Naar het overzicht
van stukken over de CRISIS in 1829





Wat naar mijne gedachten zoude kunnen dienen tot betere afwatering en meerdere droogte, en gevolgelijk ook meerdere gezondheid voor de bewoners


De 'fungerende HoofdIngenieur van den Waterstaat' in Drenthe levert op 16 december 1828 een rapport in bij de gouverneur van de provincie met wat er zijns inziens moet gebeuren om de boel in het derde gesticht beter droog te houden. De door hem bijgevoegde kaart is helaas (nog) niet teruggevonden: Het rapport bevindt zich in invnr 95, zie de scan.


Het behaagde UHEdG mij bij besluit van den 12 dezer N23 te gelasten onderzoek te doen naar de ligging van het 3e Gesticht der kolonie van Weld. te Veenhuizen met betrekking tot binnenplaats en buitengronden benevens den staat van afwatering, en eindelijk naar alles wat uit hoofde van den stand des gebouws met de gezondheid der bewoners slechts eenigermate in verband kan staan.

Ter voldoening daaraan heb ik mij op gisteren den 15 dezer vergezeld van den Hr President der Geneeskundige Kommissie naar de kolonie begeven en alles onderzocht wat naar mijn inzien strekken konden om UHEdG met de vereischte duidelijkheid te kunnen berigten.

Ik zal trachten UwHedG met de ligging van het Gesticht en met de betrekkelijke hoogte bekend te maken. en voege ten dien einde hiernevens eene figuratieve kaart van de situatie met eene hoogtelijn, waarbij worden opgegeven de standen van onderscheidene daarbij in aanmerling komende objecten beneden het hoogst waargenomen punt van het terrein binnen den omtrek van het gebouw.

Daarna zal ik de eer hebben UwHEdG optegeven wat naar mijne gedachten zoude kunnen dienen tot betere afwatering en meerdere droogte, en gevolgelijk ook meerdere gezondheid voor de bewoners.

Dit derde gesticht is gelegen aan het einde van de daarhenen gegravene bevaarbaar kanaal komende uit het bovenhoofdvaartpand bij de Norgervaart.
Volgens informatie ruim 4 ellen daarbeneden, en door middel van enige schutten of vallaten daarmede gemeenschap hebbende. Nabij het gesticht strekt dit kanaal door het lager liggende veld, is aan de buitenzijden boven hetzelve opgestuwd en door middel van een overval op de kaart aangewezen van het binnenpand afgescheiden.

Het hooge terrein buiten het gebouw is van het muurwerk door een sloot, op enige ellen afstand van hetzelve, gesepareerd, en deze heeft door middel van twee duikers onder door de beide hoofdingangen van h??, gemeenschap met de buitensloot en het kanaal, op welk laatste. één derzelve onmiddellijk afwatert;

terwijl het water van het geheele terrein, begrepen binnen het evengemeld bevaarbaar kanaal, ’t welk het geheele gesticht omgeeft, volgens aanwijs van de directie zoude kunnen aflossen, door een grondpomp daaronderdoor, en nabij een der hoeven van het gebouw gelegen. -

Dewijl echter deze pomp niet zichtbaar was, en naar het aanmerkelijk verschil van water aan beide zijden te rekenen, buiten werking scheen, zoo is dezelve niet op de kaart aangewezen.

Door deze omschrijving en het beschouwen der kaart en bijgevoegde hoogtelijn, hoop ik van de ligging van het gesticht genoegzame opheldering te hebben gegeven. -

Men ziet daaruit dat het verval uit de benedenvloeren van het gebouw, of begane grond der zalen, tijdens mijne inspectie op de naastliggende slooten nog bedroeg 69 duim en op het kanaal 60 duim.

Het eerstgem. namelijk het verval op de slooten is uit hoofde der ongelijke diepte, waardoor dezelfde hier en daar droog liggen zeer verschillende.

Naar mij is voorgekomen, konde het afwaterend vermogen aanmerkelijk worden vermeerderd en gevolglijk meerdere droogte en zuiverheid van het gebouw worden daargesteld, waartoe ik de eer zal hebben UwHEdG de middelen voortedragen en welke zouden bestaan in:

1. De slooten binnen en buiten het gebouw door het kanaal omgeven tot eene grootere diepte en daaraan evenredige wijdte uit te graven.

2. Het terrein nevens de buitenmuren aan weerszijde van het gebouw tot wegen en voetpaden dienende, onder ene afwaterende helling naar de sloten af te graven, en alle de zwarte en ongeschikte grond zoo hier als aan de rijweg, waarmede men in het gesticht komt, en welke specie bij natte tijden in modder verkeert, te doen wegnemen, en door zuiver grof zand te vervangen.
De nog gedeeltelijke buiten het gebouw liggende hooge wallen konden dan tevens zoo veel noodig worden opgeruimd.

3. De beide duikers uit de binnensloot van het gebouw onder de hoofdingangen naar buiten gaande, zoo veel noodig te verlagen en te vernieuwen, inzonderheid de steenen duiker die op het kanaal afwaterd en daar van moet worden afgescheiden.

Voorts te leggen eene grondpomp van genoegzame wijdte, en met eene schuif voorzien, onder door het hoofdkanaal nabij de overval, op de kaart in het rood geteekend, waardoor de slooten binnen het gesticht tot gelijks de oppervlakte van het water in het binnenpand konden worden afgetapt; terwijl men door het leggen van twee duikers aan de andere zijde van het gebouw, op de kaart mede in het rood geteekend, en insgelijks met schuiven voorzien, gemelde slooten uit het boven pand zouden kunnen aanvullen, en op deze wijze konde dan zoo dikwijls noodig het vuile water worden afgelaten – de leedig geloopen slooten, die begerende(?) van ingeworpen vuilnis gezuiverd en daarna wederom met versch water uit het bovenkanaal worden volgezet.

De vrije doorstroming van lucht in de zalen, of door zogenaamde tuimelramen boven in de lichtkozijnen geplaatst (en die men naar verkiezing geheel of gedeeltelijk kan openen en sluiten) ook naar inzien van den Heer President der Geneeskundige Kommissie genoegzaam verzekerd.

Hiermede hoop ik naar mijn vermogen aan den last van UwHEdG te zullen hebbenvoldaan.

De fungerende HoofdIngenieur van den Waterstaat,
P.F. Grimvil

Het rapport is door de griffier van Gedeputeerde Staten gekopieerd.