuur van de kolonie. In zijn boek heeft hij het dan ook over ďVisser en komp.Ē.


Zie ook de archiefstukken over Visser uit de beginjaren 1818-1825 of de verdere geschiedenis van de familie voor zover het zich in de koloniŽn afspeelt of ga terug naar zijn openingspagina.