Naar het overzicht
van stukken over FENNER





21 november 1823: Fenner accepteert dat zijn verzoek om een mondelinge behandeling is afgewezen, maar komt nu met een nota van voorgeschoten gelden

De volgende brief van Fenner, nog steeds in Den Haag bivakkerend, is van 21 november 1823, invnr 67 scan 386, een dag nadat hij een afwijzing gekregen heeft op zijn verzoek om een mondelinge behandeling:

De ondergetekende, nochmaals de vrijheid nemende zich aan de Heeren der Permanen­te Kommissie van Weldadigheid te adresse­ren, wegens het hier anleggende stuk, t welk eigendlijk de reeden zijner hierkoomst is.

ƒ288- o.g. die de ondergeteekende reets aan den WEdGestr. Heer von Hoff in de maand junij ll. heeft voldoen moeten, en de ondergeteekende kan gevoelen is, dit als eene onbillijke zaak angemerkt, wegens die darmede verknoopten omstandigheeden, niet tot zijn last hadde moeten gebragd worden; hoe smartelijk het valt, bij alle zijne rampen ook noch deze te voegen, is makkelijke te bezeffen.

Dus vervoegde hij zich herwaarts, met het hartelijke gevoelen, aan de Heeren der Permanente Kommissie, deze zaak zelfs mondelijk voortedragen, en de noodige inlig­ting te geven, bij mogelijkheid; dat hem een mondelijk gehoor, wegens het voorgegaane zoude vergund worden.

Maar uit de missive der Permanente Kommissie van den 20 novem­ber 1823 no. 56/11 gezien hebbende, dat het onder den 19 dezer door hem gedaan verzoek van der hand geweezen, met reeden dat zijne reets vroegere zaaken door de Permanente Kom­missie als finaal afgedaan beschouwd wor­den.

Evenwel zijne hierheergedane rijze en gemaakte kosten, wenschte voor het eigend­lijke doel niet vergeefsch te zijn; zoo is zijn verzoek dat de Heeren der Kommissie we­gens het hier bijgevoegde stuk - het vroegere darbuitengeslooten blijvende - hem enkel gelieven te hooren, en daartoe een uur goed­gunstig willen bestemmen.

de oodmoedigste dienaar
K.F.L. Fenner
S'Gravenhage den 21 november 1823

Bijgevoegd is een staat van door Fenner als onderdirecteur en winkelier uitgegeven kleding en gereedschappen, invnr 67 scans 383-385.
Op de achterkant van zijn brief, invnr 67 scan 387, heeft de sevretaris van de permanente commissie genoteerd dat dit is besproken op 26 november 1823 bij artikel 14 en dat op 27 november aan Fenner is geschreven. Uit Fenners reactie daarop op 2 december, zie hier, wordt duidelijk dat hem is medegedeeld dat hij met bewijzen moet komen voor het nog tegoed hebben van geld.