Naar het overzicht
van de
KLEINE RAAD




Volledige transcriptie van:

Copie uit de notulen van het voorgevallene en verhandelde in den kleinen raad der vrije kolonien, maart 1828



Zaturdag den 1 maart 1828

Compareerden heden voor den raad:

1. Vrouw Jansen, van kol no 2, verzoekende eenig geld meer in handen te mogen hebben, voor haren zoon, tot reisgeld bij de loting der N.M.
Is dezen vrouw beloofd, dat de leidsman der lotelingen, voor aller reisgeld zorgen zoude, dus ook voor haar zoon.

2. Dirksen en deszelfs ingedeelde Jan Vermeulen, verzoekende om eenige kleeding voor laatstgenoemde.
Het noodzakelijke zal hem verstrekt worden.

3. Souverein, van kol 2, laatstleden herfst van Veenhuizen aangekomen, verzoekende vrij te zijn van de dadelijke betaling van den turf, dien hij deze winter brandde, wijl hij niet in staat geweest was, voor deze behoefte te kunnen zorgen.
Een gedeelte zal op rekening gezet, en het overige door hem successivelijk, naar gelang zijner verdiensten, afgedaan worden.

4. Vrouw Range, van kol 2, en
5. Vrouw Evenblij, van kol 3, verzoekende beiden, voor den tijd van 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Amsterdam, de eerste om familie te bezoeken e4n de laatste om erfenissen na te zien.
Is voor beiden eenigen tijd uitgesteld, tot beter weder.

6. Vrouw Boddendijk, van kol no 2, verzoekende een verlofpas voor eene onbepaalden tijd voor haar voorzoon Jan Hoedemaker, om te mogen gaan wonen in Meppel bij eenen wever, om zijn handwerk aldaar verder voort te zetten.
Wordt, onder nadere goedkeuring van den heer Direkteur toegestaan.

7. Neeltje Heikamp, van kol 1, verzoekende 14 dagen met verlof te gaan naar Broek in Waterland, om eenen dienst te zoeken, daar zij eerstdaags haar ontslag kreeg.
Dit verzoek is het brave meisje, onder nadere goedkeuring, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur goedgekeurd.


8. Vrouw Doesburg, van kol 1, en
9. Westhoff, van kol 2, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Amsterdam, om, met medewerking hunner familiën, het ontslag van de kolonie te bewerken; erfenissen als anders hadden daartoe den weg gebaand.
Is onder nadere approbatie van den Heer Direkteur toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is als voren goedgekeurd.


10. Vrouw Stoffels, van kol 2, zeggende twee kinderen ziek te hebben, en van de wekelijks ontvangende 50 centen nu niet te kunnen bestaan.
De onderdirekteur zal dit heden avond onderzoeken, en in het noodige voorzien.

11. Brouwer, van kol no 1, verzoekende om een verlofpas voor onbepaalden tijd voor zijnen zoon Kornelis, die gaarne dienen wilde te Steenwijk, waar hij reeds eenen dienst gevonden had.
Naar het oordeel van den raad is het van belang dat deze jongen eens buiten diene.

In de kantlijn bijgeschreven: Den Heer Direkteur staat dit toe.


12. Chr. Modderman, ingedeeld bij den ouden Vos, in kol 1, klagende dat hij daar niet genoeg te eten kreeg.
Hier zal in de behoefte van dit huisgezin voorzien worden, en intusschen onderzoeken of of men voor dezen Moddrman een ander en geschikter huisgezin vinden kan.

(get.) J.H. van Wolda Secr.



Zaturdag den 8 maart 1828

Verschenen voor den kleinen raad:

1. Beun, van kol 2, verzoekende dat zijne dochter Helena, oud 17 jaren, als dienstmaagd mogte dienen aan de oude markt bij eenen bakker.
De kleine raad keurt dit goed en onder nadere approbatie van den Heer Direkteur is dit toegestaan.
.
In de kantlijn bijgeschreven: Het dienen van dit meisje wordt door den Heer Direkteur toegestaan; echter zoude ZWEdG de Permanente Kommissie in bedenking geven, of van dit buiten de kolonie dienen gaan, niet te veel gebruik gemaakt wordt.


2. Jacobus Willemse, oud bijna 21 jaren, als eigen kind medegegeven en ingedeeld bij den kolonist Letterie, in kol no 2, hebbende reeds drie malen aan zijne Kommissie te 's Hage om zijn ontslag geschreven van de kolonie, die hem ngeantwoord had, dat hij zulks aan de Directie der kolonien moest vragen.
Men heeft deze jongen, die zich wel gedragen heeft, beloofd zijne zaak aan den Heer Direkteur te zullen voorstellen.

In de kantlijn bijgeschreven: Het gaan dienen zonder ontslag slechts in bijzondere gevallen voortaan toestaan.
Het ontslag van J. Willemse toegestaan, vK.


3, Vrouw Schouten, van kol 1, wijk 3, verzoekende om twee hemden op voorschot, die haar dadelijk niet kunnen gegeven worden, wijl dezelve niet gereed zijn.

4. Vrouw Visser, van kol 2, verzoekende:
a. voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Grootebroek om hare kinderen te bezoeken,
b. een verlofpas voor hare dochter Trijntje, oud 18 jaren, ten einde te mogen dienen bij hare familie te Grootebroek.
Het eerste is uitgesteld en het tweede onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is beide door den Heer Direkteur geapprobeerd.


5. Vrouw van der Veen, van kol 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Zwol, om hare familie te bezoeken.
Is onder nadere approbatie van den Heer Direkteur toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is insgelijks als boven goedgekeurd.


6. Kornelis Smid, zoon van Klaas Smid van kol 1, verzoekende zijn ontslag van de kolonie.

7. Jan Brands, oud 26 jaren, zoon van den kolonist Brands van kol 1,     vragende zijn ontslag van de kolonie.

8. Jan Spoelstra, zoon van den kolonist Spoelstra van kol no 2, verzoekende insgelijks zijnh ontslag van de kolonie.
Deze jongeling heeft den ouderdom van 23 jaren bereikt.

9. Jan Zorn, oud 25 jaren, en
10. Maria Zorn, oud 19 jaren,  zoon en dochter van den Kolonist Zorn, van kol no 1, verzoekende beide hun ontslag van de kolonie.

Deze vijf jonge lieden, die dit ontslag met goedkeuring hunner ouders vragen, zijn, naar het gevoelen van den kleinen raad, wel geschikt, om in de gewone maatschappij in hunne behoeften te voorzien.

(get.) J.H. van Wolda Secr.



Zaturdag, den 15 maart 1828

Compareerden heden:

1. Arnoldus de Vries, van kol. 1, verzoekende een verlofpas voor eenen onbepaalden tijd om te mogen dienen buiten Amsterdam.
Onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur is dit verzoek toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.


2. Vrouw Verbeek, van kol. 1, vragend de vrijheid of haar man voor 14 dagen, als zijnde metselaar, voor eenige tijd buiten de kolonie, doch in de gemeente Vledder, mogt gaan werken, met belofte, om alle weken op het kleedingfonds ƒ 2- te betalen.
Over te laten aan het oordeel van onzen Heer Directeur`

In de kantlijn bijgeschreven: Door den Heer Directeur toegelaten.


3. Henderica Beins, ingedeeld bij Maatje, in kol 1, verzoekende voor 2 dagen, in gezelschap van Jantje Maatje, met verlof te mogen gaan naar Veenhuizen, ten einde hare zuster en haren oom te bezoeken.
Onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur is dit toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: idem.


4. Blokland, van kol. 2, verlangende voor 4 dagen met verlof te mogen gaan naar Kampen, om familiezaken van zijne overledene vrouw.
Is insgelijks, onder nadere goedkeuring van den Heer Directeur toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: idem.


5. Vrouw Kraan, van kol. 2, deze week van Veenhuizen hier aangekomen; verzoekende om de gelden van hare reserve, ad ƒ 7- te Veenhuizen te goed gehouden, te mogen ontvangen, ten einde daarvoor een jong varken te koopen.
Zal aan den Heer Directeur gevraagd worden.

6. Vrouw van der Kooij, van kol 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Leeuwarden, om de familie te bezoeken.

7. Dijkstra (Pieter) met hetzelfde oogmerk naar Bolsward.

8. De wed. Jan Zwaan, verlangende voor gelijken tijd met verlof te mogen gaan naar Bovenkarspel, provincie Holland.

9. Meijer, van kol. 3, verlangende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Amsterdam om zijn ontslag van de kolonie te bewerken.

10. Vrouw Range, van kol. 2, verzoekende voor 14 dagen hare familiebetrekkingen te Amsterdam te mogen bezoeken.

Onder nadere approbatie van den Heer Directeur is het gevraagde verlofgaan geaccordeerd.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur toegestaan.

(get.) J.H. van Wolda secr.



Zaturdag den 22 maart 1828

Vervoegden zich voor den raad:

1. Vrouw van der Sluis, van kol 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Utrecht, om de familie te bezoeken.

2. Vrouw Evenblij. van kol no 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te mogen gaan naar Amsterdam om hare aanverwanten te bezoeken.

Het verlofgaan dezer beide vrouwen, is onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur, toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is insgelijks geapprobeerd.


3. Vrouw Smith, van kol 2, verzoekende of hare dochter Geertje, oud 16 jaren, voor 14 dagen met verlof mag gaan naar hare zuster te Alkmaar, die ziekelijk was, en deze Geertje tot dienstmeid verzoekt.
Nadat haar dit verlof, in dezen tijd des jaar, afgeraden en voor eenigen tijd uitgesteld was, verzocht de moeder het ontslag voor hare dochter, hetgene de kleine raad aan het oordeel van den Heer Direkteur overlaat.

4. De Wals, van kol 1, vragende of hij voor het geld, dat hij op het kleedingfonds tegoed heeft, en nog maken zal, evenals dit bij de kolonisten van kol 1, plaats heeft, hooi mogte koopen.
De raad vindt zwarigheid, dit aan eenen vrijboer, die des zomers met zijn volk doorgaans buiten werkt, toetelaten, en vraagt dus in deze het oordeel van den Heer Direkteur.

5. Vrouw Hoekstra, en
6. Roelof Kleinman, beiden van kol 1, verzoekende eenig hooi te mogen ontvangen op hun kleedingfonds, evenals in de 1e wijk dezer kolonie plaats heeft.
Daar, in deze wijk, wekelijks gefouderseerd(?) wordt, kan hieraan niet voldaan worden.

7. Modderman, ingedeeld bij den ouden Vos, in kol 1, verzoekende verplaatst te worden bij Anne Kleinman, in dezelfde kolonie,  omdat hij bij de Vos geen eten genoeg kreeg.
Is toegestaan.

8 de Vries, van kol 2, verzoekende schriftelijk eenige brand te mogen ontvangen, daar hij zelf in ziekelijke omstandigheid was.
Daar deze man verleden zomer voor den turf had kunnen zorgen, zoo zal de onderdirekteur van kol 2, hoewel op eene schaarsche wijze, in deze behoefte voorzien.

(get.) J.H. van Wolda secr.



Zaturdag den 29 maart 1828

Compareerden voor den raad:

1. Vrouw Krol, van kol no 3, verzoekende voor 14 dagen met verlof te gaan naar Groningen, om hare familie te bezoeken.

2. Vrouw Zevenbergen, en
3. de dochter van de wed. Ditmar, verlangende eenen gelijken tijd met verlof te mogen gaan naar Harderwijk, om familie zaken.

4. Vrouw van Eisden, van kol 3, met verlof naar Dordrecht.

5. Vrouw Wiederholdt, verlangende voor eenen gelijken tijd hare familie in Amsterdam te bezoeken.

Onder nadere goedkeuring van den Heer Direkteur, is het verlofgaan dezer vrouwen toegestaan.

In de kantlijn bijgeschreven: Is door den Heer Direkteur geapprobeerd.

 
6. Vrouw Grollée, van kol 3, verlangende voor 14 dagen, in Amsterdam hare dochter te bezoeken.

7. Van de Groenekamp, insgelijks naar Amsterdam om zijne kinderen te bezoeken.

8. Vrouw Kemper, almede naar Amsterdam, om de familie te bezoeken.

Deze drie laatste kolonisten zullen eenigen tijd met dit verlofgaan wachten, omdat er reeds zoo vele zijn.


Voorts neemt de kleinen raad de vrijheid, de navolgende verplaatsingen der weezen goedgekeurd te mogen hebben, als;

a. Hendrik Duk, van Doodhagen bij den kolonist Doornbosch. Doodhagen heeft te veel kleine niet werkende weezen, en Doornbosch vrrlangt er één.

In de kantlijn bijgeschreven: Kol 2.

b. Christiaan Vermeulen, weg te nemen van van der Lugt en te doen bij van Hemert, die tevens aanverwant is van dezen jongen, en er zeer op aandrong denzelven bij zich te hebben.

In de kantlijn bijgeschreven: Kol 1.

c. Christoffel Wijnands te nemen van van Haften en te plaatsen bij Brada, laatst van Veenhuizen aangekomen.

In de kantlijn bijgeschreven: Kol 2.

d. Maria de Vrede van den vrijboer van Ham, te doen bij den kolonist Kemper, die wel kinderen maar geen werkvolk heeft en tevens een zeer goed huisgezin is.

In de kantlijn bijgeschreven: idem.

e. Kaatje Berenvanger, te nemen van de wed. den Held, waar het ongelukkige meisje niet meer zijn kan, naar Zoutebier, die slechts een eenig kind heeft en dit meisje wil opnemen.

In de kantlijn bijgeschreven: Kol 2.

(get.) J.H. van Wolda secr.


Voor copie conform
De sevretaris van den kleinen raad
J.H. van Wolda


In de kantlijn bijgeschreven: Goedgekeurd (behoudens bovenstaande aanmerkingen) door de Perm. Komm. den 28 April 1828 art. 180, J. van Konijnenburg.