Cornelius Ajo Andrea is ongeveer een jaar (december 1825 tot december 1826) de winkelier van het tweede- of bedelaarsgesticht te Veenhuizen

Het oudste bewaard gebleven personeelsregister van de koloniŽn van weldadigheid begint in 1828. Informatie over personeelsleden die dat jaar al weer weg zijn, moet dus helemaal komen uit de brieven, aangevuld met de burgerlijke stand.

Zoals in het geval van Cornelius Ajo Andrea. Hij solliciteert op 30 december 1824 naar de functie van zaalopziener bij de Maatschappij van Weldadigheid. Die brief bevindt zich in invnr 71 scans 909-910. Zie helemaal bovenaan de pagina hoe de scans te bereiken zijn.

Wapserveen
Hij is wat chaotisch met komma's, maar hij heeft een prima handschrift. Wat 'reventelijk' is weet ik niet. De tekst:

Aan: De Permanente Commissie van de Kolonien der
        Maatschappij van Weldadigheid Residerende te s Gravenhage.


WelEdele Heeren

Ik ondergetekende Cornelius Ajo Andrea woonagtig, in de Gemeente Havelte.Provincie Drenthe, door bijzondere omstandigheden van sommige middelen mijnes bestaans ontroofd, zoo wenschte ik gaarne ten einde voor het vervolg in de behoefte van mijn huisgezin te kunnen voorzien, te mogen geplaats worden als, Zaalopziener, in eene der Etablissementen van de Maatschappij van Weldadigheid.

Ik durfde mij vleijen daartoe de nodige bekwaamheden, te bezitten, en aangaande mijn gedrag, neem ik de vrijheid hierbij overleggen eene attestatie Sub. A: van den Heer Burgemeester der Stad Steenwijk Provincie Overijssel, voormalige woonplaats van mij.
En eene dito sub B, van den Heer Schout van Havelte Provincie Drenthe alwaar mijn tegenwoordige woonplaats onder behoort.

Neme ik met alle Eerbied de vrijheid, om mij needrig tot UwWelEde Heeren te wenden, met zeer Reventelijk verzoek dat het UWWEd Heeren moge welbehagen om mij met deze geschikte Post. in eene der Etablissementen der Maatschappij van Weldadigheid, wel te willen begunstigen.

Wapserveen den 30 Dezember 1824
Ďt welk doende
(handtekening:) C.A. Andrea

De twee genoemde getuigenissen zullen wel ergens tussen de post zitten, maar heb ik niet gezocht. Op de achterkant van de brief, scan 911, is aangetekend: 'provisioneel aangesteld als winkelier', maar dat is een latere aantekening, ongeveer een jaar later. Want vooralsnog is er geen openstaande functie voor Cornelius.

Door de nood gedreven
Op enig moment in december 1825 schrijft hij nog een verzoekschrift om zaalopziener te worden. Die brief bevindt zich in invnr 76 maar is ongedateerd. De nood is hoog, hij overweegt zelfs zijn echtgenote met de twee kinderen naar haar ouders te sturen:

Geeft met verschuldigde eerbied te kennen C.A. Andrea, dat niet tegenstaan≠de hij in de maand december des voorlede≠ne jaars de vrijheid nam zich tot de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid te wenden.

En niet zo gelukkig heeft mogen zijn, van door een gunstig appointe≠ment uit eene wezenlijke droevige levenswijze te worden gered.

Zich andermaal door de nood gedreven, de vrijheid heeft om de menschlievendheid dier Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid nogmaals in te roepen.

Om ware het mogelijk bij de meerdere bevolking der etablissementen te Veenhuizen in de betrekking van zaalopziender te worden geplaatst.

Te meer smeekt hij dit, om dat hij, hoe gelukkig echtgenoot en vader hij anders ook zijn mogt en het geluk mogt hebben zijn hartelijk geliefde vrouw en twee nog jeugdige kinderen bij zich te hebben hij door de nood gedrongen is deze aan hare ouders te rug te geven en zelfs van zijne dierbaarste betrekking afscheiden moet zwerven, om zijn brood te zoeken.

Hartelijk smeekt hij dus bij deze de Permanente Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid om ware het mogelijk door een gunstig besluit, hem weder de gelukkigste der vaders en echtgenoot te maaken, immers zal hij het zich tot een der eerste plicht rekenen, alle mogelijke ijver aan den dag te leggen, terwijl hij zich verzekerd houd van de goede getuige≠nissen die omtrent zijn persoon en gedrag te bekomen zijn, reeds overgelegd voor dezelfs.

Tweede gesticht Veenhuizen
Deze laatste brief is mooi op tijd, want net op 2 december 1825 heeft de directeur der koloniŽn gemeld dat het nodig was de winkelier bij het tweede gesticht te Veenhuizen 'van zijnen post te moeten ontzetten, en zijnen winkel als in beslag te neemen', invnr 76 scan 670.

Die vorige winkelier is Petrus Johannes Claassens, zie deze pagina. De brief van de directeur gaat verder met:

Daar intusschen aan de andere zijde de winkel geen dag kan gesloten blijven, en er geen geschikt sujet in de etablissementen gevon≠den wordt aan wien de verkoop der goederen kan worden opgedragen of aanvertrouwd, ben ik na overleg met den Heer Adjukt Direkteur Drijber te raden geworden, en heb goed gevonden, de sedert lang om eenige betrek≠king vragende persoon Andre te ontbieden, en hem provisioneel in de winkel te stellen;

deze is ons altijd opgegeven te zijn een zeer eerlijk man en daar hij voorheen zelve een bakkerij en winkel gehad heeft, waarschijnlijk niet ongeschikt voor die betrekking in de kolonie;

bij mijn vertrek van Veenhuizen was hij nog niet aangekomen en ik dus buiten staat hem te zeggen dat dit alleen zijn zoude om in de behoefte te voorzien en hij dus nog niet moet reekenen om als winkelier te continueren, dat zijn bekwaamheid en goede trouw in het behandelen van die zaak hem echter eeniger mate aanpraak op de gunst der Permanente Kommissie zoude doen verwerven enz., al het geen hem nu bij zijne komst door den Heer Drijber zal worden voorgehouden.

Door de ongelukkige uitslag met den man die ik als eerlijk beschouwde, en met wiens lot ik bewogen was, en daarom door mij der Permanente Kommis≠sie gunstig voorgedragen werd, afgeschrikt; wilde ik niet gaarne eenen anderen voorstellen tot de betrekking welk onder alle subalterne betrekkingen bij de Maatschappij den eerlijksten man vordert;

en het zal mij dus bijzonder aangenaam zijn, dat de Permanente Kommissie of eenen anderen winkelier zond, of wel aangaande den persoon van Andrť zoodanige informatie tragt te bekomen, als zij zal vermeenen noodig te hebben, om hem als winkelier te kunnen aanstellen.

Deze informatie kunnen misschien zoo door den Heeren Schuurmans en Van Rooyen als andere bekende personen te Assen worden gegeven, en ingeval ik mij niet bedrieg is hij bij den WelEdelGestr. Heer 2e Assessor niet geheel onbekend.

Dokter Schuurman
Drijber is de hoogste ambtenaar in het tweede gesticht, Schuurman is de arts die vanuit Steenwijk medische zorg aan de koloniŽn heeft verleend, Stephanus Jacobus van Rooijen is de burgemeester van Vledder en de 'Heer 2e Assessor' is de stichter der koloniŽn Johannes van den Bosch.

Van die personen is dokter Jan Bloemert Schuurman degene die op 23 december 1825 reageert op een verzoek om informatie van de permanente commissie. Uit zijn brief blijkt dat Andrea zowel in Steenwijk als in Wapserveen met een winkel failliet is gegaan. Maar verder is Schuurmans wel positief, invnr 76:

Ik heb de eer op UWelEdGestr. missive van 16 dec. ll N841 te berigten dat ik den bedoelden persoon (ruimte opengelaten) Andrea wel eenigsints als inwoner en bakker en kleine winkelier te Steenwijk, zo ook te Wapserveen, dog niet zeer van nabij heb gekend,

dat hoewel zijne zaken op beide genoemde plaatzen gene gunstige uitkomst hebben mogen erlangen, dit algemeen eerder aan een gering doorzigt en niet volkomene bekendschap met dezelve als aan enige oneerlijkheid of wangedrag waar van mij nimmer iets is gebleken, wordt toegeschreven,

dat het mij uit dien hoofde zoo ook uit mijne ingewonnene informatien zoude voorkomen dat de genoem≠de Andrea wel geschikt zoude zijn voor een subalterne post in zijn voormaals uitgeoeffend beroep als zijnde vlijtig en gewillig om iets te leren en te verrig≠ten

dog dat ik in gemoede niet zoude durven aanraden om hem voor als nog in een eigen standpunt van aanbelang te plaatzen, als zijnde hiertoe volgens mijn inzien en dat van andere vertrouwde personen bij wien ik meij nopens hem geinformeerd heb niet genoegzaam berekend.

Het spijt mij wel dat ik geene volkomene gunstige berigten heb kunnen inzenden, zo wel om Andrea meer voordelig te zijn als om een zijner naastbestaanden met wien ik in eene goede vriendschaps betrekking staa een aangenamen dienst te bewijzen en derhalve sollicitere deze als een secreten missive te beschouwen.

Provisioneel
Blijkbaar vindt de Maatschappij iemand die al twee keer met een winkel failliet gegaan is de ideale gegadigde, want ergens eind december 1825 wordt Cornelius Ajo Andrea 'provisioneel', voorlopig, aangesteld als winkelier bij het tweede etablissement te Veenhuizen.
Uit latere overzichten, invnr 179 scan 219 en invnr 217 scans 892-893, blijkt dat de winkel aan de buitenkant ligt, tussen de woningen voor arbeidershuisgezinnen en - later - militaire veteranen, en dat de winkelhouder met zijn gezin in de woning ernaast woont.

Op 16 maart 1826, invnr 77 scans 686-687, meldt de directeur der koloniŽn:

Dat de kolonist Jan Smit, wiens verzoek om als winkelier te worden geplaatst, hier nevens terug gaat, volgens vroeger ten zijnen aanzien genomen informatien, gedurende derzelfs verblijf te Veenhuizen, niet de man schijnt te zijn, waarvoor ik hem zelve, zoo wel als de subcommissie te Amsterdam, gehouden heb, dat is zedelijk braaf, en door omstandigheden buiten hem ongelukkig geworden, maar hij integendeel schijnt een man te zijn vol van eigenzinnigheid, en pretentien, levende in onmin en twist met deszelfs vrouw, waarom hij ons als weinig geschikt voor een winkelier der Maatschappij voorkomt.

Bovendien schijnt Andrťe in die betrekking zeer goed te zullen voldoen, en neem dus de vrijheid de Permanente Kommissie te advyseren de laatste boven de eerste de voorkeur te geven.

Of die tevredenheid over de door de directeur consequent Andrťe genoemde Andrea ook leidt tot een vaste in plaats van een provisionele aanstelling, weet ik niet.

Gezin
Als gezegd is er geen personeelsregister uit die tijd dus voor de gezinssamenstelling ga ik uit van de burgerlijke stand:

Cornelius Ajo Andrea is volgens zijn overlijdensakte geboren 13 december 1800 te Assen, als zoon van Cornelius Hajo Andreo; beroep: winkelier, en Cornelia Vinckers. Hij staat bij de geboorte van zijn kinderen te boek als bakker. Hij is getrouwd met:

Gesina Smit, geboren 1801 of 1802 uit Steenwijk. Ze komen op de kolonie met de navolgende kinderen:

Cornelia Johanna Andreae, geboren 1 november 1822 te Steenwijk, en
Johannes Antoni Smit Andreae, geboren 30 juli 1824 te Wapserveen (gemeente Havelte)

Op de kolonie komt daar bij:

● Cornelius Hajo Andreae, geboren 3 december 1826 te Veenhuizen (gemeente Norg).


Overlijden
Op 11 december 1826, dus twee dagen voor zijn 26ste verjaardag, overlijdt Cornelius Ajo Andrea (senior) te Assen. Op de overlijdensakte is niet te zien of daar staat Andrea of Andreo. Uit een brief van de directeur van 22 januari 1827, invnr 83 scan 247, blijkt dat zijn weduwe toestemming krijgt om de winkel voort te zetten.
Maar er blijkt ook uit dat dat niet lang duurt:

Eindelijk moet ik ter kennis van de Perm. Komm. brengen, dat den Heer Adj. Direkteur Drijber zich verpligt gevonden heeft de wed. Andrea, welke de permissie had bekomen het houden der winkel te continueeren, dat voorregt te ontneemen, ten oorzake van een reeds bespeurd tekort in den winkel;

De weduwe en de drie kinderen blijven er nog even wonen, maar op 28 maart 1827, invnr 84 scan 292, stuurt de directeur de stand van de rekening van de winkel en dan blijkt de weduwe de kolonie inmiddels ook verlaten te hebben.