Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Abraham Koppejan en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb


Als een der eersten meldt Middelburg op 20 juli 1818 een subcommissie van weldadigheid te hebben opgericht.


In de rode boeken van Kloosterhuis over een mededeling van de subcommissie dd 22 oktober 1818:
Huisgezin A. Koppejan gaat op den 24 dezer te scheep naar Amsterdam afreize, alware het zelve met eene opene brief van aanbeveling en een bewijs van zedelijk gedrag voorzien zal worden geadresseerd aan den Heer Holtrop, onderdirecteur van policie, welke bij missive van heden verzocht is aan dat huisgezin bij desselfs aankomst den verderen weg naar de kolonie te wijzen.

Uit de Staatscourant van 30 oktober 1818, overgenomen uit de Middelburgche Courant:
Middelburg, den 26 october.
Ten gevolge van het besluit der maatschappij van Weldadigheid, om reeds gedurende dit jaar eene proef te nemen van den aanleg eener volksplanting te Westerbeeksloot [Fre­deriks-oord], is, op zaturdag den 24sten de­zer, van deze stad naar de volksplanting vertrokken het huisgezin van Abraham Kop­pejan, bestaande uit man, vrouw en vier kinderen; aan welk huisgezin, door de stede­lijke sub-commissie alhier, de voorkeur was gegeven boven een aantal andere huisgezin­nen, die zich bij haar ten zelfden einde had­den aangemeld


De Koppejans horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32

Uit een brief van directeur Benjamin vd Bosch dd 28 december 1818 over gezinnen die door hun verplaatsing geen verbetering in hun lot ondergaan:
Zodanig is het gezin van Ab. Koppejaar van wiens vier kinderen reeds 3 bij de boeren dienden en die altijd werk genoeg hebbende in geenen deelen behoeftig waren. De kinderen uit hunne dienst weggenomen en naar herwaarts gezonden, vinden geene verbetering in hunne toestand. Voor het overige is het een werkzaam en braaf huisgezin. Ik heb hen de bedoelingen der Maatschappij doen kennen, en daar zij zeer redelijk zijn, stellen zij hunne hoop op de toekomst en alles gaat wel.


Uit een brief van Benjamin vd Bosch dd 17 januari 1819: Koppeijan is hersteld.

Uit de notulen van de permanente commissie (pc) dd 12 februari 1819: Brief van den Direkteur, partikulier aan den Generaal, rakende vrouw de Ruiter, vrouw Koppejan en vrouw Burks, verzoekende verlof voor eenige dagen om naar hare famieljes te gaan. Insgelijks vraagt verlof Lukas Lukassen. Te antwoorden, geen verlof dan bij plechtige gelegen heden te geven b.v. nieuwjaar, ten zij bewezen worden dat er dringende omstandig heden zijn.


Op 12 juni 1819 doet directeur Benjamin van den Bosch verslag van een inspectie van de huishoudens, invnr 51, en meldt hij de vermissing van diverse goederen, zie hier, waaronder:
Koppejan - 1 wollen deken, 1 beddelaaken

Uit het brievenboek van de pc dd 18 juni 1819:
Ingekomen bij de Permanente Commissie brieven van de kolonisten F. Rausch en A. Koppejan, dagtekening 18 juny. Excuseren zich wegens het verpanden van enige goederen.

Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt een zoon van Koppejan een extraatje van drie gulden voor zijn ijver op school.


Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Koppejan ook vermeld als donateur.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'De man werkzaam, is in de provoost geweest, de vrouw zindelijk en oppassend' en worden ze voorgedragen voor een koperen medaille.

Uit een brief van Johannes vd Bosch dd 17 februari 1820:
Koppejan logeert bij de onderofficier. Ik wenschte dat wij van dien lastigen knaap ontslagen waren. De officier der rechtbank is in de omgeving en hij is slim genoeg om daar te gaan beklagen. Mijn broer intusschen kan niet anders.

Uit een brief van Benjamin dd 20 februari 1820: Koppejan is uit arrest ontslagen. Hij is thans zeer bescheiden en volbrengt gaarne de hem opgelegde taak.

Uit een brief van Johannes dd 30 maart 1820: Onze eerste fout is geweest van niet dadelijk Koppejan op zijn onbeschaamd verzoek deswegens gedaan uit de kolonie gezet te hebben. Tot die tijd toe hebben het de kolonisten immers als een gunst beschouwd in de kolonie te mogen blijven.

Uit een brief van de subcommissie Middelburg dd 12 april 1820:
De colonist Abraham Coppejan, welke door ons ten jare 1818 naar Westerbeeksloot is gezonden, heeft zich reeds voor eenigen tijd bij ons beklaagd, dat zijn verblijf in de colonie hem niet zoo zeer is mede gevallen als hij zich hadt voorgesteld. En wanneer wij de berigten wegens zijnen toestand aldaar in overweging nemen, en daarbij letten op de niet geheel ongunstige betrekking waar in hij alhier voor zijn vertrek verkeerde, verwonderen wij ons niet ongemeend dat hij en vooral zijne huisvrouw, welke de plaats harer geboorte niet kan vergeten, gaauw herwaards willen te rug keeren.
(…)
De stedelijke subcommissie van Weldadigheid te Middelburg
Namens dezelve
H.B.H. van Visvliet secr.

Uit de notulen pc dd 30 maart 1821:
Besloten, den Direkteur aanteschrijven, dat de P.K. van begrip is, dat aan Koppejan geen ontslag kan worden verleend, voor dat hij zijne schulden zal hebben afbetaald, en dat hij daar toe bij iedere oogst in de gelegenheid is.

Uit een brief van Benjamin dd 2 april 1821:
Vrouw Koppejan zal morgen, met het goed haar in eigendom behorende naar Zeeland, terwijl haar man hier blijft tot de Kommissie hem zal gelieven te ontslaan. Den 2 assessor heeft daartoe permissie gegeven en gezegd de toestemming der Perm: Kommissie te zullen bewerken.

Uit een brief van de subcommissie Middelburg dd 4 juni 1821:
Wij hebben de eer UWEd: onzen dank te betuigen, voor den mededeeling van het berigt des Directeurs van de kolonie Frederiksoord, ten aanzien der klagte van den kolonist Koppejan, en terwijl wij opgrond van dat berigt, gaarne berusten in het besluit door UWEd: op het verzoek van den kolonist genomen, maken wij hierin te minder zwarigheid, sedert wij eenen brief van den zelven ontvangen hebben, waarbij hij niet onduidelijk te kennen geeft, zijn ontslag voornamelijk te hebben gevraagd op de dringende instancien van zijne huisvrouw en sedert haar vertrek veel minder tegenzin in zijn voortdurend verblijf in de kolonie te ondervinden.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een koperen medaille.

Uit een brief van Wouter Visser dd 2 februari 1822:
Dat de kolonisten Koppejan uit kol. no.1 en D’Haan uit kol. no.2 mij hebben gevraagt, ontslag, de eerste voor zijne dogter Susanna, oud 18 jaar, de andere voor zijne dogter Elisabeth, mede oud 18 jaar, ten einde in de gewone maatschappij te gaan dienen: en daar mij niets is voorgekomen waarom dit hun verzoek niet zoude worden toegestaan, neem ik de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken mij tot verleenen van het gevraag de te auhoriseren; dienende daaromtrent tot informatien, dat de beide ouders verzuimd hebbende, het bedoelde ontslag intijds te vragen en hunne dogters reeds op heden of morgen te Steenwijk, in eene dienst moeten treden, ik aan ieder een provisioneel verlof voor 14 dagen heb geakkordeert.

Uit een brief van Wouter Visser dd 13 april 1822:
Kopie eens briefs van den kolonist Koppejan; verzoekende zijn ontslag uit de kolonien; en daar dit reeds meermalen is geschiedt, zelfs zoo in meen door de Perm: Komm: geakkordeert; neem ik de vrijheid met overleg des Heeren 2e ads: haar te verzoeken, mij tot het verleenen van dat ontslag finaal te authoriseeren.

Zie verder de aantekeningen over het verdere leven van het gezin of ga terug naar de pagina van Abraham Koppejan.