Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Bijlage A: Burgemeester Tonckens: Dat gierigheid gezegd mag worden de wortel van alle kwaad te zijn.

Bijlage A bij het rapport van de presidenten van de provinciale geneeskundige commissies van Groningen, Drenthe en Overijssel is van de hand van Johannes Tonckens, burgemeester van de gemeente Norg waarbinnen Veenhuizen ligt. Hij heeft het al tijden met de Maatschappij aan de stok en gaat nu tegenover de onderzoekscommissie een helemaal los. Invnr 96, zie hier voor de scans en dan bij scan nummer 729 en verder.

Aan De Heeren Presidenten der Geneeskundige Commissien in Groningen, Overijssel en Drenthe uitmakende eene Commissie tot onderzoek van de oorzaak der Ziekten in het 3e Gesticht te Veenhuizen

Westervelde den 25 April 1829
   
Bij het bezoek het geen ik de eer gehad heb heden morgen van UHEdG te ontvangen, heb ik op het verlangen van UHEd op mij genomen om aangaande het derde gesticht der maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen dat gene in geschrifte aan UHEd mede te deelen, hetwelk mij deswegens bekend was, en naar mijn inzien aangemerkt moest worden, mede te werken tot het ontstaan der ziekten onder de kinderen aan dat Gestigt:-
   
Aan dit verzoek willende voldoen kan ik niet voorbij om in de eerste plaats aantemerken dat de hoge stand van het derde Gestigt, naar mijn inzien, daartoe ook het zijne toebrengt,
en dat ook het hooge binnenplijn in vergelijking van de vloeren van het gebouw daaronder nog gerekend worden,
en dat het tevens veel nadeel toebrengt, dat de kinderen dadelijk uit de zalen des winters bij dooij weder buiten de deur, tot bijna over de klompen, in de modder moeten stappen, uit hoofde er volstrekt geene rijpen of straten bij de gestigten zijn waarover zij bij nat of morsig weder, buiten het Gestigt, of van de eene tot de andere Zaal kunnen gaan, wordende daarom door het uit en inloopen der kinderen de Zalen van tijd tot tijd vogtiger en natter.-
   
Doch daar UwEd zulks zelve bij de inspectie op gister en heden aldaar gehouden zullen hebben opgemerkt, zal ik daarover niet verder handelen, gelijk ik mede niet noodig zal hebben te vermelden dat de kleine kaggels, waarvan er slechts een in iedere zaal waarin omstreeks 80 kinderen aanwezig zijn geplaats is, geheel ontoereikend zijn, om daarmede die groote zalen behoorlijk te verwarmen, daar zulk UHEd aandacht mede niet zal zijn ontsnapt.
   
Ik zal mij daarom bepalen tot dat gene hetwelk UHEd bij de inspectie niet hebben kunnen opmerken en tevens naar mijn inzien aan UHEd dient bekend te zijn, om de ware oorzaken der veelvuldige ziekten te kunnen opsporen.


Ik zal in de eerste plaats UHEds aandacht vestigen op de voeding.

Het is UHEd bekend dat aan de kolonisten geen gewoon Roggenbrood gegeven wordt (de gevallen als er geene genoegzame voorraad van aardappelen aanwezig is uitgezonderd) maar brood zamengesteld uit een derde rogge en twee derden aardappelen.- over de voedzaamheid van dit brood kunnen UwEd beter dan ik oordeelen:-
het zij mij echter vergunt aan te merken dat de publieke opinie sterk tegen dit brood is, en dat het een zeer fies en walgelijke spijze is, wanneer het zoo verre in de zomer of voorjaar koomt, dat de aardappelen lange kiemen krijgen en slap en weelkerig beginnen te worden, het welk te weeg brengt, dat ze niet behoorlijk fijn gemalen kunnende worden bij kluiten en lappen in het brood komen.
   
In het laatste verloopen winter toen er bij het tweede en derde Gestigt geen genoegzame voorraad van Aardappelen aldaar aanwezig was heeft de directie van die gestigten brood van enkeld rogge laten bakken (van het 2e en 3e gesticht is er slechts een Administratie en er is ook voor beide Gestigten eene bakkerij en wel aan het 2e gestigt).

Daar mij onderscheidene klagten ter ooren kwamen, dat het brood aan het 2e en 3e Gestigt zoo slegt was dat het bijna niet gegeten konde worden, heb ik mij vergezeld van de beide Assessoren naar de kolonie Veenhuizen begeven om het brood aldaar te onderzoeken en het is ons toen gebleken dat deze klagten vokomen gegrond waren en dat het brood aldaar gebakken zeer slecht doorwerkt en niet meer als half gaar gebakken was,

en wij konden ons niet begrijpen dat dusdanig brood door menschen konden gegeten worden terwijl wij bij twee visitaties namelijk op den 16 en 17 Februarij 1829 daarenboven bevonden dat er noch aan het magazijn noch in de winkel van het 3e Gestigt een enkel brood aanwezig was,

van deze onze bevinding zijn processen verbaal opgemaakt en aan den Heer Gouverneur dezer Provincie gezonden met een brood uit de Bakkerij; en ik beroep mij op dit een en ander.
   
Daar de aardappelen het voornaamste voedsel der Kolonisten uitmaken, zelf van het brood maken zij het voornaamste deel uit, moet men verwagten dat deze zoo niet van het beste soort althans van eene goede kwaliteit en goed geconserveerd aan de Kolonisten zouden worden verstrekt, doch geen van beiden.-

Over het algemeen geeft men hun van het slechtste soort, hetwelk gemeenlijk tot voeder van vee gebruikt wordt, en in het laatste verloopen winter gedeeltelijk verrot en bevrozen.-
   
Bij de inspectie van het brood op den 16e en 17e februarij van dit Jaar, heb ik vergezeld van mijne beide assessoren de aardappelen van het derde Gesticht in de kelder aldaar gevisiteerd en bevonden dat dezelve niet alleen een onaangename en stinkende reuk van zich gaven, maar dat ze daarenboven grootendeels bevrozen zijnde geweest, begonnen te verrotten en dat uit eenigen enen als uit eene natte sponsie bij het aantasten het water stroomde, daarenboven waren deze aardappelen zoo vuil en morsige goot(?) waren opgeschept.

Een bediende van dat Gesticht aldaar aanwezig zeide dat deze nog al aanmerkelijke hoop met een of twee dagen geheel geconsumeerd was, en bij onze visitatie op den 17e februarij bleek ook dat er van de aanzienlijke portie van de vorige dag weinig over was.
   
Het zal UwEd. Mijne Heeren minder verwonderen, dat wij dit zoo hebben aangetroffen, als UHEd weten dat er bij de invallende vorst, in de eerste dagen van November, nog ongeveer 30 morgens lands met aardappelen ongerooid waren, welke er na die vorst nog gedeeltelijk zijn uitgewerkt, en dat er in het begin van de vorst in de maand Januarij 1829, wanneer de voorraad van aardappelen reeds was geconsumeerd, een of meer schepen met aardappelen op de Haulerwijk voor het 2e en 3e gesticht bestemd zijn aangekomen, welke aldaar gedeeltelijk zijn gekuild en gedeeltelijk in de vorst van daar met wagens zijn overgebragt waardoor ze op weg moesten bevriezen zoo ze in het schip of bij het uitladen derzelve niet reeds waren bevrozen geweest.-

Het is ieder bekend, hoe onsmakelijk bevrozene aardappelen zijn, en daarom twijffel ik ook niet of ze zullen schadelijk voor de gezondheid zijn, te meer als ze reeds beginnen te verrotten, doch deze schadelijkheid is UwEd kenbaar.



Ik kan ook niet verzwijgen hoe de directie van het 2e en 3e Gesticht in de herfst van het voorgaande Jaar eene groote kwantiteit Gallige schapen heeft doen slagten zeker niet om hier honden, maar menschen mede te voeden.-
   
De prizeerder van het Slagtvee van deze Gemeente heeft verzekerd, dat hij tien daarvan te zamen op twee Gulden vijftig Cents had gewaardeerd, en andere een weinig hooger, en dat hij er nog eenige waarde aan moetende hechten, ze niet wel lager had kunnen prizeren, doch dat ze volstrekt geene waarde gehad hadden, en dat hij in de schatbilletten er somtijds ook bij had gevoegd dat deze schapen om geef waren. De registers van den prizeerder kunnen hiervan tot bewijs verstrekken.-
   
Vleesch in gewone tijden in geene ruime mate aan de Kolonisten wordende uitgedeeld zal hun zekerlijk toen niet schaars zijn gegeven, uit hoofde ze toen de schapen niet zoo schielijk konden slagten, als ze wel van zelf stierven, want het veld lag met doode schapen als bedekt, welke eene verschrikkelijke stank van zich gaven, zoo dat ik de veldwagter last heb moeten geven, om de Directie van het 2e en 3e Gestigt aan te zeggen hunne doode schapen te doen begraven.



De wijze van toebereiding der spijzen zal ook het zijne wel toebrengen ter ondermijning van de gezondheid der kinderen.

In de vorige Herfst en ook reeds vroeger gaf men aan de kinderen overmatig veel peper tusschen de spijzen, denkelijk met het oogmerk om ze daardoor beter te doen verteren, doch dit gebruik is naderhand afgeschaft.
Ook moet naar mijn inzien daarop worden geattendeerd, dat de aardappelen, meestal met het water waar in zij gekookt zijn, met het bijdoen van eenige groenten, als kool of knollen en wortels worden gebruikt, en niet zoo als men in gewone Maatschappij daarmede handelt door de aardappelen eerst te koken en daarna afgeslagen zijnde met andere Spijzen te vermengen.-
   
Het afgekookte aardappelwater is onsmakelijk en UWelEdn weten het of het ook niet voor de gezondheid nadeelig is.-



Koude lijden is schadelijk voor de gezondheid, en daar er in deze winter aan het 2e en 3e Gestigt groot gebrek aan turf of ander brandstof geweest is, hebben de kinderen veel koude moeten lijden.
   
In de felle Koude van den 23 Januarij van dit Jaar was er volstrekt geen voorraad van turf bij het 2e en 3e Gestigt aanwezig en men gaf daarom de Kolonisten vrijheid om alle brandstof in de Kolonien aanwezig op te zoeken en te gebruiken.
Op de 24ste van die maand heb ik mij naar de Kolonie begeven, vermits zich het gerucht hier verspreide dat er eenige Kolonisten door koude waren omgekomen en ik heb bij die gelegenheid het tweede gesticht aangedaan en daar bevonden dat er volstrekt geen voorraad van brandstof aanwezig was, dan alleen hetgeen men op dien dag zijnde de koude toen minder gestreng uit het veen van de aldaar in ringen staande Turf die wegens de natte in de vorige Zomer of Herfst niet had gebult kunnen worden, had aangehaald.
   
Men vulde met deze natte turf de kleine kaggels en ik konde naauwelijks aan de pijpen van de kaggels bemerken dat er vuur in dezelve was.
   
De Kolonisten zaten bij dezelve Aardappelen te schillen welke zij bij de kaggel naauwelijks van buiten zoo verre konden ontdooijen, dat zij er de schil konden afsnijden.
   
Bij het derde Gestigt was dit gebrek volgens het getuigenis der Kolonisten even groot, schoon ik vermits het reeds donker begon te worden en mij dus de tijd te kort schoot, zulks zelve niet heb opgenomen.
In dit gebrek aan brand heeft de Directie nader hand door aankoop van turf op de Haulerwijk Provincie Vriesland, voorzien welke haar daar koste f 45 gl per dag werk, voor het per as aannemen moest zij van het dagwerk nagenoeg betalen f 25 gl.-
   
Om nu deze kosten van aannemen zoo veel mogelijk uittewinnen wierden de weesjongens van het 3e Gestigt genomen om twee maal per dag ieder een dragt turf van de Haulerwijk zijnde een distantie van uur gaans te halen, wordende iedere dragt op 12 turven bepaald.-
   
Ook dit was naar mijn inzien schadelijk voor de gezondheid der kinderen, want eerst wierden zij gedurende de vorst te veel aan de felle koude bloot gesteld, terwijl zij daarna in de opdaag(?) met natte voeten moesten gaan, en bij de thuiskomst zich met 80 tegelijk bij een kleine kaggel niet konden droogen.
   
Ik heb het niet ondienstig geacht UWEdn hiernevens te voegen een staat waaruit de sterfte in de Gemeente met de bevolking gedurende den tijd dat de Kolonien hier bestaan hebben, kan worden gezien.
   


Bij monde heb ik ook UWEdn te kennen gegeven dat ik N12 van 1828 van de vriend des vaderlands, met verwondering heb gelezen dat de Heer President der geneeskundige Commissie van Drenthe, betrekkelijk de toestand der ziekten zouden hebben verzekerd, dat de oorzaken dier meerdere sterfte in de Gestigten even min als vroeger, in geenen deele aan gebreken in voeding, verpleging of behandeling kunnen worden gevonden, en dat Zijne Edele de ondubbelzinnigste betuiging zoude hebben gegeven, dat daarop geene ongunstige aanmerkingen te maken zijn;

 en ik kan niet nalaten zulks nog bij dezen aan te stippen, te meer daar gemelde Heer President, mede Lid van Ulieder Commissie, ons nu de verzekering geeft, dat hij bij deze verklaring wat vroeger Ziekten betreft, niet heeft gegeven;

en ik merk daarom dat slechts aan om UWEDn attent te maken, om aan de gunstige verslagen van de Staat der Kolonien in den vriend des vaderlands voorkomende niet te veel geloof te hechten.


   
Bij aldien het gevorderd wierde twijfel ik niet of de Heer H. Smit welke bevorens als medicus de Kolonie te Veenhuizen heeft behandeld zoude bereid zijn UWelEdn bekend te maken met de verslagen, welke hij gedurende zijn verblijf te Veenhuizen van de Ziekten in het 3e Gestigt aan den heer Directeur Visser en mogelijk anderen heeft ingezonden en die zoo ver mij bekend is de ondubbelzinnigsten betuigingen behelsen, dat de oorzaak der Ziekten voornamelijk in Slegt voedsel gezocht moeten worden.



Voor dat ik eindige vermeen ik er nog te moeten bij voegen, dat gelijk in vele gevallen zoo ook hier de Gierigheid gezegd mag worden de wortel van alle kwaad te zijn.
Uit gierigheid, zoo als ik het beschouw heeft men het derde gesticht niet boven de vlakke grond geplaats en daardoor is het vogtig en ongezond.-
Uit gierigheid naar mijn inzien om een of twee Centen per dag op de voeding van ieder kind uit te winnen voedt men met het Aardappelen Brood en zoo het alleen van rogge is met half gaar gebakken brood, om dat de turf te veel geld kost
met vleesch van Gallige schapen, omdat ze anders toch sterven, en men voor ander vleesch geld moet betalen
met Slecht en bevrozene aardappelen om dat men geen dag huren wil geven om de Aardappelen in tijds te roden.
Men laat de kinderen koude lijden om dat men in tijds geen geld wil besteden om turf te koopen of zelfs te laten graven.


Men bekomt hiervan deze resultaten dat men in plaats van eenige centen meer te besteeden tot het bekomen van eene goede voeding guldens moet uitgeven voor medicijnen voor de Zieken

Dat men in plaats van sterke en voor het werk geschikte Jongens op te voeden honderden vroegtijdig ten grave moet bestellen, en anderen in ziekte en zwakheid moet zien omdolen en dat men in plaats van eenige daghuren te besteden om het verbouw in te oogsten, of turf te graven duizenden moet besteden om het te kort aan te koopen.

Ik zal hiermede dit mijn berigt sluiten in de hoop dat het zal strekken tot verbetering van het Lot der wezen en ook der Bedelaars Kolonisten van het 3e en 2e Gestigt te veenhuizen, en daar ik mij overtuigd houde dat UWEdn evenzeer als ik onbeschroomd voor de waarheid zult uitkomen twijfel ik niet of dit ons werk zal het Lot der kolonisten ten goede beslissen.

De Burgemeester van de stad Norg
get.Tonckens

Zo kan die wel weer. De door Tonckens gemaakte en hier bedoelde staat is bijlage C. Voor de andere bijlage, het alternatieve rapport van J.A. Sluis en de reactie van de Matschappij, zie onderaan deze pagina of op de overzichtspagina Geneeskunde.