Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Lucas Lucassen en gezin in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid in de beginperiode

Volgens een internet-genealogie die inmiddels verdwenen is, krijgt het gezin bij haar vertrek van de subcommissie van weldadigheid Nijmegen mee tien gulden reisgeld en 1 roggebrood en 5 pond kaas. De subcommissie heeft gelogen over hun leeftijden, ze beweerden dat Lucas 38 was (40 gold als maximumleeftijd voor proefkolonisten), terwijl hij in werkelijkheid 44 was.

Zij horen tot de gezinnen die bij hun reis in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie hier. Volgens de notitie van de ‘onderdirecteur van Policie’ Holtrop komen ze zaterdag 31 september 1818 aan en vertrekken ze dinsdagavond 3 november met de nachtboot naar Blokzijl.

Op 9 november 1818 plaatst de subcommissie Nijmegen een berichtje in de Staatscourant dat de Lucassens naar Frederiksoord vertrokken zijn.

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch 23 januari 1819, waarin hij kolonisten vergelijkt: 'Er zijn huisgezinnen als bijvoorbeeld van Lucas Lucassen die 10 pond per week spinnen kunnen.'

Op een lijstje van de ‘vlijtigste of talrijkste spinnende huisgezinnen’ in de Star, eerste jaargang pagina 193, valt te zien dat het gezin in de week van 7 tot 14 februari 1819 met spinnen 5,50 gulden verdiend heeft.

Uit de notulen van de permanente commissie 12 februari 1819: 'Brief van den Direkteur, partikulier aan den Generaal, rakende vrouw de Ruiter, vrouw Koppejan en vrouw Burks, verzoekende verlof voor eenige dagen om naar hare famieljes te gaan. Insgelijks vraagt verlof Lukas Lukassen. Te antwoorden, geen verlof dan bij plechtige gelegenheden te geven b.v. nieuwjaar, ten zij bewezen worden dat er dringende omstandigheden zijn.'

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch 12 juni 1819 over zoon Gerardus: 'De kolonisten gedragen zich zeer wel. Vergeer, Lucassen en Molewijk maken hierop eene uitzondering. Voor zo verre namentlijk dat zij de jonge dennen bomen te getallen van 20, langs de weg in de kolonie, niet tegenstaande het strengste verbod, moedwillig hebben vernield. Ik heb ieder met 8 dagen provoost gestraft en wanneer de Kommissie het approbeert zullen zij om de anderen dag water en brood hebben.'

Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Lucassen ook vermeld als donateur.

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'Een zeer goed huisgezin, maar ondeugende kinderen' en worden ze voorgedragen voor een koperen medaille.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch rond 12 april 1820 als opstand over de kolonie waart en de directie uit wil vinden wie daar achter zitten: 'Lucasse heeft mij gezegd, dat Vos met Rausch en Hogenbirk bij hem waren geweest, om hem in het bekende complot te doen deelneemen. Hij (Benjamin doelt op De Vos) wilde een rekwest opstellen en door alle getekend, aan een Heer doen toekomen die beij Prins Frederik daar van zou gebruik maken. Hij wilde verder dat wanneer hij in de provoost kwam, de anderen zich zouden verbinden hem met geweld daaruit te halen, wanneer ik zulks weigerde.'

Op een tamelijke fictieve lijst met de jaarinkomens van de proefkolonisten over 1820 staat Lucassen met 558 gulden ruim boven het gemiddelde van 447 gulden.

Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.

Voorjaar 1822 is Lucassen, op basis van het besluit van 8 november 1821, een van degenen die is ‘verplaatst naar kleine hoeven der Maatschappij, buiten dezelve gelegen’ .Het gezin gaat naar een boerderijtje in Wateren.

Uit het schoolrapport van 5 april 1822: 'En ofschoon wij ons bij het onderwijs zeer goed zonder eenen wijkmeester kunnen redden, zien wij telkens dat de kinderen, zoo dra er geenen wijkmeester is meer losbandig naar huis gaan dan anders.
Heden bleek ons hiervan een doorslaand bewijs: eenige jongens van de avondschool maakten onder het naar huis gaan, nadat wij hen tot bedaardheid en zedigheid hadden aangespoord, zulk een geweldig leven, dat wij hen vervolgden, om te zien wat er te doen was. Bij hen komende, hielden wij ons, hen weder naar de school te willen terug nemen. De een verontschuldigde zich, een tweede maakte stilletjes voort te komen, maar de derde, namentlijk Gradus Lucassen, zeide “as ik uit de school ben, dan heb jij geen blixem op mij te zeggen”.
Wij voelden ons gedrongen u deze uitdrukking mede te deelen, wijl wij weten dat gij dezen jongen van de oprigting der gezegende volksplanting af, als een oproerigen en stouten jongen kent, die niet meer voor redenering vatbaar zijnde, zekerlijk door eenen anderen weg tot zijnen pligt gebragt zal moeten worden.'
Directeur Wouter Visser heeft hier bij geschreven dat Gradus Lucassen door de Raad van Opzieners tot twee dagen gevangenis is veroordeeld.

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of de koloniale carrières van de kinderen uit het gezin of ga terug naar de openingspagina van Lucassen.