Diverse stukken die samen een niet complete maar wel lange tijdlijn vormen van de bedelaarskolonie Ommerschans vanaf 1819 tot en met 1859

De bedoeling is dat alle her en der en links en rechts rondslingerende stukken over de Ommerschans vanaf deze pagina te bereiken zijn. Zo ver is het nog lang niet en vooralsnog geeft deze pagina een vollediger overzicht.

ALGEMEEN

Het personeel van de Ommerschans vanaf het begin tot 1859. Een zo volledig mogelijk overzicht met eerst een beginpagina, waarop de directie staat en die verwijst naar het niet zo hele grote overzicht van het personeel buiten de schans (wijkmeesters) en naar een veel omvangrijker overzicht van het personeel binnen de schans.
▪ De zaalopzieners hebben een aparte pagina.

Het grondbezit van de Maatschappij van Weldadigheid op en rond de Ommerschans. Een overzicht van de akten van 1819 tot en met 1839.

Verkenningen in 1818 en 1819

■ Professor Tydeman uit Leiden tipt de Maatschappij van Weldadigheid op 30 september 1818 over het bestaan van de Ommerschans.

■ Vanuit het hele land klinkt inmiddels de roep om iets tegen de bedelarij te ondernemen. Bijvoorbeeld op 12 december 1818 uit Appingedam.

■ Na Tydemans tip gaat Johannes van den Bosch eens kijken en daarop reageert Baron van Dedem op 12 januari 1819 met een brief en plattegrond.

■ Johannes van den Bosch kondigt in een antwoord aan baron van Dedem op 27 januari 1819 aan dat er in maart nadere 'demarches' zullen komen.

■ De eerste plannen voor een negociatie en de Ommerschans vinden een kritisch onthaal bij de financiŽle afdeling, maar 14 maart 1819 gaan ze er toch mee akkoord, invnr 50 scans 576-580.

■ Daarop gaat er 23 maart 1819 een lange brief naar de koning met daarin ook het verzoek om het vruchtgebruik van de Ommerschans

■ Op 28 juli 1819 gaat de koning akkoord met de meeste verzoeken van de Maatschappij, maar neemt hij nog geen beslissing over de Ommerschans.

■ De gouverneur van Drenthe Petrus Hofstede komt 31 juli 1819 met een levendige beschrijving van de bedelarij ten plattelande

■ Zijne Majesteit komt op 14 augustus 1819 met een besluit waarbij de Ommerschans in vruchtgebruik aan de Maatschappij gegeven wordt.

De eerste periode tot de komst van Visser

■ Ook de subcommissie te Nederlands-IndiŽ klaagt op 8 september 1819 over de bedelarij en introduceert daarbij de term 'luie buiken'.

■ De stad Ommen heeft van het KB gehoord en vraagt 22 september 1819 om een gesprek. Dit heb ik samengevoegd met de er op volgende ruzie.

■ In september wordt uitgekeken naar personeel om op de schans te stationeren en 25 september 1819 volgen de eerste aanstellingen, waaronder K.F.L. Fenner als onderdirecteur.

■ Uit brieven van de directeur der koloniŽn blijkt dat 26 oktober 1819 de officiŽle overdrachtsdatum van de verlaten vesting is.

■ Blijkbaar ontstaat er ruzie met Ommen, want op 25 december 1819 wordt besloten de gronden rondom de Ommerschans af te bakenen.

■ Het inpikken van de grond rond de Ommerschans valt slecht bij Ommen en om de ruzie te beslechten wordt 8 februari 1820 hogerhand ingeschakeld.

■ De koning geeft bij besluit van 18 maart 1820 wel toestemming voor een kanaal van Ommen naar de Dedemsvaart, maar GEEN geld.

■ Onderdirecteur Fenner gaat 22 maart 1820 met zijn dochter op de schans wonen, maar al snel wordt duidelijk dat hij bijgestuurd moet worden.

■ De bemiddeling van hogerhand in de ruzie met de gemeente Ommen lijkt verkeerd uit te pakken. Op 24 maart 1820 reageert Van den Bosch.

■ Op 23 april 1820 formuleren Johannes van den Bosch en baron Van Dedem 'aan de vaart' hun 'pointen van vereeniging'.

■ Johannes van den Bosch is maandag 24 april 1820 terug van een reis naar de Ommerschans en lijkt de ruzie met Ommen opgelost te hebben.

■ Na de Ommerschans te hebben bezocht doet de directeur der koloniŽn op 22 mei 1820 verslag van de bouwwerkzaamheden aldaar.

■ De gemoederen komen tot rust als op 25 mei 1820 een voorlopige contract tussen de Maatschappij, Ommen en Van Dedem getekend is.

■ Op 13 augustus 1820 treedt Wouter Visser in functie als de eerste adjunct-directeur en hoogste gezagsdrager op de Ommerschans.

Het blijft in 1820-1821 rommelen in de marge

■ In augustus 1820 wordt besloten op het terrein van de Ommerschans 50 hoeves te vestigen (welk plan nooit zal worden uitgevoerd).

■ In september is er al sprake van, maar uiteindelijk is het 2 november 1820 als de eerste strafkolonisten op de Ommerschans aankomen.

■ In november en december 1820 wordt er een fabrieksbaas op proef aangenomen en is een landmeter op de Ommerschans actief.

■ Op 19 januari 1821 wordt een (nooit uitgevoerde) opzet voor de Ommerschans geformuleerd om aan het bestuur van Brussel te zenden.

■ In een curieuze correspondentie op 20 en 26 januari 1821 erkent onderdirecteur Fenner het gezag van adjunct-directeur Visser.

■ Op 6 februari 1821 blijkt de directeur der koloniŽn er een hoofdpijn-dossier bijgekregen te hebben: de administratie van de Ommerschans.

■ De Maatschappij laat op 12 februari 1821 aan haar voorzitter prins Frederik weten dat de koning twijfels heeft bij moeilijk te begrijpen plannen.

■ Adjunct-directeur Visser vraagt 24 februari 1821 of de employťs op de Ommerschans een tuintje voor eigen gebruik mogen aanleggen.

■ Wouter Visser wordt 20 april 1821 aangesteld als fungerend directeur der koloniŽn en vertrekt van de Ommerschans naar Frederiksoord.

■ Onderdirecteur Fenner laat 27 juni 1821 weten dat hij geen nieuwe superieur boven zich wil, wat hem op ontslag komt te staan.

■ Maar in plaats van in te binden, gooit Fenner er op 15 juli 1821 nog een schepje bovenop.

■ Op 21 juli 1821 vaardigt de permanente commissie een bevel uit dat aan strafkolonisten miet meer kleding e.d. verstrekt mag worden dan dat ze echt verdiend hebben, zie 'bijgevoegd stuk 2' op deze pagina.

■ Dan komt Fenner tot inkeer en verontschuldigt hij zich 6 augustus 1821 voor zijn eerdere brieven. Maar volgens de permanente commissie gebruikt hij 'beledigende uitdrukkingen'.

■ Fenner gaat 10 augustus 1821 nog dieper door het stof en mag dan onderdirecteur blijven, maar hij krijgt nog wel een schop na in de Star.

■ Op 28 augustus 1821 krijgen de voorwaarden waaronder de Maatschappij contracten voor het opnemen van bedelaars wil afsluiten koninklijke goedkeuring.

■ Uit latere brieven blijkt dat er vanaf 25 november 1821 een door Wouter Visser geschreven tuchtreglement voor de Ommerschans bestaat.

In 1822 wordt het serieus

■ Op 3 januari 1822 stelt de koning een commissie aan tot onderzoek naar de ware staat der armen, met onder meer Johannes van den Bosch er in.

■ De Maatschappij opent de mogelijkheid een F-contract af te sluiten voor de plaatsing van bedelaars, maar er wordt weinig gebruik van gemaakt.

■ O

■ D

■ O

■ O

A

■ D

■ O

■ O

■ O

■ E

■ D

B

■ O

■ O

■ O

■ O

■ O

■ O

■ D

■ D

■ S

■ O

■ Om alle bouwprojecten en gebouwen op orde te krijgen wordt er 17 april 1823 een 'adjunct-directeur voor het opzicht over de gebouwen' aangesteld: Jan van Lemel.

■ O

■ O

■ E

■ E

■ D

■ De directeur der koloniŽn doet 28 december 1824 een voorstel voor welke prijzen landbouwprodukten van de hoevenaars worden overgenomen.

I

■ D

■ O

■ O

■ D

● De directeur der koloniŽn stuurt 5 maart 1825 een lijstje van boeken die ten behoeve van het onderwijs in ontvangst zijn genomen. Veel zedelijke prekerigheid zo te zien.

■ E

■ O

■ D

■ P

■ O

■ D

■ In dat besluit van 3 mei 1825 N3 gaat de Maatschappij zelf de winkel op de Ommerschans drijven. Een OVERZICHT van alle regelingen die in de loop der tijd voor de koloniewinkel gelden.

■ Op 23 mei 1825 (de mannen) en 24 mei 1825 (de vrouwen) worden een paar honderd bedelaars van de Ommerschans naar het tweede gesticht te Veenhuizen gebracht. Welke er overgaaan valt te zien in de laatste kolom van het stamboek.

■ O

■ N

■ D

■ D

■ O

■ E

■ R

■ E

I

■ De directeur doet 17 februari 1826 het briljante voorstel om getrouwde bedelaars in gezinsverband te laten wonen in Veenhuizen. Het spaart nog geld uit ook!

■ Op 10 maart 1826 wordt bepaald welke waren er per se in de winkel moeten zijn en welke waren er wel een keertje kunnen ontbreken als de inkoopprijs niet gunstig is.

■ O

■ O

■ Op 14 juni 1826 bepaalt de permanente commissie dat de employťs niet meer in de koloniale winkels mogen komen, maar moeten winkelen bij de onderdirecteurs-buiten.

■ H

■ Bij het in juli 1826 overbrengen van bedelaars van de Ommerschans naar Veenhuizen lopen er nog al veel weg. Het komt door het lakse personeel van de Ommerschans.

■ Bij het 'Jaarlijksch verslag, betrekkelijk het Schoolonderwijs in de Kolonie der Maatschappij van Weldadigheid, van den 1 April 1825 tot den 1 April 1826', van 17 augustus 1826 wordt ook de Ommerschans besproken.

● Uit een voorstel van de adjunct-directeur voor het onderwijs in september 1826 blijkt dat de school op de Ommerschans nog geen 'Engelsche lampen' maar kaarsen gebruikt.

● O

■ H

■ O

■ J

■ D

■ E

Ontwikkelingen in 1827-1828

■ De 'Verordeningen nopens het schoolonderwijs', die er 1 januari 1828 in werking treden, benadrukken het belang van de scholen in de gestichten van wezen, en dus de salariŽring van de onderwijzers daar.

■ Dat blijkt ook uit het loongebouw van het onderwijzend personeel, zoals dat er vanaf 1 januari 1828 uit ziet..

■ A

■ E

■ B

De jaren 1829-1831

■ D

■ D

■ N

■ O

■ V

■ O

■ O

■ D

■ T

■ O

■ V

■ P

■ B

■ E

Van 1832 tot en met 1835

■ B

■ J

■ A

■ Met het besluit van 27 augustus 1832 worden de 'klassen der Schoolonderwijzers', en daarmee hun salarissen, gewijzigd.

Van het besluit van 12 februari 1833, getiteld 'Nadere bepalingen nopens de bezoldiging der ondermeesters bij de gestichten', heb ik helaas geen transcriptie. Voor liefhebbers: invnr 971.

■ O

■ S

■ I

■ B

■ E

■ A

■ O

■ I

■ D

■ J

■ E

■ H

■ E

■ Op 10 december 1834 stelt directeur Van Konijnenburg voor om ook de volwassenen in hun hangmatten te voorzien van matrassen in plaats van een losse opvulling van stro.

■ D

■ C

■ O

■ D

■ S

■ O

■ T

■ E

■ H

Van 1836 tot 1840


■ Januari 1836 schrijft de adjunct-directeur voor het onderwijs Van Wolda het jaarverslag over het koloniale onderwijs in 1835. Na wat algemene opmerkingen loopt hij alle scholen en onderwijzers, ook te Ommerschans, langs.

N

A

E

■ P

■ A

■ E

■ Een brief op 9 november 1836 over 'gebrekkigen, die buitengewonen tijd en buitengewone gelegenheid behoeven om nog de noodige ontwikkeling te bekomen'. Een onderzoek met medewerking van de adjunct-directeuren van de gestichten naar achterstandsleerlingen.

Het gewigt dat ik zie in het schoolonderwijzersambt. Een niet volledig bewaard gebleven notitie van 10 november 1836 over de bezoldiging van onderwijzers in vergelijking tot die van onderdirecteuren.

■ D

■ D

■ Op 7 februari 1837 is het verslag over het onderwijs in 1836 voltooid. De letterkast van Dellebarre heeft overal zijn intrede gedaan.

■ Bij schoolbezoeken constateert de adjunct-directeur voor het onderwijs op 5 april 1837 dat 'zij die 19 en 20 jaren bereikt hebben, geene vorderingen van eenig belang meer zullen hebben'.

■ O

■ I

Op 24 juli 1837 wordt besloten tot de 'Verhooging der tractementen van de onderwijzers der 1e en 2e klasse', waaronder de hoofdonderwijzer van de Ommerschans, invnr 975. Geen transcriptie, wťl aantekeningen uit het personeelsregister.

■ B

■ E

■ O

■ D

Na alle scholen in alle koloniŽn te hebben bezocht, doet Jan Hessels van Wolda daarvan verslag op 25 november 1837. Ik heb geen transcriptie, maar het staat op invnr 189 de scans 393 tot en met 398.

■ '

■ N

■ B

■ D

■ P

■ Als Jan Hessels van Wolda op 3 april 1838 schrijft over de eindexamens die hij heeft afgenomen, pleit hij ook voor maatregelen om te voorkomen dat de afgestudeerden daarna alles vergeten.

Met als gevolg een besluit van de permanente commissie 1 juni 1838 tot 'Aankoop van werkjes ten dienste van kinderen die van de scholen ontslagen worden'. Geen transcriptie, voor liefhebbers: invnr 976.

■ Op velerlei verzoek komt er 'zwart geverwd katoen' en ongebleekt katoen in de koloniewinkels, maar het besluit van 6 juni 1838 wil ook voorkomen dat het wordt doorverkocht naar buiten de koloniŽn.

■ N

■ O

■ Als gevolg van een besluit op 26 oktober 1838 zullen de prijzen in de koloniale winkels niet meer door de adjunct-directeurs worden vastgesteld, maar door de directeur en de permanente commissie.

■ De onderdirecteurs-buiten mogen na een besluit op 21 december 1838 in hun particuliere winkels geen boter meer verkopen.

■ H

■ D

■ B

■ T

■ In het 'een en twintigste jaarlijksche verslag van het schoolonderwijs der kolonien', over het jaar 1839, loopt Van Wolda weer alle aspecten en alle scholen langs.

■ A


Van 1840 tot 1843

■ O

■ D

■ E

■ D

■ H

■ D

■ A

■ V

■ I

■ E

■ H

■ O

■ U

■ D

■ E

■ B

■ D

Na 1843

■ D

■ V

■ E

■ V

■ O

■ E

■ N

■ O

■ I

■ Het eerste jaarverslag over het onderwijs na de dood van Jan Hessels van Wolda wordt op 15 januari 1845 ingeleverd door de opziener der scholen Jan Hendrik Geraets.

■ D

■ Directeur Van Konijnenburg laat juli 1845 weten dat hij bezig is gewichten, maten en geldprenten voor de koloniale scholen aan te kopen.

■ D

■ E

■ P

■ H

■ B

■ G

■ B

■ G

■ Geen transcriptie, maar enkele samenvattende opmerkingen bij het verslag van een inspectie door Johan Hendrik Geraets van het onderwijs in de koloniŽn op 30 december 1848.

■ O

■ E

■ B

■ E

■ O

■ Een transport van bedelaars van de Ommerschans naar Veenhuizen op 11 juli 1855 leidt tot ernstige ongeregeldheden te Meppel, 'dat alles bloed was wat men zag'.

■ Het voorjaars-schoolbezoek in 1856 aan alle koloniale scholen, inclusief het afnemen van examens bij leerlingen, door de opziener der scholen Jan Hendrik Geraets. Een verslag gedateerd 19 mei 1856.

■ Directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg stuurt 11 juni 1856 het bovengemelde verslag naar Den Haag en voegt er zijn commentaar bij, waarnade permanente commissie besluit over de voorgestelde maatregelen.

■ De leerlingenaantallen op de diverse koloniale scholen door de jaren heen, opgepikt uit de stukken waar ik toevallig transcripties van heb dus redelijk willekeurig. Maar het geeft wel een beeld.

■ Een nog onvolledig overzicht van onderwijzend personeel bij alle scholen in alle koloniŽn, dus ook te Ommerschans, vanaf het begin tot in 1859.