Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Klaas Visser en familie tijdens de beginperiode (1818 tot halverwege 1825) in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb


De subcommissie Grootebroek draagt het gezin voor de kolonie voor op 3 oktober 1818. Uit die brief, invnr 49, scans 71-73:

Wat de gesteldheid van hetzelve betreft.
De man, oud bijna 30 jaar, is van goede ligchaams krachten voorzien, heeft de noodige kennis van den landbouw en is met een, in zijnen kring, boven middelmatig verstand bedeeld, waar door hij de colonie niet ongeschikt zoude zijn.
De vrouw heeft eene ouderdom van 29 jaar en konde, jong zijnde, gemakkelijk zich in de vrouwelijke werkzaamheden der kolonie bekwamen. De kinderen hebben eene ouderdom van 12 tot 1 jaar.


Op 2 november 1818 stuurt Grootebroek de opzendbrief, invnr 49 de scans 524-525. Het gezin komt zaterdag 31 oktober 1818 op de kolonie aan, zie hier.


Uit een brief van directeur der koloniën Benjamin van den Bosch dd 16 december 1818, invnr 49 (2 assessor = Johannes van den Bosch):
Visser is op de betalingslijst zijne geheele verdienste uitbetaald, eenige buitengewone uitgaven doen moetende is zulks door den 2. assessor geaccordeerd.


Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 6 januari 1819, invnr 50:
Terwijl ik als leden van den raad van toezigt, ter nadere aprobatie aan de Kommissie voorstel Klaas Visser en Jan Butt welke door mij provisioneel waren benoemd.

Als een gevolg van die aanstelling zit Klaas Visser bij de Raad van Toezigt als die zich buigt over deaffaire van de  brieven van de familie Burks, zie hier.

Wat al snel de affaire Dikkeboom wordt.


In het maandblad de Star van januari 1819 wordt melding gemaakt van:
(…) een schrijven van dominee de Kemper over de godsdienstige toestand van de kolonie. Hij maakt daarin melding van een brief die hij gekregen heeft van kolonist Visser, “bevattende zijne vreugde-betuiging over de geschonkene gelegenheid tot het uitoefenen van den openbaren Godsdienst”.


Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 15 februari 1819, invnr 50:
De grond achter Visser, die men thans ploegd, is bijzonder goed. (…) Al de greppen aan deze zeiden van de weg, die naar het grote gebouw en het Broek loopt, leggen geheel schuin. Zo dat Visser met zijn land achter zijn buurman Westervelt, deze achter Weender enzovoorts heen schiet.


Op 11 maart 1819 schrijft Benjamin van den Bosch, invnr 50:
Aan Baade is tot aankoop van eenige kleeding stukken ƒ 3=.=. en aan Visser uit gebrek aan verdienste - door ziekte veroor­zaakt - ƒ2=.=. van hun te goed, zo als op genoemde staat voorkomt, uitbetaald geworden.


Op 12 juni 1819 doet directeur Benjamin van den Bosch verslag van een inspectie van de huishoudens, invnr 51, en meldt hij de vermissing van diverse goederen, zie hier:
Te meer nog heeft het mij getroffen, dewijl ik onder de schuldigen ook eenige onzer best oppassendste kolonisten, ja zelfs de beider leden van den Raad van toezieners, aantreffen.

Uit de bijgevoegde lijst met missende goederen:
Visser - 2 beddelaaken


Benjamin van den Bosch schrijft 29 december 1819, invnr 53:
Visser, Westerveld en beide de joden hebben de beste gronden gehad. Alleen Westerveld heeft in aardappelen, zijne huur geheel afbetaald.


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Visser ook vermeld als donateur.


Op 12 mei 1820 schrijft Benjamin van den Bosch, invnr 55:
Ik voeg hier bij een brief van de kolonist Visser, zo even door mij ontvangen. Ik ben over deze man niet zeer te vreden. Den 2 assessor is volkomen met zijne omstandigheid bekend en zal daarom de Kommissie wel informeren.

Bijgevoegd, invnr 55 de scans 315-317, is de brief van Visser:

Frederiksoord den 11 mai 1820

WelEdele gestrenge Heer
Het is mij zelve van harten leed, dat ik mij genoodzaakt vind, om aan UE gestrenge te verzoeken, om aan mij mijn ontslag als kolonist te geven en om aan mij te vergunnen dat ik weder met demijne na daar vertrek van waar ik gekoomen ben.

Dog WelEdel gestrenge, verleen aan mij een eerlijk ont­slag, dan ik voor mij zelve geen andere oorzaak kan vinden, waarom ik mijn brood hier niet kan verdienen, als uijt hoofde van mijn vele en alle nog jonge kinderen.

Dog Waarde Heer Kapteijn, kan het met waarheijd bewezen worden, dat ik immer de Maatschappij of haare dezulke beledigt heb, of dat ik door schrijven voor anderen mij daar aan schul­dig heb gemaakt of dat ik door luijheijd of door mijn eigen schuld verdien hier geen droog brood te mogen genieten. Ge­bruik dan aan mij die gestrenge middelen waar aan het de Maat­schappij niet ontbreekt.

Intusschen Heer Kapteijn spijt het mij van harten, dat ik mij heden weder in zoo een omstandigheijd gedompeld vind, daar wij door uwe hulp en bestand weder even begonnen te ont­luijken, temeer daar mijn vrouw haar ook sedert die tijd, hoe lang hoe meer tot arbeijd en zindelijkheijd schikte en wij nu volkoomen vredig en vergenoegd leefden.

Maar helaas, gebrek om langd ons weder aan alle kant en om weder telkens UE lastig te vallen, dat wij bij de Heer Drijber geen brood, olie, zout of welke noodwendige behoeften het ook moogen zijn, kunnen erlangen, zulks is mij onmogelijk.

Beter of liever tenminste, mijn Heer Kapteijn wil ik dan, hoe goed ik hier ook door den tijd alles tegemoed zien, mijn lot beproeven, daar van waar ik gekoomen ben. Want wat baat mij morgen wanneer ik heden door broods­gebrek moet sterven.

Nu waarde Heer Kapteijn, ik vraag U niet om mijn ontslag, om dat ik hier niet tevreden ben, of om dat ik denk wanneer ik ontslagen ben, het dan gewonnen zal. O neen. Maar ik weet dat ik mijn intrek bij mijn vrouws ouders moet neemen, en zes dagen in de week bij mijn broeders moet arbeijden en door dat middel, zoo als voor deeze mijn brood moet verdienen. Zonder uijtzigt om ieds meerder te worden dan een behoeftig arbeider. Daar er hier voor een braaf oppassend kolonist een beter lot tewagten is.

Met eerbied en dubbel verpligte hoogachting, ben ik UEgestren­ge Dienaar
Kolonist Visser.


De permanente commissie bespreekt deze brief op 15 mei 1820, notulen invnr 38:
Dat wat de brief des kolonist Visser aangaat, het de Kommissie gebleken is uit de sterkte van dit huisgezin en de jongheid der kinderen, dat de man voorname­lijk alleen de kost zou moeten verdienen en hiertoe te zwak is, indien hij 3 dagen 's weeks op zijn eigen akker arbeiden moet;
dat hij uit dien hoofde valt in de termen van art. ... van het reglement der noodige huishou­ding opgege­ven, als onderstand behoevende; dat de Kommissie uit dien hoofde besloten heeft, aan genoemden Visser wekelijks toeteleggen de som van twee guldens, boven de gewone verdiensten van 3 dagen in de week, tot zoo lang de arbeid op zijnen grond verrigt zal zijn, en hij dus meerder dagen 's weeks voor eigen rekening zal kunnen arbeiden, met herinnering tevens, dat aan zoodanige toelage het verlies verbonden is van over de voortbrengselen van zijnen grond zelf te kunnen beschikken, uit gedrukt bij art. ... van het gemelde reglement, welk een en ander door den Direkteur aan gem. kolonist zal worden medegedeeld.


In een brief dd 1 juni 1820, zie hier, wordt Visser door spinbaas Anthonie Brouwer ‘een slecht spinner, maar niet brutaal’ genoemd..


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd 'Een huisgezin van de tweede klasse, geheel onoppassend.'


Blijkens de notulen van de permanente commissie, invnr 38, wordt op 4 november 1820 besloten:
… de kommissie van toevoorzigt bij een te roepen, na alvorens het lid Visser door den kolonist onderopzigter Meder te hebben doen vervangen.


Bij de jaarinkomens 1820 die zijn afgedrukt in de Star 1821 zit visser met 328 gulden ver onder het gemiddelde inkomen.


Op 5 januari 1821 schrijft Benjamin van den Bosch, invnr 56:
Visser, Cohen en de Kruif zijn mede in zeer ongunstige omstandigheden. Laatstgen. echter buiten zijne schuld.


Op 22 maart 1821, invnr 56, schrijft Benjamin van den Bosch:
Omtrent eenige latere voorstellen, als aangaande het huwelijk van de dochter van Bodestaf, de schulden van de weduwe Weender, de ingedeelde van de Wals, de aankoop van een koe voor Visser, en eenige anderen etc. zal het mij mede zeer aangenaam zijn de decisie der Kommissie te mogen vernemen.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.


Op 9 september 1821, invnr 59, schrijft de nieuwe directeur der koloniën Wouter Visser over veroordelingen door de Raad van Politie te Steenwijk
 (…) en eindelijk de kolonist Klaas Visser uit no.1 voor 8 dagen gevangenis, als zijnde hij zoo veel dagen over de bij zijn verlof bepaalden tijd buiten de kolonie gebleven.


In het 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 wordt genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Jantje Visser.


Op het eerder genoemde beoordelingsrapport staat dat de familie Visser woont op hoeve 10 van Frederiksoord. Dat is een beetje erg toevallig, want in een stamboek van Frederiksoord van ± 1823 tot juni 1825 dat in te slechte conditie verkeert om in de studiezaal te raadplegen, maar dat ik wel een keer op foto heb gezet, staan ze NIET bij hoeve 10 van Frederiksoord, maar bij hoeve 10 van Wateren/Doldersum. Dat is tegenwoordig de Jongkind Conincklaan, kadastraal Vledder A 268, met de coördinaten 52.889152 en 6.219621.

:

Daarbij staat bij de 'Aanmerkingen' dat het gezin hiernaartoe is overgeplaatst op 20 april 1824 van hoeve 1 van Frederiksoord. Dus dit is niet helemaal te volgen en waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten waar ze in Frederiksoord woonden voor ze naar Boschoord werden overgeplaatst.

Per 1 juni 1825 gaat Wateren/Doldersum behoren tot kolonie 2, Wilhelminaoord, en staan ze bij die kolonie geregistreerd, zie verder de pagina over stamboeken.

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of de pagina over de Vlugtige Waarnemingen of ga terug naar de openingsagina van Visser.