Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





26 februari 1829: Slecht brood en ondoelmatige water-maatregelen


Van 26 februari 1829 zijn twee brieven: het ministerie stuurt de rapporten (zie hier) over het koloniale brood door. Volgens hen blijkt daaruit de 'voor de gezondheid schadelijke gebreken' van dat brood, invnr 95. De permanente commissie heeft op de brief genoteerd dat zij er 5 maart 1829 met briefnummer N190 op antwoordt en dat er 21 maart 1829 onder agendapunt N5 weer over gesproken is:


ís Gravenhage, den 26 Februarij 1829.

Ik haaste mij, bij deze, aan UwelEdele te doen geworden een bij mij, van den Heer Staatsraad Gouverneur der Provincie Drenthe, ontvangen verslag en bijlagen, over de voor de gezondheid schadelijke gebreken, welke bevonden zijn aan het in het 2e Gesticht te Veenhuizen gebakken wordende brood, hetwelk ook tot voeding der bevolking van het 3e Gesticht schijnt te moeten verstrekken.

Ik verzoek UwelEdele ten spoedigsten deswegens het vereischte onderzoek, naar de oorzaken hiervan, te doen plaats hebben en de noodige maatregelen te doen nemen, teneinde alle aanleiding tot klagten ten aanzien van zulk hoogstgewigtig onderwerp, dadelijk en voor het vervolg voorgekomen worde; zullende het mij aangenaam zijn, door UwelEdele van den uitslag daarvan te worden onderrigt, onder terugzending der hierbij gevoegde stukken.

De Administrateur voor de Gevangenissen en het Armwezen,
Priviaire.

De 'Fungerend Hoofd Ingenieur van den Waterstaat' in Drenthe geeft diezelfde 26 februari 1829 zijn mening over de maatregelen die de directie te Veenhuizen genomen heeft voor het water rondom het derde gesticht. Het is hem 'niet zoo doelmatig voorgekomen', als zijn voorstellen van 16 december 1828, zie hier. De genoemde bijgevoegde tekening is er niet en met 'slooden' bedoelt hij slooten:


Assen den 26 Februari 1829

Het behaagde UHoogEdelGestrenge bij besluit van den 17e dezer N. 1 in mijne handen te stellen een verslag der Permanente Kommissie van Weldadigheid en bijgevoegd kaartje van het derde gesticht der Kolonie Veenhuizen, ten einde te berigten of de genomen maatregelen voldoende zijn, of wat ten dien aanzien verder zoude behooren te worden verzorgd.-

Ten dien einde heb ik mij begeven naar gemeld gesticht, en zal de eer hebben UHoogEdelGestrenge van mijne bevindingen rapport te doen.-

Vooreerst komt dan in aanmerking het leggen der beide dammen A en B waarvan in het verslag gesproken wordt en waarbij, volgens opgaaf van den Heer Adjunct Directeur, nog het voornemen zijn zoude, boven die dammen in den wal naar het gesticht, te leggen twee duikers om de slooten buiten en binnen het gebouw uit het kanaal vol te zetten, en vervuild zijnde, door de westelijke duiker onder de Ingang van het gesticht naar het afgedamde gedeelte van het kanaal te doen afloopen.-

Deze inrigting tot verversching van water is mij niet zoo doelmatig voorgekomen, als die bij mijne missive van den 16 December ll. voorgesteld, waarbij het kanaal niet behoefde afgedamt te worden.

Het water zoude namentlijk door twee duikers met schuiven voorzien, aan de west kant van het gesticht en op de kaart met roode stippen aangewezen, worden ingelaten, en door eene genoegzaam wijde grond pomp beneden de overval, mede aldaar met roode stippen aangeduid, en insgelijks met eene schuif voorzien, worden afgelaten.
Dit had boven het nu reeds gedeeltelijk uitgevoerde plan de voordeelen:

1e Dat de beide dammen op de hierbij teruggaande kaart door zwarte lijnen bij A en B aangewezen, niet nodig waren geweest, en men dus de vrije kommunicatie met schuiten om het gesticht niet hadde behoeven te beletten.-

2e Dat dus ook het water in het kanaal om het gesticht niet lager behoefde afgetapt te worden en daarom vooral bij den zomer, frisscher zoude zijn dan hetzelve op eenen zoo lagen stand te houden.-

3e Dat de westelijke duiker onder door de ingang van het gesticht, die thans buiten werking scheen, welligt niet de noodige ruimte heeft om het water spoedig te kunnen ververschen, en gewis met minder verval dan men hebben zoude bij de geprojecteerde grondpomp, nabij de overval, die aanstonds zoude afstroomen op het lage beneden pand, en door welke, en door de door mij voorgestelde duikers tot inlating van het bovenwater, die verversching naar mijn inzien beter en zonder eenig ongeryf  zoude  verzekerd zijn.-

Wat belangd het slegten van het hoogerliggende binnenplein, dit was niet voor mij, maar waarschijnlijk door de geneesheeren voorgesteld, ten einde beter toegang van lucht te verkrijgen.

Voor de afwatering was deze slegting niet nodig, als kunnende die door de dit plein omringende binnenslood, mits, zoo als de andere slooden, behoorlijk opgeruimd, zeer gevoegelijk plaats hebben.-

Met de verbetering der aardewerken door mij bij meergemelde missive van den 16 December voorgesteld en die voornamentlijk zouden bestaan in het zooveel nodig verdiepen en verwijden der slooden binnen en buiten het gebouw naar de slooden en daarbij de zwarte en andere ongeschikte grond door zuider(?) grofzand te vervangen, en eindelijk het opruimen der buiten het gebouw hier en daar liggende aardwallen;- met alle deze aardwerken kan uit hoofde van den spoedig ingevallen en langdurige vorst, nog niet worden begonnen.

De Fungerend Hoofd Ingenieur van den Waterstaat
(getekend) P. T. Grinevis(?)

voor Kopij Conform
Het Lid der Gedeputeerde Staten belast met de functien van Griffier
Bij deszelfs afwezigheid
(getekend) van Dunne|

Voor eensluidend afschrift
De Secretaris Generaal bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken

Directeur Visser reageert eind maart op de opmerkingen van Waterstaat.