Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





De crisis rond de gezondheid in het derde gesticht Veenhuizen in 1829

Op 31 januari 1829 schrijft burgemeester Tonckens aan de gouverneur van Drenthe dat hij bij zijn bezoek aan Veenhuizen niet alle gewenste inlichtingen kreeg, dat er gebrek aan turf was, dat de zalen niet warm waren en dat de aardappelen waren bevroren. Invnr 95. De brief wordt gekopieerd en bereikt de permanente commissie via Binnenlandse Zaken pas in februari.

Westervelde, den 31 Januarij 1829

Ik heb de eer Uwe Excellencie hiernevens terug te zenden, de beide weekstaten van de zieken in de Gestichten te Veenhuizen van den 3-10, en van 11-17 Januarij 1829, vermeerderd met de aanteekening der bevolking van ieder Gesticht voor zoo verrre die tot deze Staten betrekking heeft, aan mij toegezonden bij besluit van den 2e dezer N5.

 Terwijl ik verder hiernevens voege, het ziekenrapport van de drie Gestichten te Veenhuizen, van den 17 tot en met den 24 Januarij en van den 25 tot en met den 31 Januarij.

De bevolking van de Gestichten was aan den Heer Doktor Sasse onbekend, en die welke in de staten is ingevuld, is overeenkomstig eene opgave door de Direktie aan mij gedaan, bij eene inspektie van de Gestichten waarvan ik rapport heb uitgebragt bij mijne missive van den 30 November 1828, N232.

Ik ben niet in staat om eene nadere opgave van de sterkte der bevolking aan die gestichten te kunnen doen, vermits ik bij eene bij monde daartoe gedane aanvraag van de Direktie van het eerste Gesticht tot antwoord heb bekomen, dat zij vanwegens de Permanente Kommissie de last hadden ontvangen, om alle soortgelijke inligtingen en opgaven, niet te doen, maar die gene welke deze mogten verlangen, aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te verwijzen.

En daar Uwe ExcellenCie mij bij besluit van den 5 dezer 1828, N18 heeft aanbevolen, om zoo veel noodig bij het inzenden dezer Staten mijne opmerkingen en consideratiën te moeten mededeelen, kan ik niet nalaten bij deze te berigten dat ik op zaturdag den 24 dezer, naar de Kolonien Veenhuizen heb begeven, op het gerucht dat aldaar aan het 2e en 3e Gesticht in die felle koude van den 23 volstrekt geen voorraad van brandstof aanwezig was, teneinde naar een en ander onderzoek te doen, en ik heb bij die gelegenheid aan het 2e Gesticht te Veenhuizen ontdekt, dat er volstrekt geen voorraad van turf bij dat Gesticht aanwezig was, dan alleen hetgeen nog op dien dag uit het veen met sleden en kruikarren over het ijs van de aldaar in ringen staande turf was aangebragt.

Het is te begrijpen hoe ongeschikt zoodanig turf is, welke wegens de natheid niet in bulten heeft kunnen worden gebragt, om daarmede zulke groote zalen waarin de kolonisten aanwezig zijn, warm te stooken.

Het is mij daarenboven gebleken, dat de kleine kagchels waarvan er slechts één in ieder zaal is, geheel ontoereikend zijn om daarmede zulk een groot vertrek te verwarmen.

Ook kan ik niet nalaten te berigten, dat ik bij die inspektie gezien heb, dat de aardappelen welke de Bedelaars-Kolonisten toen bezig waren te schillen, geheel bevroren waren, en dat men toen nog bezig was, aardappelen van het 3e Gesticht naar het 2e op een wipkar te vervoeren, zonder anders dan met een linnen dek of zeil te zijn overdekt, en welke dus zoo ze niet reeds geheel bevroren waren, bij het overbrengen, moesten vervriezen.

De Burgemeester van Norg
(get) J.Tonckens.

Voor kopie conform.
Het Lid der Gedeputeerde Staten, belast met de functie van griffier,
van Dunne

Deze brief wordt door het ministerie doorgestuurd naar de permanente commissie op 17 februari 1829, zie hier, en door de permanente commissie beantwoord op 2 maart 1829, zie hier.