Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





18 februari 1829: Burgemeester Tonckens van Norg begint zijn brood-offensief


Op 18 februari 1829 stuurt burgemeester Tonckens van Norg een brief aan de gouverneur van Drenthe met daarbij verslagen van zijn inspecties van het koloniale brood in Veenhuizen op 16 en 17 februari. Hij stuurt ook een verzegeld en ingepakt brood mee. Invnr 95 (de brieven, niet het brood):


Westervelde, den 18 Februarij 1829.

Vermits mij het gerucht ter ooren was gekomen dat er in de Kolonie Veenhuizen ongaar of slecht gebakken brood aan de Kolonisten en Weezen gelijk mede aan de Veteranen huisgezinnen door de Maatschappij van Weldadigheid verstrekt wierde, heb ik mij vergezeld van de beide Assessoren derwaarts begeven, om overeenkomstig art 55 van het Reglement op het Bestuur ten platte lande in de Provincie Drenthe, daarna onderzoek te doen.

Van onze bevinding daar hebben wij proces verbaal opgemaakt, welke ik de eer heb, bij afschrift hiernevens aan UExc te doen geworden.

Uit dat van de 16e dezer zal UExc ontwaren, dat wij aan het tweede Gesticht bevonden hebben, dat het daar gebakken brood op verre na niet gaar door ons bevonden ia.

Bij eene herhaalde inspectie op den 17e dezer, hebben wij die Bakkerij mede aangedaan, en ofschoon het brood reeds merkelijk gaarder, als de vorige dag, door ons aldaar is bevonden, hebben wij  beschouwd, dat het niet genoegzaam doorbakken was om zoo dadelijk te kunnen worden gebruikt, en daar er het derde Gesticht, hetwelk uit de Bakkerij van het 2e Gesticht het brood voor dat gesticht benoodigd ontvangt, volstrekt geen brood aanwezig was, en dit nieuw gebakken brood dus dadelijk moeste worden geconsumeerd, hebben wij door den Onder-Direkteur van dat Gesticht ons een van die brooden doen inpakken en verzegelen, op dat deswegens een onderzoek konde plaatshebben.

Ik heb vermeend om dit brood, zoo als het verzegeld is, aan UwExc te moeten toezenden, teneinde hetzelve door deskundigen worde onderzocht of hetzelve al of niet gezegd moet worden goed en gaar te zijn gebakken, en of het dan zijn gewigt van vijf Nederl. ponden zoude behouden, ten welken einde dus het brood hiernevens gaat.

De Burgemeester van Norg
(get.) J.Tonckens

Voor kopie conform, het Lid der Gedeputeerde Staten belast met de functie van griffier, bij deszelfs afwezigheid,
(Geteekend) van Dunne

Behalve dat brood is bijgevoegd het verslag van de door burgemeester Tonckens op 16 februari gehouden inspectie van het brood in Veenhuizen:


Op heden den zestiende februarij achttien honderd negen en twintig heb ik ondergeteekende hr. Johannes Tonckens, Burgemeester der gemeente Norg, mij vergezeld van de beide Assessoren met name Albert Scholtens en Willem Schuiling, begeven naar de Kolonie Veenhuizen, teneinde overeenkomstig Art 55 van het Reglement op het Bestuur ten platte lande, in de Provincie Drenthe vastgesteld bij ’s Konings Besluit van den 23 July 1825, N132, onderzoek te doen omtrent de hoedanigheid en het gewigt des broods.

Bij het eerste Gesticht te Veenhuizen, de Bakkerij gelijk mede de winkel van de Maatschappij aldaar onderzocht hebbende, hebben wij in beide brood gevonden, zamen gesteld volgens opgave van den Bakker van het Gesticht uit rogge en aardappelen, in dezer verhouding dat één mud rogge wordt genomen tegen drie mudden aardappelen.

Bij onderzoek van dit Brood gebleek het ons, dat hetzelve goed doorgewerkt was vermits men er geen aardappelen in konden ontdekken en dat het goed gaar was gebakken.

In de Bakkerij was eene genoegzame voorraad van brood aanwezig en bij het onderzoek naar het gewigt met onderscheidene broden genomen, is het ons gebleken, dat ze op vijf Nederlandsche ponden alle goed doorslag konden houden, volgens opgave van den Bakker wierdt dit Brood door de Maatschappij van Weldadigheid altijd voor de vastgestelde prijs van vijf cents het Nederlandsche pond aan hare onderhorigen afgeleverd.

Vervolgens aan het tweede gesticht der Maatschappij van Weldadigheid een gelijk onderzoek hebbende gedaan, hebben wij het brood in de Bakkerij aldaar aanwezig bezigtigd en gewogen, bij dit onderzoek hebben wij bevonden, dat het brood, hetwelk tegenwoordig alleen van rogge gebakken wordt, zeer kleems en week en naauwelijks half gaar gebakken was, zoo dat het ons voorkwam, dat het zoo versch als het nu was, niet eetbaar was.

Ook hebben wij bij naweging bevonden dat de broden op vijf nederl. ponden die ze zwaar moesten zijn geen doorslag konden houden, aan de Bakker des Gestichts gevraagd hebbende om ons ander brood te vertoonen heeft hij te kennen gegeven dat zij niet in voorraad konden bakken, en dat zij slechts een brood hadden dat twee dagen oud was, hetwelk hij mede vertoonde. Ook zijn aan dit brood dezelfde gebreken ontdekt.

Hierna hebben wij ons naar het derde Gesticht begeven ten einde in het magazijn en winkel aldaar, het brood te bezigtigen; doch daar noch in het magazijn noch in den winkel eenig brood aanwezig was, en aan het derde Gestichte geene Bakkerij bestaat en het door dat gesticht gebruikt wordende brood in de bakkerij van het tweede gesticht wordt gebakken liep dit onderzoek voor deze keer vruchteloos af.

Bij eene bewoner aan het tweede, en zes aan het derde Gesticht, welke verlangt hadden als broodverkoopers te worden gepatenteerd een gelijk onderzoek hebbende gedaan, hebben wij bijna geen voorraad gevonden; het bij hun aanwezige was van vreemde Bakkers aangekocht, op de kwaliteit van dat brood viel geene bijzondere aanmerking.

Het brood van een aan het tweede Gesticht is op de schalen en het magazijn aldaar gewogen zijnde hetzelve van het vereischte gewigt  bevonden. Aangaande alle deze broodverkoopers is de opmerking gemaakt, dat zij zich van schalen en gewigten moesten voorzien.

En is hiervan dit proces verbaal opgemaakt op dag, maand en jaar voorschreven en door de Burgemeester en Assessoren voornoemd na voorlezing getekend.
(Geteekend) J.Tonckens, W. Schuiling, A. Scholtens.

Voor gelijkluidend afschrift, de Burgemeester van Norg, J.Tonckens

Voor kopie conform, het Lid der Gedeputeerde Staten belast met de functie van griffier, van Dunne.

En omdat ze bij het derde gesticht geen brood aangetroffen hebben is er ook bij gevoegd het verslag van de inspectie van het koloniale brood op de volgende dag, 17 februari 1829:


Op heden den zeventienden februarij achttienhonderd negen en twintig, hebben wij ondergeteekende Burgemeester en Assessoren van de Gemeente Norgh, ons begeven naar de Kolonie Veenhuizen, om overeenkomstig Art 55 van het Reglement  op het Bestuur ten platte lande in de Provincie Drenthe, vastgesteld bij s Konings Besluit van den 23 Julij 1825, N132, naar het aldaar aangebragt en gebakken wordende brood onderzoek te doen.

Bij het derde Gesticht van de Maatschappij van Weldadigheid aldaar aangekomen zijnde, vonden wij een wagen met onderscheidene soorten van roggen gemengd en tarwen brood namens de bakker Smit van de Smilde aldaar verkocht wordende, wij hebben dat brood onderzocht en bevonden dat hetzelve goed was, en dat het ook alles ruim het gewigt hadde, hetwelk het moeste hebben.

Ons daarop bij den winkelier van het Gesticht hebbende vervoegd heeft men ons daar weder berigt dat er op dat oogenblik geen brood aanwezig was, dat ze dezen dagen vijftig broden uit de bakkerij van het tweede Gesticht hadden verwacht; doch dat er slechts vijf en twintig gezonden waren, welke zij nu ook alle reeds weder hadden afgeleverd.

Ons doel ook hier wederom missende, hebben wij ons naar de bakkerij van het tweede gesticht begeven.

Wij hebben de daar aanwezige broden bezigtigd in tegenwoordigheid van den Onder Direkteur van dat Gesticht met name J.Kluvers, en bevonden dat het brood, hetwelk volgens opgave van den bakker op heden was uit dien oven genomen veel gaarder en beter gebakken was dan dat wat wij er den vorigen dag hadden aangetroffen.

Doch waarvan wij van gevoelen waren dat dit brood nog niet genoegzaam doorbakken was, te meer daar alles zoo dadelijk versch moet worden geconsumeerd, hebben wij een dezer  broden met voormelden Onder Direkteur naar zijne woning genomen, die hetzelve behoorlijk heeft ingepakt en met zijn cachet met rood lak verzegeld, waarop uitgedrukt staan de letters J.K. ten einde dit brood nader zoude kunnen worden onderzocht, zijnde dit brood alzoo ingepakt en verzegeld tot het bedoelde einde mede genomen.

En is hiervan dit proces verbaal opgemaakt en door de Burgemeester en Assessoren na voorlezing geteekend op dag maand en jaar als boven.
(was geteekend) J.Tonckens, W.Schuiling, A. Scholtens.

Voor gelijkluidend afschrift, de Burgemeester van Norgh,
(Get) J.Tonckens

Voor kopie conform, het Lid der Gedeputeerde Staten, belast met de functien van griffier,
Bij afwezigheid van denzelven,
(Get) van Dunne

De gouverneur stuurt meteen het brood door naar de burgemeester van Assen die het door deskundigen laat keuren.