Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





De permanente commissie laat 3 maart 1829 weten dat ze het helemaal gehad hebben met 'dien burgemeester', dus Johannes Tonckens


Op 2 maaart 1829 reageert de permanente commissie in een brief met nummer N178 op het aandringen door Binnenlandse Zaken op 17 februari, zie hier. Ze geeft eerst de actuele situatie, die hoop geeft 'dat het kwaad nu spoedig geheel zal overwonnen zijn'.
Dan reageert zij op de brief van burgemeester Tonckens van Norg over gebrek aan turf, slechte verwarming en bevroren aardappelen van 31 januari, en maken duidelijk dat zij het met 'dien burgemeester' helemaal gehad hebben.


Wij hebben de eer UWHEGs Missive van den 17 der vorige maand N42 met de daarbij gevoegde stukken te ontvangen, welke laatste wij UWHEG hiernevens terug zenden.

Wij hebben daaruit met veel leedwezen gezien onze vrees, die wij reeds lang gevoed hadden, voor den nadeeligen indruk welken de grootere ziekte en sterfte, die de bevolking van het 3e Gesticht te Veenhuizen in de laatste maanden getroffen hebben, hier en daar moesten maken.

Intusschen kunnen wij geenszins toestemmen, dat die noodlottige omstandigheden voor de Maatschappij als nog zouden voortduren. Het getal zieken, ja, is tot den 31 Januarij aldaar wel nog tot 85 geklommen, maar echter op den 11 Februarij weder tot 74 verminderd, waaronder zich dan nog 22 bevonden, die aan ligte uitwendige gebreken leden, terwijl de overige ziekten van zeer verschillenden aard zijn en het meerdere getal zieken niet vreemd is in een jaargetijde, waarin overal het getal zieken het gewone te boven gaat.

De sterfte, echter, is daarentegen stellig en grootelijks verminderd, zijnde er tot den 23e in de vorige maand niet meer dan twee personen gestorven, hetgeen dus zoo wel den ligteren aard, als eene meer gelukkige genezing der ziekten volkomen schijnt te bevestigen, de zaak niet meer verontrustend doet zijn en zelfs de hoop heeft doen geboren worden, dat het kwaad nu spoedig geheel zal overwonnen zijn.

Ons innig leedwezen over deze ramp is intusschen nog vermeerderd geworden bij de lezing van den brief des Heeren Burgemeesters van Norgh, als wiens vooringenomenheid tegen de Maatschappij of derzelver Bestuur, welke wij UWHEG reeds bij eene vorige gelegenheid hebben doen opmerken en waarvan die brief op nieuws de blijken draagt, daarin zoo veel voedsel schijnt te vinden.

Wij moeten UWHEG onder de aandacht brengen, dat wij dien Burgemeester, in weerwil zijner vorige hatelijke uitdrukkingen, aangaande de verpleging der kinderen, welke door den Heer President der Geneeskundige Kommissie zoo volledig zijn wedersproken geworden, alle toegang tot de Gestichten verleend en inlichtingen gegeven hebben, als slechts konden worden verlangd om met den staat der ziekte in het 3e Gesticht ten volle bekend te zijn en te blijven.

Dat wij ook ten allen tijde volkomen gezind zijn, om den genen, welke ingevolge art 17 van het Kontrakt van 1 Maart 1823 speciaal mogt worden belast, om, ten aanzien der geheele verpleging en behandeling van de daarbij overgenomene bevolkingen, het noodig onderzoek in loco te doen, daartoe de vrije toegang in de Gestichten te verleenen en alle inlichtingen te geven; maar dat wij des Burgemeesters bevoegdheid, om zich met zaken van het algemeen beheer der KoloniŽn in te laten, op zulk eene onheusche en partijdige wijze, als nu wederom is gebleken, geenszins kunnen erkennen en mitsdien zijne op nieuws ingebragte bezwaren met stilzwijgen zouden moeten voorbijgaan.

Wij willen UWHEG echter, ter bevestiging van hetgeen wij omtrent den kwaden geest des Heeren Burgemeesters ten aanzien der aangelegenheden van de Maats: beweren, mededeelen, wat er van die bezwaren dan eigenlijk is.

Het is eene waarheid dat de aangevoerde voorraad van turf in dezen, zoo gestrengen als lang durigen winter niet toereikende is bevonden, waarmede wij reeds lang bekend zij geweest,- en dat zal niet vreemd voorkomen, wanneer men in het oog houdt, dat de zoo buitengewoon natte nazomer het drogen van de turf verhinderd heeft.

Van de, in meer dan genoegzame hoeveelheid, gestoken turf is dus slechts een gedeelte droog geworden en het overige in de veenen blijven staan, in de steeds gevoede, maar niet bevestigde, hoop, dat een droog najaar denzelve nog bruikbaar zoude maken.-

Het is echter eene stellige onwaarheid, dat het daardoor, ook slechts een enkelen dag, aan genoegzame verwarming in de zalen zou ontbroken hebben, hetgeen de Burgemeester dan ook wel niet zegt, maar niettemin wil gedacht hebben; daar in de behoefte aan brandstoffen tijdig is voorzien geworden door de aankoop en aanvoer van zeer goede turf van Norgh en Haulerwijk.

Dat de kagchels in de met zoo vele menschen bevolkte zalen te klein zouden zijn is eene even ongegronde aanmerking, ofschoon wij allen, bij eigene ondervinding, weten, hoe moeijelijk het in die felle koude, welke slechts weinige dagen heeft aangehouden, geweest is, om het op eene aangename warmte te stoken.

Wij moeten hier tevens opmerken, dat de Heer Sassen ons de nuttigheid voorgesteld hebbende, om de kagchels in de kinder zalen op breede ijzere platen te doen stellen zoodanig, dat de kinderen beurtelings gemakkelijk de voeten konden verwarmen, daar aan dan ook ten eerste is voldaan.

Het is, wijders, mogelijk (ofschoon wij er tot heden geen kennis van dragen) dat, even als dit in alle steden en plaatsen bij velen uit de burger- en mindere klasse heeft plaats gehad, er eenige aardappelen door de sterke vorst zijn bevroren geraakt, al ware het slechts door het, bij zulk eene groote bevolking en consumtie, onvermijdelijk transport van dezelven uit de bewaarplaatsen naar het Gesticht geweest, maar het is tevens eene bekende waarheid, dat, alhoewel de aardappel daardoor minder smakelijk wordt en bij opvolgende dooi aan eene spoedige verrotting onderhevig is, echter geheel onschadelijk voor de gezondheid is zoo lang de verrotting nog geen plaats heeft, veel minder zoo lang hij nog niet ontdooid is;

hebbende wij dan ook, noch over de aardappelen, noch over de verwarming van de zalen van den Doktor der Gestichten of van den President der Geneeskundige Kommissie eenige klagte bekomen;

maar integendeel, bij een bepaald onderzoek, de stelligste verzekering ontvangen, dat het den Kolonisten in de bijna afgeloopen winter aan niets heeft ontbroken en de algemeene tevredenheid onder dezelve dan ook nimmer zoo groot is geweest.

Wij eindigen met de betuiging, dat de bezoeken en onderzoekingen van gemelde President ons steeds aangenaam zullen zijn en zelfs, naar ons verlangen, niet genoeg kunnen vermenigvuldigd worden;

maar wij moeten daarentegen de bevoegdheid van den Heer Burgemeester van Norgh, om zich met de zaken van het beheer der KoloniŽn in te laten, ontkennen, en zullen ons dit dan ook niet verder laten welgevallen.-

De Permanente Kommissie van Weldadigheid
Namens Dezelve