Naar het overzicht
van stukken over FENNER





6 augustus 1821: Fenner biedt zijn verontschuldigingen aan voor zijn 'plompe uitdruk­kingen', maar is niet nederig genoeg om in functie te blijven

Van het besluit hem als reactie op zijn brieven te ontslaan, zie hier, schrikt Fenner toch wel. Inplaats van de gewenste status- en loonsverhoging dreigt armoede. Op maandag 6 augustus 1821, invnr 58 scans 371-372, richt hij zich tot de permanente commissie:

Kol: Ommerschans 6e aug. 1821

Ik heb de eer den Heeren Leeden der Per­manente Kommissie kennis te geven, dat ik het besluid dd. 1 aug: ontvangen heb, en wilwaardig ben om te gehoorzaamen aan het besluid;

maar dat ik heeden eene ver­zoek­schrift per missive aan ZHEdGest. den Heer de 2ten Assessor afgezonden hebbe, inhou­dende mij berouw over den inhoud der schrift­stelling dd. 15 julij ll.

Ik betuige dat ik nooit bedoeld heb, mijn ontslag van der Maatschappij van Weldadigheid te willen hebben, maar mijn plompe en driftige stijl, voorge­koomen zijnde, door een gerucht hier ter plaaze, als of de Adjunkt Directeur Drie­ber, hier op der Schanz, en wel het huis da­rin in huisgevat kon bewoonen zoude, daruit ik opgemaakt, dat zoolang ik hier wezen mogde een altoozige supultern van de Heer Drieber wezen en blijven moesten, evenwel liever wenschte recht­streeks onder den Di­recteur der kolonies, of eenen andern officier te staan.

Maar nooit heb ik om mijn ontslag verzoeken willen.

Hebbe ik dus door mijne plompe uitdruk­kingen, de Heeren Leeden der Permanente Kommissie beledigt, dan betuige dat ik harte­lijk berouw darover heb, en verzoeke ood­moedig om vergiffenis, nevens het onderda­nig verzoek, het besluid van den 1 augustus ll. terug te neemen, en de zaak als niet ge­schied antemerken, nevens mij in mijnen post continueeren te laten.

Nimmer zal ik op zulke twaalwege weder koomen, en zal mij met den post van Ond:Directeur vergenoe­gen, ook nooid weder om een of de andere ver­hooging verzoeken, en geduldig afwagten tot het de Permanente Kommis­sie behaagen mogd, mij met een ander voor mij dienlijk zijnde te bedeelen.

Met verschuldigde hoogachting heb ik de eer te zijn

Den Heeren Leeden der Permanente Kom­missie van Weldadigheid gehoorza­me Die­naar

Fenner

Met 'supultern' bedoelt hij subaltern, van lagere rang. De permanente commissie vindt deze brief niet nederig genoeg. Dat blijkt uit de samenvatting die op Fenners brief geschreven is:

De gewezen Onder Direkteur Fenner. Meldt aan het besluit wegens zijn ontslag niet goedwillig te zullen gehoorzamen, met verdere beledigen­de uitdrukkingen. Opgezonden aan den Direkteur met last ter uitvoerin­gen niettemin van dit besluit.

Het ontslag gaat dus door. Op 7 augustus 1821, ook invnr 58, schrijft Johannes van den Bosch vanuit Frederiksoord:

Gisteren, terwijl ik met de Heer Visser naar de Ommerschans vertrok­ken was om aldaar bestellingen te maken bij het ophanden zijnde vertrek van Fenner (die zeer ontstemt was op het vernemen van de tijding dat hij ontslagen was en deswegen nog geen besluit ontvan­gen had)
(...)

Fenner zal eerst dieper door het stof moeten als hij zijn baan als onderdirecteur weer terug wil. En dat doet hij, zie hier.