Naar het overzicht
van stukken over de proefkolonie





Johannes Hendrikus Bodenstaff en familie in de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid, voor zover ik er weet van heb


Uit een
‘staat van verrigten Arbeid, Verdiensten, Uitbetaling en Kassa-rekening der Kolonisten, van de 25sten tot en met den 31sten Julij 1819‘ die in het maandblad de Star van die maand is afgedrukt, blijkt dat hij bijklust bij de aannemer die schuren aan de koloniehuisjes bouwt.

Bij de ‘liefde giften‘ op 3 februari 1820 voor slachtoffers van de watersnood staat Bodenstaff ook vermeld als donateur.


Bij het beoordelingsrapport door de directie op 29 juni 1820 wordt het gezin voorgedragen voor een koperen medaille.


Notulen permanente commissie dd 14 december 1820:
Direkteur (…) meldt de zwangerheid der dochter van Bodenstaf bij den zoon van de wed. Vergeer.

Blijkbaar is dat vals alarm, want er is geen geboorteakte.

Op 28 april 1821 trouwt de oudste dochter:
Vledder, huwelijksakte, aktenr. 3
Bruidegom: Sint Vergeer, geboren te Gouda; oud: 21 jaren, zoon van Lukas Vergeer en Henderika van der Valk.
Bruid: Geertruda Bodestaff, oud: 21 jaren, dochter van Johannes Hendrikus Bodestaff en Geertruij Jansen.


Bij de medaille-uitreiking op 24 augustus 1821, krijgt het gezin een zilveren medaille.

Op 31 december 1821 worden ze grootouders: Vledder, geboorteakte, aktenr. 45
Kind: Lukas Vergeer, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 31-12-1821, zoon van Sint Vergeer, beroep: arbeider; oud: 22 jaren, en Geertrui Bodestaf, oud: 22 jaren.

Uit een brief van Wouter Visser van 2 februari 1822 blijkt dat hij is verhuisd naar de andere kant van de Vledderweg: … en dat hij (sergeant Lindemans) bewoond het huisje in kol. N1, te voren door Bodestaf geoccupeert, zijnde deeze laatste overgeplaatst op kol. N2 hoeve N1.

Midden 1822 begint er gedoe rond zijn inwonende schoonzoon.

Uit een brief dd 20 juli 1822 van de subcommissie Gouda:
Deze Sent Vergeer was een der leden van het huisgezin door ons in october 1818 na de kolonie N1 opgezonden, is geduurende  het verblijf aldaar getrouwd met de dochter van den kolonist Bodenstaf en toen dadelijk in dat huisgezin als een der leden van hetzelve door de directie der kolonien ingedeeld geworden en ook alzo bij het terugkeeren van de wed. Vergeer – zijn moeder – in 1821 is blijven beschouwd geworden (gelijk hij zelf in dien tusschentijd nog eens met een consent van den directeur in maart 1821 eenigen dagen hier heeft doorgebracht).
Het is ons voorkomende dat deze persoon als tot het huishouden van de kolonist Bodenstaf behorende, ook aldaar dient te verblijven en geenzints ten laste dezer gemeente kan worden teruggezonden en ook niet op zichzelf als kolonist van dezelve kan worden aangemerkt.

Uit een brief van directeur Wouter Visser dd 4 augustus 1822:
Dat de voormalige kolonist Sent Vergeer en vrouw door hun huwelijk natuurlijk als kolonist werden ontslagen; hetgeen door het vertrek van zijn moeder, de wed. Vergeer nog meer is bevestigt: dat zijn schoonvader, de kolonist Bodenstaf hem aanvankelijk wel in deszelfs huis heeft opgenomen – met consent van den Heer Direkteur B. van den Bosch – doch dat dit nimmer als verbindend voor altijd is kunnen worden beschouwd.

Daarna worden dochter en schoonzoon op 13 oktober 1822 in Willemsoord geplaatst als huisverzorgers.

In een brief van Wouter Visser aan de pc dd 18 augustus 1822 somt hij op wat hij meestuurt:
(…) Een rekening ten laste der Maatschappij van den kolonist Bodenstaf als aannemer van het verplaatsen van eenige koloniale woningen.

In het op 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 worden genoemd als hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Frans, Guurtje, Johannes en Mietje Bodenstaff.

Uit een brief van Wouter Visser dd 8 april 1823: (…) tot het verplaatsen van den huizen in kol. N1 welke daar volgens de jongste verdeling der gronden, en om het getal huizen op 32 te brengen, nog niet verplaatst zijn, naar kol. N4, en zulks op den wijze als dit in het voorleden jaar door Bodenstaf is gedaan.

Uit een brief van Wouter Visser over de aanbesteding van de bouw van het instituut in Wateren:
Met de inschrijvingsbilleten welke zijn ingesloten en daar van geformeerde staat blijkt dat den minsten inschrijvers waren Wind en Bodenstaf en wel voor ƒ4500-.
Bij den daar opvolgenden finale bestelling wierde de eerstgenoemde, aannemer van het gebouw voor ƒ4390- (…) De kolonist Bodestaf als aannemer ook nog gevraagd hebbende of hij iets van zijne reekening wilde afdoen, verklaarde die desnoods met ƒ200-.- te kunnen verminderen, en dus het gebouw voor ƒ4300-.- te willen aanneemen, het geen dus voor het tegenwoordig in geene consideratie kan worden genomen.

Uit een brief van Wouter Visser dd 17 april 1824:
De Permanente Kommissie heb ik de eer hier nevens ter fine van approbatie te doen geworden een rekening met de aanneemers Smit en Bodestaf, betrekkelijke den opbouw van 24 koloniale woningen op kolonie N7.


Zie verder losse notities over het nageslacht of woonlocaties en vermeldingen in stamboeken of de koloniale carriθre van zoon Franciscus Bodenstaff of ga terug naar de openingspagina Bodenstaff.