Memorie, berekeningen en konsept-besluiten, vanwege den Heer 2e Adsessor opgemaakt en aan de Permanente Kommissie voorgedragen; ten gevolge waarvan door dezelve genomen zijn:
Vijf besluiten der Perm: Komm: van de Maats van Weld.; van den 10 mei 1825


Drents Archief, toegang 0186, invnr 961, mapje 1825

Bij de memorie behoren een aantal staten met financiŽle gegevens die hier niet zijn overgenomen. Zie voor verdere toelichtingen onderaan.

Memorie over de huishoudelijke inrigtingen van de vrije koloniŽn

Bij het oprigten der vrije koloniŽn bezaten de produkten van de landbouw eene waarde, die thans aanmerkelijk is verminderd. Vele artikelen vonden destijds een gereed vertier, gelijk de aardappelen die thans naar buiten onverkoopbaar zijn.

De huishoudelijke inrigtingen zijn dus gebouwd op eenen toestand van zaken, die thans niet meer bestaat; de opbrengsten der gronden bedraagen thans naauwelijks de helft van hetgeene waarop die geraamd zijn; het is dus baarblijkelijk dat, zal het doel der stichting bereikt worden, eene verandering in de huishoudelijke inrigting noodzakelijk is, te meer, daar tot dusverre bij de jaarlijksche uitbreiding van de stichtingen der Maatschappij, een debiet voor de produkten heeft kunnen gevonden worden in haar eigen boezem, welke na afloop van dit jaar waarschijnlijk zal ophouden, en dus zodanige voorziening vordert, waardoor de nadelen die anders uit den teelt van onverkoopbare gewassen moet voortvloeijen, worden voorgekomen.

Hen behoeft geen betoog dat voor zo verre de kolonisten zelve de bruikers zijn hunner eigene voortbrengselen de prijs der produkten op hunne toestand van geen de minste invloed is, alleen die waren, welke van buiten moeten worden ingekocht, vorderen geld, en dat geld kan alleen in de kas van de Maatschappij terugvloeijen, door den genoegzamen teelt van verkoopbare produkten.

De benodigde hoeveelheid dezer produkten zal altijd minder zijn naarmate de konsumtie tot eigen voortbrengselen bepaald wordt en derhalven de aankoop van eene mindere hoeveelheid van waren van buiten vordert.

Eene tweede uitgave die thans mede geheel in geld bestreden wordt, is die der administratie in de kolonie.

Zo de onderdirekteurs, wijkmeesters, boekhouders een gedeelte van hun salaris in produkten van eigen teelt ontvangen, zal daardoor de uitgave in geld verminderd kunnen worden, en in dezen maatregel ligt te minder onbillijkheid, daar toch in ieder huisgezin eene zekere hoeveelheid levensmiddelen moeten worden aangekocht, en het billijk is, dat zij die kopen bij voorkeur van eene Maatschappij waaraan zij hunne welvaart verschuldigd zijn, te meer daar die niet minder in kwaliteit behoren te zijn en tot geene hogere prijzen behoren te worden betaald dan elders.

Op de administratie is nog bovendien een tweede besparing mogelijk.

Sedert den aanleg der koloniŽn heeft veel grond tot kultuur moeten worden gebragt, en wel met ongeoefende menschen.

Thans zijn de gronden tot de vrije koloniŽn behorende gekultiveerd, de menschen met den arbeid bekend, derhalven is er minder toezigt noodig, het aantal van geemployeerden in de kolonien kan derhalven eene zeke reduktie ondergaan, en echter daar mede het doel hunner aanstelling bereikt worden, en langs dien weg eene niet onaanzienlijke besparing in de gewone uitgaven worden daargesteld.

In de strekking der gegevene middelen namelijk:
1e In de bezuiniging van de kosten van administratie.
2e Vermindering van konsumtie en onontbeerlijke vreemde voortbrengselen.
3e En in eene wijziging van den teelt van voortbrengselen waardoor de middelen verkregen worden om de gelden die ten behoeve der kolonien moeten worden uitgegeven te rekouvreren

zijn mijns inziens de hulpbronnen te vinden, waardoor de schade, welke de Maatschappij ten gevolge der buitengewone lage prijzen van de produkten van landbouw te vrezen heeft, kan worden voorgekomen.

Om dit duidelijk te doen blijken zal het nodig zijn den tegenwoordigen toestand van zaken voor zo verre dezelve tot de opgegevene maatregelen betrekkelijk zijn, meer in het bijzonder na te gaan en dezelve te vergelijken met hetgene daar voor in plaats zou kunnen worden gesteld.

Administratie kosten

Volgens de staat No 1 bedragen de administratiekosten der vrije koloniŽn jaarlijks É 8971.20.

Hierin zouden de volgende bezuinigingen en verminderde geldige uitgaven kunnen worden gemaakt:

De hoeven van het Hollandsche veen die van den weg achter Bosma en van Bosma tot aan den vierde parten, thans tot de tweede kolonie behorende, zouden gevoegelijk met de kolonien N1&2 vereenigd kunnen worden tot eene kolonie, die dan    (opengelaten) huisgezinnen zou bevatten en onder een onderdirekteur gesteld kunnen worden.

Met de overige huisgezinnen van kolonie N4 zou zeer gevoegelijk de kolonie N7 kunnen worden vereenigd en deze kolonie alsdan    (opengelaten) huisgezinnen sterk zijn of kunnen worden, en daardoor een adjunktDirekteur van kolonie N7 vervallen, benevens den boekhouder.

Kolonie N6 en drie zijn reeds vereenigd, zodat op deze wijze het getal der onderDirekteuren tot drie zou zijn gereduceerd, en even zo het getal der boekhouders.

Voor de eerste kolonie, op deze wijze zamengesteld, zouden drie wijkmeesters voldoende zijn, als een voor de gewezene eerste kolonie, een voor de tweede, en een voor het aangevoegde stuk van de vierde kolonie.

In de vierde kolonie zouden mede drie wijkmeesters voldoende zijn, als een voor de Westvierdeparten, een voor de Oostvierdeparten en een voor de 7e kolonie.

In de 3e en zesde kolonie zou een getal van vier wijkmeesters toereikend zijn als een voor al de hoeven bewesten der grooten weg, een over den weg van het onderdirekteurshuis tot de Halle, een over de vierde wijk en alle hoeven langs de beneden weg tot aan de Halle gelegen, een dito over het overig gedeelte der zesde kolonie

De traktementen van alle geemployeerden van den onderdirekteur af zouden voor 2/5 in koloniaal geld voldaan worden, en daarvoor brood, aardappelen enz. in de winkels der Maatschappij verkrijgbaar gesteld worden. Zie staat No 2.

Vermindering van consumtie en onontbeerlijke waaren voor de kolonisten

De gemiddelde verdiensten der kolonisten bedragen volgens staat No 3 voor 340 huisgezinnen É 1164.22Ĺ, derhalve per huisgezin circa É 3,42Ĺ.

Hiervan is over de laatst afgelopene week der maand Maart ingehouden:

1e Kleeding
É 357.31
2e Administratie
É 130.97Ĺ
3e Winkelier
É 299.32Ĺ
4e Uitbetaald (per huisgezin, in geld É 1.10Ĺ) É 376.11Ĺ
Totaal
É 1164.22Ĺ

Ten aanzien van het uitbetaalde aan den winkelier moet in aanmerking genomen dat daaronder begrepen is, het bakloon van het brood en de belasting op het gemaal, het eerste is onder de algemene verdiensten begrepen en vordert derhalve geene bijzondere geldige uitgaven, voor het laatste wordt weekelijks pl.m. É 22:09 betaald.

De staat No 4 doet zien hoedanig het geld aan de kolonisten uitbetaald, wekelijks besteed wordt, welke winkelwaaren daarvoor van buiten moeten worden ingekocht, en welke zelf kunnen worden geproduceerd.

Zo dan de Maatschappij zelve de winkels doet houden zal de geldige uitgaven van de inkoopen der waaren niet meer als É 11580.40 jaarlijks bedragen.

Daar wij reeds over de administratie gehandeld hebben, en door de geldige uitgaven daarvoor É 4087.20 opgebragt is, komt dezelve hier tot het doel dezer memorie niet verder in aanmerking.

Voor de kleeding komt in de eerste plaats in aanmerking de grondstoffen en in de tweede plaats het arbeidsloon.
De staat No 5 doet zien welke grondstoffen jaarlijks tot kleeding voor een koloniaal huisgezin gevorderd wordt, en welk arbeidsloon daaraan wordt verdiend.

Hieruit blijkt dat tot grondstoffen jaarlijks gevorderd worden per huisgezin
É 25.74
aan spin, naai en weversloon
    É 36.22

É 61.96
De overige onkosten ten bedrage van
É 4.67
benevens de winst op de goederen van pl. m.
     É 3.29
Maaken te zamen
É 69.92

Onder de overige onkosten echter is nog begrepen die van lederwerk welke door het oprigten van eene loyerij merkelijk zouden kunnen worden verminderd.

Alle overige grondstoffen kunnen door de kolonisten zelve worden geproduceerd zodat ik meen, dat met eene goede inrigting de som van É 3. jaarlijks per huisgezin voldoende zou zijn, om dat geen in te kopen wat van buiten moet worden geleverd.

Het arbeidsloon behoeft hier niet onder in aanmerking te komen, dan voor zo verre de inrigtingen der Maatschappij moeten hebben om alles zelve te fabriceren, en zoo men mogelijk aan arbeid buiten de kolonien te betalen, hierover straks nader.

Uit het opgegevene kan genoegzaam worden afgeleid, dat zoo eene koperen of blikken koloniale munt in de Vrije koloniŽn werd ingevoerd, gelijk in de overige etablissementen plaats heeft, en daarmede alle verdiensten betaald worden, de geldige uitgaven met de voorgestelde inrigting om aldus zoo veel mogelijk te produceren, bepaald zouden zijn tot de

administratiekosten volgens staat No 2 É 4037,20
Lasten op het gemaal É 1143,73
Grondstof voor kleeding É 1035,---
Winkelwaren v. de kolonisten É 11530,40
Winkelwaren voor de ondirekteuren etc
É 1000.---
Voor de spaarbank
   É 1000.---

É 19.351,33

Eigen producten aan den winkel te leveren É 7956.00 pro memorie

Het Koloniale geld, voor de verdiensten uitbetaald, zou dan maandelijks wederom in de kas terug keeren. van de Maatschappij, daar hetzelve, alleen gangbaar zijnde bij de Maatschappij, daarvoor niets anders kan worden gekocht en de som van É 1948.6(?) die in de winkels omgezet wordt gelijk staat met hetgeene wordt uitbetaald.

De eerste vraag die wij thans op te lossen hebben, is deeze, op welke wijze zullen de É 19,351.33 die de Maatschappij jaarlijks in geld te doen heeft, worden gekourzeerd.

Blijkbaar kan dit alleen geschieden middelens de produkten van een kourant artikel voor de gronden geŽigend.

Dit jaar nog zullen de overschietende aardappelen aan de nieuwe gestichten kunnen worden geleverd, dit echter moet het volgend jaar ophouden, en derhalven tot andere artikelen toevlugt genomen worden, onder alle is vlas en rogge hiertoe het geschikst.

De som over de gezamelijke hoevens omgeslagen bedraagt voor ieder hoeve É 60.-- daarvan zou
in rogge geleverd kunnen worden, 20 schepels
É 20.---
120 id vlas a 6 ??
É 35.---
4 schepels lijnzaad
   É 5.--
Totaal
É  60.---

De ondervinding heeft sinds twee jaren in de kolonie N1 doen zien, dat de teelt van 150 roeden vlas een grooter produkt dan het opgegevene opgeleverd heeft. Daar echter minder voordeelige gewassen hieromtrent plaats kunnen hebben, zal, daarvoor 200 roeden genomen wordende, voor de misrekeningen genoegzaam gezorgd zijn.
Terwijl dan nog bovendien voor de eigen consumtie 50 roeden daarvan zal worden betaald.

Rogge kan 1Ĺ morgen gelijk thans worden geteeld, welke van 60 tot 100 schepels opleveren. De eigene consumtie bedraagt 35 schepel, zodat het surplus voldoende is om het benodigde te verschaffen.

De aardappelteelt zal dan tot een half morgen bepaald worden, daar 200 oude schepels daarvan voor ieder huisgezin voldoende zijn, en er dan nog bovendien 50 schepel aan tuingroenten overschieten.

Het doel kan dus op deze wijze bereikt worden, en dat wel te beter daar hetzelve geene verandering maakt van belang, in de reeds bestaande inrigting.

De Maatschappij ontvangt het vlas en de rogge in mindering van het fonds van veldarbeid, en huur, maar zij kan het vlas tevens doen veredelen zonder nieuwe uitgaven, want onder de verdiensten van É 1164.22Ĺ 's weeks, is begrepen ongeveer É 400.-- aan fabriekarbeid, die tot de kleeding der kolonisten benodigd bedraagt slechts É 260.-- zodat de overige É 140.-- besteed kan worden tot het spinnen van vlas en het maken van garen en dan zal het pond vlas in plaats van voor 6 tegen 9 stuivers verkocht kunnen worden.(*)

In een voetnoot (NB: snuit is een afvalprodukt van vlas):

(*)
12 ponden vlas geven 7 pond van fijn garen dat verkocht wordt tegen 14 stuivers. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
É 98.00
Bovendien snuit 2 pond .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
É 10.00
Totaal 
É108.00

Het garen wordt thans van Ebersfeld in Duitsland geleverd en heeft hier alle fabrieken verdrongen tegen 18 stuivers het pond; het onze dus op 14 stellende kunnen wij de concurrentie uithouden, en wij kunnen dat daar den arbeid in effecte ons op de voorgestelde wijze geen geld kost. 

Dan het is niet genoeg de nodige levensmiddelen en de produkten van winkelwaren aan te koopen, ook de vereischte grondstoffen moeten worden geproduceerd.

Het vlas is reeds verhandeld, de opgegevene grond is voldoende om het noodzakelijke voort te brengen.

De wol echter vordert circa 10 schapen per huisgezin en daar de Maatschappij genoegzaame gronden bezit om deze te kunnen weiden, is zulks met haar belang strokende te meer omdat de vlaskultuur en het koekemeel dat thans gebezigd wordt op den duur eene te groote uitgave zou vorderen en het houden van schapen voor haar belang onvermijdelijk noodzakelijk.

2000 schapen zullen dien ten gevolgen dienen te worden aangekocht, en daar het te Doldersum gebleken is, dat zo deze eenige groene weide hebben de ouden kunnen worden vet gevoerd en dan É 3 per stuk waardig zijn (*) en door de lammeren kunnen worden geremplaceerd, kunnen dezelve zonder schade voor de Maatschappij worden gehouden, en hierdoor de landbouw aanmerkelijk worden verbeterd.

In een voetnoot:

(*) Wardenburg heeft 400 schapen vetgemest en deze worden thans aan de Instituten te Veenhuizen en Ommerschans geleverd tegen É 3.00
Ook dat kan met schapen uit de koloniŽn aan het 2e & 3e Instituut geschieden.
Zelfs een gedeelte van het vleesch aan de vrije kolonisten worden geleverd in plaats van spek. Thans gaat de slager met dat voordeel weg.

Aanvankelijk zou tot groen voeder eenige leedigstaande hoeven kunnen worden gebezigd, en inmiddels eenige heigronden, met eenige schapenmest tot schapen weiden worden aangelegd; waartoe almede geene bijzondere uitgaven vereischt worden.

Een looijerij kan nuttig aan de Ommerschans worden aangelegd, daar onze eigene huiden en inzonderheid die der schapen tegens koehuiden verruild worden, weinig aankoop vorderen zal. De nota van kosten eener looijerij en van deszelfd opbrengst gaan onder No (opengelaten) hiernevens.

Met eenen leverancier zou ter verdere invoering van den opgegevene maatregel worden gekontrakteerd wegens de levering der benodigde winkelwaaren.
Op de Staat No 4 aangewezen, maandelijks en onder voorwaarde dat hij rogge en vlas in ruiling voor die waren, tegen marktprijs zal aannemen, als wanneer de geldelijke uitgaven in de vrije kolonien tot pl. m É 700.00 maandelijks zouden worden gereduceerd, daar dezelve thans circa É 1000.00 wekelijks bedragen, zie Staat No 6.

Ook reeds met den eersten Junij aanstaande kunnen de opgegeven inligtingen worden geintroduceerd daar het te veldstaande gewas, voor zo verre het niet tot eigen consumtie in de vrije koloniŽn noodig is, aan de instituten te Veenhuizen kan worden afgeleverd, en het provenu daarvan strekken ter betaling der geleverde waren aan de vrije koloniŽn.
Daar echter aanvankelijk nog eenige grondstoffen zullen moeten worden aangekocht, zal het verkieselijk zijn de uitgaven voor de vrije koloniŽn voor dit jaar nog op É 1000.00 maandelijks te bepalen.

Er blijft thans alleen nog te betogen over van waar de Maatschappij de voortbrengselen bekomen zal, die als eigen produkten voor de som van É 7956.00 zijn opgegeven om in de winkel verkocht te worden.
Het garen en lint kan in de kolonie worden aangemaakt.
De chicorij wordt reeds beproefd om dezelve te teelen.
Boter, vet, spek of vleesch kan door het Instituut te Wateren worden geleverd.
Boekweitemeel kan door eigene teelt worden verkregen, en ook hier toe zijn reeds de noodige maatregelen genomen.
Stoet eindelijk, kan van eigene rogge worden gebakken, zodat ook hier in geen bezwaar te voorzien is.

Alle deze inrigtingen echter kunnen het doel niet bereiken, zoo de Maatschappij geen meester is van de consumtie der kolonisten, deze in plaats van hun geld aan objecten te besteden, welke voor hunne huisgezinnen nodig zijn, besteden hetzelve veelal aan vreemde kleedingstukken en snoeperijen.
Worden zij echter alleen betaald in koloniaal geld, en kunnen zij daarvan alleen de opgegevene noodwendigheden inkoopen, dan vervalt alle bezwaar en zo in ieder kolonie een winkel gehouden wordt, en in dezelve een winkelier met genot van É 7.00 wekelijks wordt aangesteld, die maandelijks het voor hem bestelde ontvangt, en uitslaat, en dit met het daarvoor ontvangene koloniaal geld betaald, dan zullen de kolonisten goedkoper van het benodigde voorzien worden dan thans, en deze maatregel niet moeijelijk in te voeren zijn.

De meerdere thans in de kolonien bestaande winkels zouden kunnen in wezen blijven tot gerief der kolonisten, op voorwaarde dat de winkelhouders de waren uit het magazijn ontvangen, tegens stelling van behoorlijke contu en s' maandelijks dezelve te voldoen met koloniaal geld. Waarop hun eene winst van 10 pct zou kunnen worden toegestaan, anders betalen de kolonisten een veel hoger winst en worden veel al in de kwaliteit der goederen bedrogen.

Een eenige post blijft nog te behandelen over, namelijk É 3600.00 als voorschotten op den Staat No 6 opgebragt.
Het is te voorzien dat er nog altijd eenig geld ten behoeve van gebrekkige huisgezinnen, tot aankoop van vlaszaad en voor geneeskundige hulp zal moeten worden uitgegeven, dan de som voor buitengewonen arbeid opgebragt in de Staat No 3 is niet gering en kan worden aangewend tot den teelt van boekweit of eenige andere vrucht in de 7e kolonie en op de gekultiveerde gronden te Wateren, zodat het door deze mogelijk zal zijn dit deficit te dekken.

Onder de É 1000.00 maandelijks voor de kolonisten zijn deze voorschotten begrepen. (*)

In een voetnoot:

(*) Voor de waren aan de administratie in de kolonie zelve te slijten, is niets opgebragt, deels omdat de uitslag der goederen met eene zekere winst geschied en dus een overschot oplevert, deels omdat door de kolonisten altijd zo veel meer rogge en aardappelen zullen worden ingeleverd als tot bestrijding daarvan noodig is.-

Het navolgende concept besluit schijnt mij voor de opgegevene inzigten de vereischte bepalingen te bevatten.


De Permanente Commissie van Weldadigheid overwegende dat door de lage prijzen der graanen en de onverkoopbaarheid der aardappelen, het nodig geworden is zodanige maatregelen te nemen, waardoor in de behoeften der kolonisten in de vrije koloniŽn aan vreemde koopwaren gepastelijk kan worden voorzien;
Overwegende dat het ter bereiking van dit oogmerk, noodzakelijk is de consumptie zoveel mogelijk tot produkten van eigen teelt te bepalen, en de meest mogelijke spaarzaamheid in de uitgaven van kontante penningen in te voeren;
Overwegende dat zo de buitengewone lage prijzen der veldgewassen blijven voortduren, de kolonien niet zouden kunnen blijven bestaan, zonder het nemen van gepaste maatregelen, waardoor de uitgaven in geld voor zo verre die nog noodzakelijk blijven ter goedmaking der kosten van administratie en ter aankoop van winkelwaar, welke in de kolonien niet kunnen worden geteeld, aan de Maatschappij van Weldadigheid niet worden vergoed, en dat ter bereiking van dit oogmerk de teelt van een genoegzaame hoeveelheid van verkoopbare produkten wordt gevorderd;

Heeft besloten, gelijk dezelve besluit bij dezen:

           Art. 1.
De teelt van aardappelen zal in het aanstaande jaar 1836 worden verminderd en door de vlascultuur vervangen te worden, zoodanig dat ieder hoeve zal kunnen opleveren een verkoopbaar produkt van 60 a 70 gulden aan vlas, rogge en lijnzaat.

          Art. 2.
In ieder kolonie zal van wegen de Maatschappij van Weldadigheid een of meer winkels worden gehouden en in dezelve de noodwendigheden verkrijgbaar zijn, welke voor de huishouding der Kolonisten vereischt wordt.

          Art. 3.
De winkel zal gehouden worden voor rekening der Maatschappij en de goederen worden uitgeslagen door eenen winkelier, door de Permanente Kommissie aan te stellen op een traktement van É 7.-- wekelijks.

          Art. 4.
Met een of meerdere leveranciers zal overeen gekomen worden, wegens het leveren maandelijks van É (opengelaten) aan koopwaren, voor de gezamenlijke koloniŽn en onder verband dat de geleverde waren zullen kunnen worden voldaan in rogge, vlas lijnzaad en boekweit, tegen marktprijs of in geld naar verkiezing der Permanente Kommissie.

          Art. 5.
Het arbeidsloon der kolonisten, dat de Maatschappij voorschiet, ter bearbeiding der gronden van de kolonist en voor de Fabriekmatigen arbeid, die hunner kleeding vordert, zal worden voldaan in eene koperen of blikken munt, en gangbaar zijn in de winkels der Maatschappij.

          Art. 6.
De winkelier betaald wekelijks met het door hem ontvangen geld de door hem verkochte goederen en liquideerd finalijk iedere maand voor hetgeen door hem ontvangen is uit het magazijn.

          Art. 7.
Het koperen of blikken geld wordt van geen winkelier aangenomen die tot het houden van een winkel door de Permanente Commissie niet zijn gekwalificeerd.
De geadmiteerde winkels, die niet onmiddelijk voor rekening der Maatschappij gehouden worden, zullen tegen stelling van behoorlijke kautie maandelijks aan goederen uit het magazijn erlangen, die met eene winst van 10 pr.cent mogen uitslaan en niet meer.
Het door hen ontvangen koloniaal geld zal hun voor 1/10 in zilver en voor 9/10 in koopwaar voldaan worden.

          Art. 8.
Geen waren zullen in de winkels van de Maatschappij of door de geadmiteerde winkeliers tot hooger prijzen met gelijke kwaliteit kunnen worden uitgeslagen als dezelve in de naburige winkels te Steenwijk verkrijgbaar zijn.

          Art. 9.
Alle grondstoffen en verdere waren voor de huishouding der kolonisten noodzakelijk, zullen zo veel mogelijk in de kolonien geteeld en alle fabriekatie, voor de kolonisten noodzakelijk, zo veel mogelijk in de koloniŽn gemaakt worden.worden.

          Art. 10.
Ter bekoming van de nog ontbrekende wol, zullen 2000 schapen worden aangekocht, wordende daarvoor geakkordeerd de som van É 6000.--.

          Art. 11.
Het benodigde vlas en chicorij zal almede worden geteeld en het vereischte vleesch & spek zal in de koloniŽn worden geproduceerd, en ten dien einde jaarlijks een voordragt door den Directeur worden ingezonden, op welke wijze dat oogmerk buiten schaade der Maatschappij kan worden bereikt.

          Art. 12.
De Permanente Kommissie behoudt zich voor, nader bepalingen om door eigen arbeid te voorzien in de nog ontbrekende fabriekatien.

          Art. 13.
De uitgaven in geld voor de kosten der administratie in de koloniŽn zullen zoveel mogelijk worden verminderd en ten dien einde het traktement van alle geemployeerden van OnderDirekteurs en daar beneden voor 2/5 ieder week in de koloniaal geld worden voldaan, waarvoor in de winkels der Maatschappij rogge, stoet, aardappelen en andere winkelwaren verkrijgbaar zullen worden gesteld.

          Art. 14.
De hoeven der vierde kolonie beneden de tweede kolonie gelegen en tusschen de beide Vierdeparten worden met de eerste kolonie verrenigd en zullen door eenen OnderDirekteur, eenen Boekhouder en drie wijkmeesters worden bestuurd.

          Art. 15.
De overige hoeven der vierde kolonie worden met de hoeven der 7e kolonie vereenigd, en zullen door eenen OnderDirekteur, eenen Boekhouder en drie wijkmeesters worden bestuurd.

          Art. 16.
De zesde kolonie blijft met de derde kolonie vereenigd, en zal door eenen OnderDirekteur, eenen Boekhouder en vier wijkmeesters worden bestuurd.
De sectiemeesters zullen zoveel mogelijk uit de kolonisten bestaan, en alle geemployeerden volgens dit besluit overbodig bij de nieuwe Etablissementen te Veenhuizen worden geplaatst of desnoods worden afgedankt.

          Art. 17.
Met den eersten Junij zullen de opgegevene bepalingen in de nieuwe kolonien worden geintroduceerd en vervolgens É 1000.-- ieder maand aan den Directeur worden geakkordeerd voor de overblijvende noodzakelijke geldige uitgaven.

          Art. 18.
De veldarbeid en fabriekarbeid niet onmiddelijk voor de hoeven en kolonisten noodzakelijk, zal zoodanig worden gedirigeerd, dat de Maatschappij eene billijke vergoeding erlangt, voor  de uitschotten door haar gedaan. Hetzij door den teelt van boekweit te Veenhuizen, hetzij door het tot kultuur brengen van gronden te Veenhuizen of elders.

          Art. 19.
Alle thans bestaande administrative bepalingen, niet door dit besluit afgeschaft, blijven op de thans gebruikelijke voet.


Bovenstaande Memorie leidt tot 5 besluiten op 10 mei 1825:
N1     Houdende vereeniging van de gewone kolonien, zie hier.
N2     Wijziging in de soort van te bebouwen produkten, zie hier.
N3     Daarstelling van eigene winkels in de gewone koloniŽn, zie hier.
N4     Administratieve bepalingen voor de gewone koloniŽn, zie hier.
N5     Bepalingen omtrent de administratie van de winkels, waaronder aanstelling centrale winkelier, plus in elke kolonie een schaalhouder, zie hier.