Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Hendrik Metz en familie in de archieven
van de Maatschappij van Weldadigheid


Op 3 oktober 1818 schrijft de subcommissie van weldadigheid Amersfoort, invnr 49:

Voorts hebben wij het genoegen UWEds voor te stellen, tot het vertrek naar de kolonie, voor deze stad, de persoon van Hendrik Mertz, oud 34 jaren, geboren te Baireuth in Duitschland, doch zedert jaren inwoonder dezer stad, van zijne jeugd af met de werkzaamheden van den landbouw beken, en nog thans zich als daglooner gewezende, hebbende eenige jaren als Fransch soldaat gediend, in zeer behoeftige omstandigheden, gehuwd aan Wilhelmina van Koot, oud 37 jaren, thans zwanger, geboren te Doorn, onder onzen ban, hebbende 5 kinderen als 1 jongen van 8 en 4 meisjes van 13, 11, 6 en 3 jaren, vrijwillig en gaarne lid der kolonie wordende, en volgens ingewonnen berigten van een goed zedelijk gedrag.
Kunnende de vrouw en meisjes weinig of niet spinnen, hetwelk hun dus door de Maatschappij zou dienen geleerd te worden.
Wij hebben onder de vrijwillig zich aanbiedende personen, wier getal zeer gering is, geen geschikter huisgezin kunnen vinden, en hopen deze inlichtingen genoegzaam zullen zijn, terwijl wij wenschen geinformeerd te worden, wat ons verder in deze zaak te doen staat.


De rekening courant van de subcommissie Amersfoort over 1818, invnr 1104, meldt over de onkosten van hun reis:
- Het gezin van H. Mertz vooraf in handen ... ƒ0,60
- Vivres aan het gezin van Mertz medegegeven ƒ2,51
- Scheepvragt van hetzelve gezin naar Amsterdam ƒ4.17½

De familie Meiz behoort tot de gezinnen die op doorreis in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen.


Ze behoren tot de eerste vijf gezinnen die in de proefkolonie aankomen (en spelen daarom ook een rol in de film bij Museum de proefkolonie).

De subcommissie Amersfoort maakt op 7 november 1818 melding van het vertrek van het gezin in de Staatscourant.

Allereerste op de kolonie geboren kind, Vledder, geboorteakte, 6 december 1818, aktenr. 14
Kind: Simon Merts, geboren te Fredriksoort (Vledder) op 04-12-1818, zoon van Hendrik Merts, beroep: landman; oud: 34 jaren, en Willemine Merts, oud: 37 jaren.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 7 december 1818, invnr 49:
Op den 3 dezer is de vrouw van Metz van eener dochter beval­len, zijnde dit de eerste vrucht van dat soort op onzen kolo­niale bodem: Mijne hartelijkste en welmenenste wensch is, dat zij nimmer haare ouders moge gelijk worden.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818, invnr 49:
Ook zijn er subcommissies die zich, naar het schijnt maar van hunne armen hebben willen ontslaan of dezelve al of niet geschikt voor eene proefneming waren.
Amersfoort verdient hier de eerste plaats.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 17 januari 1819, invnr 50:
Het slegte huisgezin van Amersfoort heeft mij genoodzaakt tot strenger maatregelen.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 19 januari 1819 over de verwijdering van Dikkeboom, invnr 50:
Dit voorbeeld zal zeer veel goeds uitwerken, en bevrijd ons van een zeer slegt huisgezin, dat voor geene verbetering meer vatbaar waar. Vooral hoop ik dit van effect zijn zal voor het Amesfoorder huisgezin.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 23 januari 1819, invnr 50:
Met uitzondering van Rigagneau of liever vrouw Rigagneau – dewijl de man zeer strak en zakelijk is – van Rhee en Metz, gedragen de kolonisten zich steeds wel, en werkzaam.
Aan vrouw Metz heb ik uithoofde van slegt gedrag het gevraagd verlof geweigerd.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 15 februari 1819, invnr 50:
Bosch, Bade, Metz, Van der Heijden en Weender, ook de weduwe Vergeer zijn niet voor den veldarbeid geschikt. Ik heb dus begonnen, hun de geheele week in den fabrijk t laten, waar zij alle, met uitzondering van Bade, die in de keuken is, geemployeerd zijn, en zal hun ƒ 1=.= op het verdiende loon korten, en daarvoor een bekwaam arbeider 2 dagen op hunne grond doen werken. Ik heb mij door herhaalde proefnemingen van de noodzakelijkheid van deze maatregel, die ik U verzoeke aan het oordeel der Kommissie te willen onder werpen, overtuigd.
(…)
Het huisgezin uit Amersfoort, zou verdienen in een werkhuis opgesloten te worden.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch dd 9 april 1819, invnr 51 ('den 2 assessor' = Johannes van den Bosch):
Het ondankbare en zich steeds slegt gedragende huisgezin uit Amersfoort heeft mij verzogt de kolonie te mogen verlaten, voorgevende bij hen te plaatse meer geld te kunnen verdienen; maar inderdaad uit geene andere motief dan zucht naar hun vorig luij bedelend leven.
Zonder hemd kwam deze famille die, zoals uit alle mijne rapporten blijkt, hier als vagebonden aan, en onderscheiden zich reeds in den beginne door den verre gaanste onbescheidenheid.
Terwijl ik niet kon beletten zij zelfs binnen de kolonies somtijds den vreemdeling een aalmoes afvroegen, dan waartoe de ondeugden van deze famille opgesomt.
Den 2 assessor kent dezelve even zo goed als ik.
Tot het algemeen welzijn, en te voorbeeld voor andere ware het te wenschen zij in een werkhuis op zodanige plaats konden opgenomen worden.
Waar men meerdere en strenger middelen te hunner teregtbrenging zou kunnen aanwenden.


Uit de notulen van de permanente commissie dd 12 april 1819, invnr 38:
Brief van den Direkteur (...) proponeert de demissie uit de kolonie van 2 huisge­zinnen, een uit Amersfoort, H.G. Metz, en een uit Amsterdam, te weten Rigagneau, wegens verregaand wange­drag.
Besloten, deze propositie van den Direkteur aantene­men, die 2 huisgezinnen te demitteeren, de kinderen welke bij hen gelo­geerd zijn, indeelen bij anderen, en aan de subkommissie van Amersfoort daar van kennis te geven, en een beter huisgezin in de plaats te stellen;
ook nog aan den Heer Ameshoff kennis te geven aangaan­de het vertrek van Rigagneau, en aan Delft tevens te schrijven, dat, door de vacature van Rigagneau, thans plaats is voor een Delftsch huisgezin.


Besluit van de permanente commissie dd 12 april 1819 tot het wegsturen van Metz en Rigagneau, zie deze pagina:

Uit een brief van de permanente commissie aan de subcommissie Amersfoort dd 12 april 1819, invnr 960:
S Hage, 12 april
Na een grote mate van geduld met het huisgezin van He. Metz uit ulieder stad, geoefend te hebben, heeft de Direkteur van Frederiksoord ons eindelijk moeten voordragen de onmogelijkheid, om dat huisgezin, aan ‘t bedelen gewoon en zich aan allerlei onbetamelijkheden schuldig makende tot de orde en zedelijkheid terug te brengen, te meer, daar hetzelve zich binnen de kolonie gedurig het bedelen veroorlooft.
Wij hebben daarop, hoe ongaarne ook, moeten besluiten om dit huisgezin onverwijld uit de kolonie te doen terug zenden.
Het is met leedwezen, Mijne Heeren! doch voor ons niet onverwacht, dat wij tot dezen maatregel hebben moeten besluiten.
Wij wensen dat dezelve met de noodige behoedzaamheid nieuwe keuze zal doen regelen van een ander, meer geschikt huisgezin, het welk wij UEd voorstellen ons in plaats van dit voortedragen, en waarvan wij de nadere, naauwkeurige opgave van UEd zullen inwachtig.


Uit een door mij niet-gevonden brief van directeur Benjamin van den Bosch, geciteerd in de rode boeken van Kloosterhuis:
Mertz en Rigagneau zijn heden met een sergeant naar Steenwijk vertrokken en ik heb de vracht tot Amsterdam voor mijne reekening genomen en een weinig reisgeld uitbetaald.
Van de kleeding is zoveel teruggenomen als de omstandigheden veroorloofden.
Daar deze huisgezinnen doorgaans slordig en zonder orde zijn moet er te dezen aanzien bij zoodanige terugzen ding veel verlies voor de Maatschappij onstaan.
Ik zal alles in gereedheid brengen voor de ontvangs der remplaceerende gezinnen.

Uit de notulen van de permanente commissie van 7 juni 1819, invnr 38:
Brief van de subkommissie Amersfoort, rechtvaardigende ons gedrag in het terug zenden van ‘t huisgezin van Metz.

De subcommissie Amersfoort laat Metz opvolgen door de familie Hopman die wél weet hoe het hoort.

Zie ook notities over de familie Metz, hun koloniale carrière in verhaalvorm of ga terug naar de pagina van Metz.