Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





8 juli 1829, dokter Sasse: Met elke verbetering droom ik het groote doel nader te komen, dat ik eens niet meer nuttig zijn kan


”p 8 juli 1829 schrijft dokter Sasse aan de nieuwe directeur der koloniŽn Jan van Konijnenburg. Op dat moment gaat het best goed met de gezondheidstoestand. Dokter Sasse klinkt optimisctisch, invnr 97:


WelEd Gestr Heer!

Met genoegen kan ik UwelEd den nog voortduurende welstand van onze nieuwe bevolking melden niettegenstaande het ongunstige en ruwe weer dat wij sedert eenige tijd gehad hebben en de verontrustende vermeerdering van onpaslijken die ik voor eenige dagen op eens in de zieken zaal kreeg.

Wel is waar allen die bij het vertrek van den Heer Schermacher uit Amsterdam blijken droegen van Maselen, zijn terug gebleven echter was het wel mogelijk geweest dat de een of ander met den kiem der ziekte hier was aangekomen.

De uitslag welke mij in den beginne eenigzints daarvoor deed vrezen bleek bij nader inzien een Netel uitslag te zijn, een gevolg van den invloed der lucht zoo verschillend van die van Amsterdam, en dus eene acclimatisatie welke zeer gemakkelijk zijn zal.

Deze uitslag komt mij voor eene wijziging te zijn van de Schurftuitslag, welke alle de van elders aangekomene kinderen, de meesten althans, hier krijgen, die op de ingewanden vallende, eene onophoudelijke loop veroorzaakt, en verbonden met de andere ongesteldheeden zoo groote verwoestingen onder de kinderen heeft veroorzaakt.

Meer en meer bemerk ik dat, naar mate deze scherpe stoffen zich meer op de huid concentreren dat na die mate de daaropvolgende gezondheids toestand der kinderen beter is.

Aan het derde gesticht heeft zich mijn vermoeden en mijne hoop bevestigd daar het getal van zieken zedert dien tijd van UwelEd bezoek nog verminderd is.

Ten hoogste 24 kinderen bevinden zich in de Ziekezaal waarvan er weinig zwaar ziek zijn en niet een zoo ver ik zie gevaarlijk is.

De Heer de Geus heeft mij voor eenige dagen de berekening voorgelegd van eene onderaardsche afwatering, over welker bedrag ik waarlijk schrikte te meer daar ik veronderstelde dat 4 planken met hout en spijkers te zamen gevoegd slechts dienende tot geleiding van het water een voet in ít vierkant groot zoo veel niet kon bedragen.

De zinkputten moeten wel is waar gemetseld zijn, maar het overige is niet in aanraking met de lucht zoo maar de laatste 3 a 4 voet van het uitwaterings einde der goot gemetseld was en dus ook van dien kant niet met de buitenlucht communiceerde.

Wat kwaad ook dat er na 15 Jaren eene vernieuwing nodig was wanneer deze wijze van uitwatering aan het oogmerk voldeed zou men zich over die uitgave niet bezwaren.

Eene goot uit gebakkene roode pijpen zoo als men in de schoorsteenen gebruikt zou ook kunnen voldoen maar ik vrees dat die in den grond vergaan zal, daar ik mij herinner dat men op de weiden in Vriesland dit puin gebruikt en dat er na eenige jaren geen spoor meer van te zien is.

Met genoegen heb ik gezien dat er begonnen is met het dempen der afwateringsgooten rondom het eerste gesticht, daar ik iedere overtollige goot altijd beschouw als den vruchtbaren bodem voor de ziektezaden, en met elke verbetering droom ik het groote doel nader te komen, dat ik eens niet meer nuttig zijn kan.

Mij in UwelEd vriendschap aanbevelende en mijn compliment aan Mevrouw verzoekende heb de Eer mij met de meeste hoogachting te noemen

WelEd Gestr Heer!
UwelEd Dnr
(get) H. F. A. Sasse
Veenhuizen den 8 Julij 1829

Voor copie conform
Van Konijnenburg
Direkt der Koln