Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





15 april 1829: Twee reacties op het koloniale brood

Op 15 april 1829 zijn er twee reacties op het rondgezonden koloniale brood. Een P.s.-je bij een brief van de uitvinder van het aardappelbrood Johannes van den Bosch, invnr 96:

P.S. Ik neem de vrijheid nog met een woord te doen observeren, dat, in het mij laatstgezondene halve brood, eenige stukjes schil van aardappelen, en zelfs ook een stukje aardappel, met de  schil omkleed, ter grootte van een kleine noot, door mij gevonden zijn.

Waarschijnlijk is dit i.a.(?) toevalligs, of als het gevolg van min omzigtige behandeling bij de bewerking aan te merken: intusschen kan, naar mijn inzien, ter voorkoming van alle vooroordeel, waarvan de kolonisten welligt evenwel niet zullen zijn vrijtepleiten, tegen dergelijk ongeval niet genoeg gewaakt worden.
J. vd B.

En een uitgebreid scheikundig rapport van lector Beets uit Haarlem aan de permanente commissie, invnr 96 scans 570 en verder. Uit de samenvatting op het rapport blijkt dat de permanente commissie dit rapport bespreekt op 19 mei 1829 bij agendapunt 5 en dat zij op 21 mei een bedankje aan de lector stuurt.


Haarlem, 15 april 1829

Het spijt mij, dat ik al niet eerder U Edelen missiven van 18 Januarij en 17 Maart heb kunnen beantwoorden.
Onderscheidene beletzelen hebben mij in het onderzoek, hetwelk daartoe moest voorafgaan, gedurig verhinderd, en nu heeft het mij in de laatste dagen nog weder aan tijd ontbroken, om U Edelen het resultaat mijner bevinding mede te delen, waartoe ik evenwel thans opzettelijke eenige oogenblikken wil besteden.

Alhoewel ik mij tevoren nimmer met eenen analijze van brood bepaaldelijk had bezig gehouden, meende ik evenwel genoegzame grond te hebben, te kunnen vermelden, gelijk mij dan ook bij het onderzoek van het mij toegezondene koloniale brood proefondervindelijk gebleken is, dat men omtrent de eigenlijke voedzaamheid van eenig brood, door scheikundig onderzoek, weinig kan te weten komen.

Is men in staat langs scheikundige wegen het meel onzer graansoorten, zoowel als de geheele zelfstandigheid onzer aardappelen in derzelver zamenstellende deelen naauwkeurig te leren kennen, en zodoende als onderscheidene verhouding der meest voedende stoffen bij elk dier verschillende ligchamen op te sporen:- reeds wanneer het meel met water tot een deeg gevormd is, laat zich de scheiding in derzelfs buiten deelen niet meer volkomen verrigten; nog minder wanneer dit deeg gebakken is, en het allerminst wanneer men hetzelve aan eene gisting heeft onderworpen, zoodat men door een analijze van brood, tot de kennis van derzelfs voedende deelen in het bijzonder niet geraken kan: gelijk men die evenmin van in eenig brood verwerkte en verbakkene aardappelen kan te weten komen.

Trouwens dit is ook geen vereischte om over de voedzaamheid van eenig brood,afgeleid uit derzelfs bestanddelen te kunnen oordeelen: daar men toch uit de kennis aangaande de scheikundige zamenstelling van het meel onzer graansoorten, en daaronder met name dat van dat der rogge, vergeleken met de bekende zamenstelling onzer aardappelen, reeds gemakkelijk a priori het besluit zal kunnen opmaken, dat het brood uit de eerste gebakken, dan hetwelk voor een gedeelte uit de laatste is zamengesteld, in wezenlijk voedende stoffen ver zal moeten overtreffen.

In het algemeen kent men eene bijzonder voedende kracht toe aan die plantaardige bestanddelen, welke in derzelver natuur en zamenstelling de dierlijke stoffen het meest nabij komen, en als zoodanig, heeft het plantenlijm (gluten) gelijk bekend is, eene hooge waarde.

Van dit plantenlijm is in de rogge een gedeelte voorhanden, terwijl het in de aardappelen niet wordt aangetroffen, en zoo is dan reeds het besluit ligtelijk op te maken, dat de aardappelen minder voedende dan de rogge wezen moeten, en dat het brood voor een grooter of kleinder deel uit aardappelen zamengesteld, eenen in evenreedigheid geringere voedzame kracht, dan wanneer het geheel uit rogge vervaardigd is, bezitten moet.

Het is waar, hoezeer de aardappelen geen eigenlijk plantenlijm (gluten) in derzelver zamenstelling bevatten mogen, het is uit de proeven van meer dan eenen scheikundige gebleken, dat zij eene zelfstandigheid (eiwitstof) bezitten, welke het genoemd plantenlijm, scheikundig beschouwd, dier gelijkvormig is: - maar al is het ook dat plantenlijm en eiwitstof, ten gevolge dier overeenkomst, ook in de voedende kracht elkander mogen evenaren, dan is de verhouding van het meest voedend bestanddeel bij de aardappelen in vergelijking tot de rogge, (die, behalve het gluten, ook zelve nog een deel eiwitstof in deszelfs zamenstelling heeft) met opzigt tot de overige zamenstellende deelen veel geringer, zoodat in alle gevallen, uit dit oogpunt beschouwd, aan de rogge eene veel meer voedende kracht dan aan de aardappelen is toe te schrijven.

Hoezeer nu evenwel deze gevolgtrekking zich grondt op eene gezonde theorie, de ondervinding schijnt te pleiten voor eenen meerder voedende kracht in de aardappelen als men, naar derzelver, scheikundige zamenstelling te oordeelen, wel aan dezelve zoude moeten toekennen:-

want, hoezeer sommigen, wel hebben willen beweren, dat de aardappelen alleen te houden zijn voor eene de maag vullende zelfstandigheid, die slechts den prikkel van den honger stilt; maar aan het ligchaam geen eigenlijk gezegd voedsel zoude mededeelen; de ondervinding heeft jarenlang geleerd, dat een buitengewoon aantal monniken, welke voor het grootste gedeelte van het jaar, zoo niet altijd, als bij aardappelen leven, door dezelve volkomen wel gevoed worden of althans, door een zeer gezond en dikwerf sterk voorkomen daarvan een onwedersprekelijk bewijs schijnen op te leveren.

Dit bewijs zal in alle gevallen, in de zaak in questie, als geldend moeten worden beschouwd en zoo zal ook de meer of mindere voedzaamheid van brood, waarvan het deeg voor een gedeelte uit aardappelen is zamengesteld, het voldingendst kunnen blijken uit de meer of minder voordeeligen invloed in dit opzigt op de gezondheid der zoodanigen, wien hetzelve, niet slegts voor eenen kortere tijd, maar min of meer langdurig tot een voornaam gedeelte van hun dagelijks voedsel heeft verstrekt;

en het is dus inzonderheid in de kolonien aan U Edelen zorg en bestuur toevertrouwd, dat de ondervinding het overtuigendst zal kunnen leeren, of het gedachte brood een duurzaam en gezond voedsel zal kunnen opleveren, zigtbaar in den ligchamelijken welvaart der gebruikers, waarvan gelijk nu van den Wel Edelgestrenge Heer van Riemsdijk meene vernomen te hebben, bij de kolonisten aanvankelijk de gunstigste bewijzen zijn.

Dat er gegronde hoop bestaat dat ook voor het vervolg de weldadige strekking van het koloniale brood meer en meer zal mogen bevestigd worden, meen ik uit de goede bewerking welke het brood in de kolonien volgens mijne bevinding ondergaat, te kunnen afleiden.

In de zelfstandigheid, waaruit eenig brood moet gebakken worden, mogen de voedende stoffen in meerdere of mindere overvloed aanwezig zijn, of er moge omtrent de eigenlijke voedingskracht der onderscheidene zamenstellende deelen van het brood verschil wezen: zeker is het, dat de deugdzaamheid van eenig brood met derzelfs bereiding in het naauwst verband staat: aangezien daarbij de onderscheidene bestanddelen der stoffen, welke het brood moeten zamenstellen juist die scheikundige vereeniging en verbinding met elkaar ondergaan, waardoor het brood eigenlijk gezegd een ligt verteerbaar en gezond voedsel moet worden.

In het door mij onderzogte koloniale brood is mij de verlangde scheikundige vereeniging der onderscheidene plantaardige bestanddelen volkomen gebleken; want gelijk het onderzoek van gekookte aardappelen reeds vroeger gebeurd had, dat in dezelve het eiwit, de vezel en het zetmeel onderling naauwkeurig vereenigd zijn, en te zamen eene homogene zelfstandigheid opleveren, waardoor de aardappel deszelfs ligtere verteerbaarheid bekomt;- heb ik evenzeer mogen waarnemen dat in het brood, zamengesteld uit 1 mud rogge met 2 en ook 3 mudden aardappelen, over het algemeen, de volkomenste vereeniging tusschen de onderscheidene bestanddelen, zoo wel die der rogge als der aardappelen plaats heeft, en er geene bijzondere aanwezigheid van afzonderlijke vezelstof van de aardappelen in het brood te ontdekken is:

zoo dat men veronderstellen mag, dat bij de bereiding van het brood, ten aanzien van de aardappelen, eene dergelijke vereeniging en verbinding van bestanddelen plaatsvindt, als bij derzelver werking wordt waargenomen en welke evenzeer overeenstemt met die scheikundige bewerking welke het graan bij de broodbereiding ondergaat, waarbij het plantenlijm en ook het eiwit met het zetmeel eene innige verbinding onderworpen zijn, en waarin juist het verteerbare en voedende van het brood voornamelijk mede moet gezogt worden in voor zoo veel de rog, wegens de geringe hoeveelheid plantenlijm, die dezelve in vergelijking tot de tarwe bevat, een kleverig en minder volkomen brood, dan laatstgenoemde graansoort oplevert:

zoude het zich laten vermoeden dat brood, voor grooter ef kleinder gedeelte uit aardappelen vervaardigd, welke in het geheel geen plantenlijm en slechts een kleine hoeveelheid eiwitstof bevatten, niet gunstiger moest uitvallen, en ondertusschen komt het mij voor, dat het koloniale brood in dit opzigt voor gewoon roggebrod geentzints behoeft onder te doen: zoo dat bij nog minder aanwezigheid van gluten of plantenlijm, als de rogge oorspronkelijk bezit, de eigenschappen van een goed brood niet in dezelfde evenredigheid schijnen af te nemen.

Het is eindelijk bekend dat de rogge, wegens de veele slijmstof (plantenslijm) welke dezelve bevat veel water, boven de tarwe, opneemt, en dat uit dien hoofde, van dezelfde hoeveelheid tarwe-en roggemeel, uit het laatste meer ponden brood kunnen gebakken worden.

De aardappelen, ook wel plantenslijm, maar ook alweder in minder hoeveelheid dan de rogge bevattende, moet gevolglijk het brood, waarvan het deeg, voor een grooter of kleinder gedeelte uit aardappelen is zamengesteld, minder hoeveelheid water in zich opnemen en alzoo uit gezegd deeg, in vergelijking tot dat van zuiver rog minder ponden brood verkregen worden.

Zonder nu te kunnen beslissen, (hetgeen meermalen is gevraagd geworden) of het gebonden water, hetwelk het gewigt van het brood vermeerderd ook het zijne toebrengt tot vermeerdering van deszelfs voedende kracht; zeker is het dat, zoo wel uit de mij gedane opgave van de ponden broods, welke 1 mud rogge en 3 mud aardappelen in de koloniale bakkerijen opleveren, als uit mijn eigen onderzoek op dat brood zelve, schijnt te blijken, dat het koloniale brood meer gebonden water bevat, dan men a priori zoude vermoeden, en dat, bij de vermenging van rogge en aardappelen de hoeveelheid water welke in het daarvan te verkrijgen brood wordt opgenomen, niet in dezelfde veelen, dat er aardappelen bijgevoegd worden, afneemt.

Uit alles wat door mij gezegd is, zal dit resultaat zijn op te maken dat het koloniale brood uit rogge en aardappelen zamengesteld, op de eigenschappen van een goed bewerkt, en met opzigt tot deszelfs zamenstellende deelen innig en volkomen vereenigd, brood alle aanspraak heeft, en als zoodanig, vergeleken met gewoon roggebrood, zooals gewoonlijk door den gemeenen man wordt gegeten, voor dit niet behoeft onder te doen: terwijl door geen scheikundig onderzoek (althans mij is daartoe de weg niet bekend) tot de ware kennis van deszelfs voedende deelen in het bijzonder te geraken is, evenals men die, bij gewoon roggebrood, niet met zekerheid kan te weten komen.

Dan waar de deugdzaamheid van eenig brood, als zoodanig, de voedende eigenschap, van deszelfs zamenstellende deelen aanmerkelijk vermeerdert, en daarin voor namelijk het gezonde en versterkende van voedsel moet gelegt worden, is het dan ook niet anders te verwachten of het koloniale brood zal, van de zijde van deszelfs deugdzaamheid, al dat voedende aanbrengen, wat men te dezen zoude kunnen verlangen: terwijl deszelfs wezenlijke voedende strekking op den duur bij de ondervinding zal moeten blijken.

In de hoop van met deze mededeling eenigermate aan U Edelen verlangen voldaan te hebben, betuige ik met de meeste gevoelens van hoogachting mij te noemen.

Weledele Heeren! Uw Weledele onderdanige Dienaar,
M.V.Beets.