De jongens Emeis uit Leiden: het lijken er vijf maar het zijn er drie

Het lijkt of er vijf kinderen Emeis in de kindergestichten zijn geweest, maar bij nadere bestudering blijken er twee dubbel ingeschreven. Ze zijn na een desertie langere tijd weggeweest. Als een wees na drie maanden desertie nog niet terug is wordt hij afgevoerd. Komt hij daarna terug dan wordt hij opnieuw ingeschreven. Het staat er nergens bij dat hij eerder al in het gesticht geweest is, maar de staf in Veenhuizen zal het best wel weten.

Het zijn er dus drie. Ze zijn op weesnummer te vinden op de scans (zie bovenaan de pagina) met invnr 1571, 1410 en (behalve Johan David) 1411:

Hendrik Emeis heeft eerst weesnummer 833 en later weesnummer 1. Hij komt op 2 april 1825 in het kindergesticht aan met het eerste konvooi uit Leiden.

Johan David Emeis heeft eerst weesnummer 832 en later weesnummer 1849. Hij komt tegelijk met Hendrik op 2 april 1825 aan.

Johan Jacob Emeis heeft weesnummer 1202. Hij komt een maand later, op 2 mei 1825, met het tweede konvooi uit Leiden in Veenhuizen aan.

Hun geschiedenissen in de kolonie:

Hendrik Emeis

Hendrik Emeis is geboren 17 januari 1814 en dus elf jaar oud als hij in Veenhuizen komt. Na twee jaar deserteert hij, vermoedelijk geïnspireerd door de vluchtacties van zijn broer Johan David (zie onder). Op 9 juni 1827 is hij weg en hij slaagt er in om meer dan een jaar weg te blijven.
Hij is terug op 11 augustus 1828. In een van de niet-gescande stamboeken wordt vermeld dat hij spijt heeft van zijn desertie en zich sindsdien goed gedraagt.
Hij wordt uitverkoren voor het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren (zie over dat Instituut op de onderwijspagina). In het register van kwekelingen met invnr 1610 (helaas niet gescand) staat hij op folio 5 met kwekelingennummer 32. In het vervolgregister met invnr 1584 staat hij op folio 4.
Hij komt als alle kinderen die dat jaar twintig worden voor op de ontslagvoordracht 1834 met invnr 1432. Hij heeft dan op zijn kledingfonds een tegoed van ƒ 24,87½ en aan oververdiensten een tegoed van ƒ 34,61. Dat is geld dat hij meekrijgt als hij weggaat. Gemeld wordt:

Begeert te worden ontslagen.Zegt in het Luthersche weeshuis te Leyden opgenomen te zullen worden om aldaar zijn belijdenis af te leggen, hetgeen zijne besteders bijzonder zouden verlangen. Onbekend zijnde met de grond van dat verlangen, en in het begrip staande dat, in de regel geene jongelieden uit de kolonie behooren te worden ontslagen, welke niet vooraf belijdenis des geloofs hebben afgelegd, adviseert de P.C. tegen het ontslag, hoezeer deze jongeling dan ook anders in zijn onderhoud kan voorzien, zijnde hij op het Instituut te Wateren gevestigd.

Dat advies legt het ministerie van Binnenlandse Zaken naast zich neer. Hendrik Emeis verlaat met ontslag de koloniën op 5 april 1834. Als de adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda in 1841 noteert hoe het de kwekelingen na hun vertrek is vergaan, meldt hij bij Hendrik: 'In dienst bij de burgerij; daar ging het hem later nog zeer goed'. De laatste uitspraak wordt geciteerd op pagina 295 van De kinderkolonie.

Johan David Emeis

Johan David Emeis is geboren 26 January 1810 en dus vijftien jaar als hij in Veenhuizen aankomt. Na twee jaar maakt hij zeer duidelijk dat hij hier niet wil zijn. Hij deserteert op 12 februari 1827 maar wordt weer teruggebracht op 26 februari 1827. Vervolgens neemt hij de benen op 21 april 1827 en daarvan wordt hij na bijna drie maanden teruggebracht op 14 juli 1827. En dan gaat hij er vandoor op 2 augustus 1827 en dan weet hij echt lang weg te blijven.
Pas op 20 oktober 1828 wordt hij weer het kindergesticht binnengebracht door... het Friese Barradeel. Hij wordt nu ingeschreven als Johannis David Emeis en met als geboortedatum 10 februari 1810. Maar dat is zijn doopdatum.
Hij moet nu andere dingen verzinnen om weg te komen en daarbij helpt zijn moeder. Op 13 december 1828 schrijft de permanente commissie van de Maatschappij van Weldadigheid aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, invnr 363:

Onder terugzending van het verzoekschrift van Alida Vooijs, weduwe van J.D. Eemeis te Leiden, aan Z.M., om haren zoon Johannis Daniel Eemeis, geboren 10 February 1810 en geplaatst onder N1849 in een der kinder-gestichten te Veenhuizen, tot de militaire dienst toe te laten, hebben wij de eer UwEdG in voldoening van Deszelfs apost. dispositie van den 12 Nov jl N9, te berigten,
dat die jongeling in Aug 1827 ten derde male de koloniën heimelijk heeft verlaten en eerst in Oct jl is teruggekomen en, volgens bekomene informatie van de koloniale Directie, voor de militaire dienst geschikt geoordeeld wordt;-
dat wij voor ons geene bedenkingen hebben tegen de inwilliging van het verzoek en hij, derhalve, in dat geval, ter beschikking van den Prov. Komm. van Groningen en Drenthe zoude kunnen worden gesteld, ofschoon het zijn bijzonder verlangen is, om als tamboer bij de 10 Afdeeling Infanterie, in Amst in garnizoen, aangenomen te worden

de P.C.

Dat 'Johannes Daniel' is een vergissing, zo heet hij niet, men heeft het verzoekschrift een beetje slordig gelezen. De in deze brief genoemde provinciaal commandant van Groningen en Drenthe reageert een maand later. Op 12 januari 1829 schrijft hij aan de permanente commissie, invnr 95:

Hoofdkwartier Groningen, den 12 Januarij 1829

Naar aanleiding eener missive van de Permanente Commissie van Weldadigheid aan den heer administrateur voor de gevangenissen enz., onder dagtekening van 13 december jl. N1251, en ingevolge aanschrijving van het Departement van Oorlog dd. 6 dezer maand N3, heb ik de eer de Permanente Kommissie te verzoeken om den daarbij bedoelde kolonist Johannes Daniel Emeis, die zich voor de militaire dienst wil engageren, naar Groningen te doen komen met last zich bij mij aan te melden.

De Generaal-Majoor, Provinciale Commandant van Groningen en Drenthe,
Luurts

Het wordt geëffectueerd en op 9 februari 1829 verlaat Johan David Emeis het kindergesticht om in militaire dienst te gaan.

Hij keert nog wel een keer terug in Veenhuizen. Als bedelaar. Op 1 augustus 1838 wordt hij vanuit Leiden het bedelaarsgesticht op de Ommerschans binnengebracht en op 3 november 1838 overgeplaatst naar het tweede of bedelaarsgesticht in Veenhuizen. Hij is dan 1 meter 72 lang, heeft een ovaal aangezicht, rosachtig haar, grijze ogen een brede neus en korte kin en hij is pokdalig. Zie zijn inschrijving met bedelaarsnummer 1511 in toegang 0137.01 invnr 427.
Oudergewoonte loopt hij op 8 november 1838 uit Veenhuizen weg, maar hij wordt 27 november 1838 teruggebracht. Daarna wordt hij uitgeschreven omdat hij op 21 december 1838 wordt overgedragen aan 'de politieke Regter'. Wat daarmee wordt bedoeld weet ik ook niet.


Johan Jacob Emeis

Johan Jacob Emeis lijkt de rustigste van het stel, want hij loopt nooit weg. Hij is geboren 1 juni 1812 en dus een maand voor zijn dertiende verjaardag als hij in het kindergesticht komt.
Net als zijn jongere broer Hendrik wordt hij uitverkoren voor het Instituut voor Landbouwkundige Opvoeding te Wateren (zie bij Hendrik). In het kwekelingenregister met invnr 1610 staat hij op folio 5 met kwekelingennummer 54. In het vervolgregister met invnr 1584 staat hij met hetzelfde nummer op folio 6.
Hij verlaat Veenhuizen met ontslag op 25 april 1832. In de latere evaluatie door Jan Hessels van Wolda (zie bij Hendrik) schrijft die dat Johan Jacob 'een dienst heeft bij een kleermaker in Amsterdam', maar dat hij daarna in militaire dienst moet.

Zie voor een overzicht van stukken over weeskinderen in Veenhuizen deze pagina.