Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Lubbert Jansen en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb


Wageningen meldt op 18 september 1818 een acceptabel gezin gevonden te hebben. De man, Lubbert Jansen, is 41 jaar oud, vrouw Grietje Kortenaar is 39. Voorts zijn er 4 kinderen van 18, 11, 9 en 2. De man en oudste zoon (11) acht men ‘voor veldarbeid geschikt’. De vrouw en oudste dochter zijn echter te ‘onhandig’ om te spinnen. Zij zullen hierin voor hun vertrek onderwezen worden.

Uit een brief van Benjamin dd 16 december 1818 over de dochter van wijlen Stellinga: Lubbert Jansen uit Wageningen had aangeboden dit meisje tot zich te neemen.

In een brief van Benjamin dd 28 december 1818 wordt Wageningen genoemd als een van de voorbeelden van ‘subcommissies die ons zodanige gezinnen (zonden) die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen.’

Uit een brief van Benjamin dd 9 maart 1819: Over het weesmeisje bij Brandsma ingedeelt, heb ik reeds vroeger aan de Permanente Kommissie geschreven, ten einde hetzelve in het huis van Lubber Jansen te doen overgaan.

Uit een brief van Benjamin dd 10 maart 1819: Aan de vrouw van Lubbert Jansen heb ik een verlof van 6 dagen naar Zwolle gemeend te mogen accordeeren, dewijl haar oude vader eene beroerte gekregen hebbende, zijn eenig kind nog wenschte te zien.

Uit een brief van Benjamin dd 9 april 1819: Ik heb van den onderopziener Jansen veel dienst.

NB: bovenstaande is de eerste keer dat Jansen onder-opziener genoemd wordt.

Bij de beloningen voor kolonisten op 23 augustus 1819 krijgt 'onderopziener' Jansen tien gulden extra betaling.

Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Jansen ook vermeld als donateur.


Zie voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin dd 6 mei 1820:
De onder opziener Jansen geeft mij bij aanhoudendheid reden tot de meeste te vreedenheid.
Reeds herhaalde maalen heb ik deze brave oppassende man gunstig aan de Kommissie doen kennen.
Bij den aanleg der nieuwe kolonie heeft hij door goede directie, ijver en vlijt, veele diensten aan de Maatschappij bewezen en gaarne wil ik hem bij voorkomende gelegenheid de Kommissie aanbeveelen.
De beloning die de Kommissie aan deze man zou willen toekennen zou zich dienen te bepalen tot het geven der medaille, eene kleine beloning in geld, of waarde daarvan, of wel een betere hoeve, dewijl zijne vrouw en huisgezin in het verkrijgen van groter avancement hem altijd zullen hinderlijk zijn.
Op last van den 2 assessor gaf ik hem eenmaal ƒ 4-. na het poten aardappel landen, waarmede hij in het bijzonder belast is.
Zou een nieuw pak kleeren ter waarde van ƒ 9 of ƒ 10- hem zeker een aangename beloning zijn.

Notulen pc dd 9 mei 1820: Brief van den Direkteur, 6 mei (…) en dat ten aanzien der opzieners Jansen en Meder de Kommissie besloten heeft, uit aanmerking van hun goed gedrag, aan Jansen toeteleggen eene gratifikatie van drie dukaten (…).

Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt over het gezin gezegd: 'De man boven alle uitmuntende, de vrouw niet huishoudelijk. Onderopziener, heeft uitmuntende diensten bewezen' en worden ze voorgedragen voor een gouden medaille.


Uit de Star van augustus 1820:
Zeer verdienstelijk is mede geweest het gedrag van den kolonist janssen; reeds kort na zijne aankomst in de kolonie zich door werkzaamheid en overleg onderscheidende, werd hij tot onder-opziener aangesteld, en heeft in deze betrekking uitmuntend voldaan: de Kommissie heeft gemeend, zijne betoonde diensten dit jaar in de kolonie no. 2 met eene goudene medaille te moeten beloonen.

Uit de Star van augustus 1820 over het bezoek van de Prins van Oranje: Ook aan het huis van janssen was Z.K.H. zeer tevreden.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin wederom (en wederom als enige) de gouden medaille.


November 1821 hoort Wageningen tot de steden die in de Star melding maken van ‘nieuwe aanwinsten loeden, donateurs en giften’.


In het op 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Jan Jansen.


Ergens in 1823 verhuist het gezin naar kolonie 3, Willemsoord.

Zie verder de aantekeningen uit de stamboeken of ga terug naar de pagina van Lubbert Jansen.