Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Januari 1829: Het komt de directeur voor dat 'men nog verre af is van het kwaad te zijn te boven gekomen'

Een van de gevolgen van de beroering is dat de directeur in zijn bijna dagelijkse brieven steeds rapporteert over de gezondheidstoestand in het derde gesticht. Al de navolgende fragmenten komen uit de ingekomen post, invnr 95. De eerste ia van 2 januari 1829:


Aangaande den staat der ziekte te Veenhuizen kan ik de Permanente Kommissie informeeren, dat het getal der stervende in de afgelopen maand P.M. 20, en dus merkelijk minder bedragen heeft dan in de maand november jl, doch dat het mij uit het verdere opgaven omtrent het getal der zieken voorkomt, men nog verre af is van het kwaad te zijn te boven gekomen; zoodra mogelijk, misschien reeds morgen, hoop ik de Perm. Komm. in een afzonderlijk en bij wijze van vertrouwelijk berigt, mijne gedagten over die zaak nader kennelijk te maken.

De volgende is van 10 januari 1829, temidden van een rapport over Veenhuizen dat verder op deze pagina staat:


1e de gezondheid, deze was in het 1e en 2e Etablissement als naar gewoonte gunstig; in het 3e daarentegen zijn nog veele zieken en zwakke kinderen, hoewel het getal der stervende blijft verminderen; zijnde van den 1e tot den 8e Jan. slegts twee overleden.

Daarna volgt 14 januari 1829. De in zulke brieven genoemde ziekterapporten behandel ik op een aparte pagina.


Nog is hier bijgevoegd een dezer dagen ontvangen rapport der ziekenzaal van het 3e Et. Veenhuizen, waaruit blijkt dat in de gepasseerde week 4 of tot den 8e Januarij reeds drie kinderen zijn overleeden in plaats van twee in deeze maand, zooals men mij had opgegeven, en ik dienovereenkomstig de P. K. gerapporteerd.

En tenslotte 20 januari 1829, waarin de directeur al een hint geeft over de groeiende controverse tussen de gestichtsarts Sasse en de provinciale arts Van der Sluis:


De Perm. Komm. heb ik de eer hiernevens te doen toekomen, eenen brief van den Hr de Geus en staat der kinderen in de ziekenzaal van het 3e Etablissement Veenh.

Uit een en ander blijkt dat de sterfte niet vermeerderd, maar ook den aard der ziekte niet verbeterd, daar toch het getal der zwakke en waterzugtige vermeerderd. Voorts schijnt uit dien brief te blijken dat de Heeren Sluis en Sassen niet meer eenstemmig over den aard der ziekte of liever de te volgen geneeswijze denken.