Post van Weldadigheid

Op het platform www.velehanden.nl vond van 1 april 2015 tot 21 september 2017 het project Post van Weldadigheid plaats. De ingekomen post van de Maatschappij van Weldadigheid van 1818 tot en met 1847 is ingescand en die 135.321 scans werden door 458 vrijwilligers geïndexeerd. Dat wil zeggen dat ze de handgeschreven stukken doorlazen en de erin voorkomende persoonsnamen noteerden. Die namen staan nu in de genealogische database van het Drents Archief en in de database alle kolonisten.
Tem behoeve van dat project schreef ik elke week een column. Een overzicht van die stukjes staat op deze pagina.
Hieronder staat...

Stukje 11: De jubeldichter uit Opperdoes

Diverse invoerders zullen hem al eens tegengekomen zijn. Als 'de zaalopziener Kloppenburg'. Want dat is de functie die Sipke Kloppenburg deze jaren bekleedt. Dat was nooit de bedoeling, hij was voorbestemd om vrije kolonist in Wilhelminaoord te worden.

In januari 1821 wordt hij door de subcommissie van weldadigheid te Medemblik voorgedragen. Ze vragen een plek in de koloniën voor een 'fatsoenlijke, wel opgevoede, doch diep behoeftige landelijke familie in het nabijgelegen Opperdoes'. In dat plaatsje is Sipke Kloppenburg de - blijkbaar niet zo drukbeklante - kleermaker.
Maar eerder leken hogere taken hem te roepen. Hij was opgeleid tot predikant bij de hervormde gemeente en hij had zelfs ‘verscheiden jaren de godgeleerde studien aan de universiteit te Leijden niet zonder de meeste vrucht waargenomen’, totdat de omstandigheden ‘hem genooddrongen hebben om van dat plan aftezien'.
'Genooddrongen' vind ik een heel mooi voltooid deelwoord!
Er wordt iets nader ingegaan op de oorzaken van 'den treurigen toestand' van Kloppenburg en zijn gezin. Dat zijn 'de omstandigheden van tijd, en een ontijdig en ongelijk huwelijk met gebrek aan middelen naauw vereenigd'.
Ik denk dat Medemblik iets verzwijgt. In ieder geval is er geen verband tussen het staken van zijn studie en zijn huwelijk, want Sipke Kloppenburg was al 42 jaar toen hij de 21 jaar jongere Leentje Boerdijk trouwde. Dus er gaapt nogal een gat in zijn curriculum vitae. Wel is in de standenmaatschappij Nederland een 'ongelijk' huwelijk, dus met iemand uit een lagere stand, uiterst nadelig voor je maatschappelijke kansen.
Hoedanook, hij was gedwongen 'den toevlucht tot de naald te nemen'. En blijkbaar kan de voormalige theologiestudent als kleermaker niet rond komen. Ter aanbeveling maakt Medemblik nog melding van 'zijne christelijke denk en leefwijze' en de 'waarlijk voorbeeldige opvoeding zijner kinderen'.
Anderhalf jaar later komt er bericht dat er een plek beschikbaar is in het dan nog maar kort bestaande Wilhelminaoord. De subcommissie Medemblik is blij en Sipke Kloppenburg is heel blij. Hij richt zich per brief tot de permanente commissie in Den Haag.
‘Met dankbare blijdschap’ heeft hij kennis genomen van dit ‘finaal en gunstig besluit van de Permanente Kommissie van Weldadigheid, betrekkelijk mijn persoon en huisgezin, waardoor ik het streelend vooruitzicht heb, om binnen weinige dagen in de kolonien te worden opgenomen.'
'Welk eenen invloed zulk een berigt maakt op het hart van den gevoeligen en door wederspoed gefolterden mensch,’ meldt hij in zijn schriftelijke dankbetuiging, kan het bestuur van de Maatschappij zich nauwelijks voorstellen. Waarna hij losbarst in vier coupletten goed-rijmend jubeldicht:

Hier ziet men menschenmin met godsdienst zich verëenen
Door wijsheid en door deugd gestadig voorgelicht;
Den armôe ziet men ooit aan ruime zijde wenen,
Hier straalt Weldadigheid een ieder in 't gezicht.

In het tweede couplet eert hij de permanente commissie:

Gezegend zij hun hoofd! Heil hunne achtbare leden!
Zij treffen immer doel in hunne Maatschappij!
Welhaast zal ik den grond, voor mij bestemd betreden;
Ontvoerd aan ramp en leed, van bange zorgen vrij.

Daarna betrekt hij zijn gezin erbij:

Mijn dierbare echtvriendin, droogt reeds haar droêve tranen;
Ziet, bij de reinste keus zich voor geluk bereid:
Zij huldigt een bestuur, dat haren weg wil banen,
Ze eerbiedigt met haar kroost de hand die haar geleidt.

Om tot slot te beloven dat hij op de kolonie zijn best zal doen:

Straks licht de blijde dag, bij aardsche wisselingen,
Hij voert mij door zijn glans naar 't volk daar vrede woont:
Ik zal met fieren moed naar de eere prijzen dingen,
Waarmêe regtschapenheid den noeste vlijt bekroond.



Zondag 21 juli 1822 komen Kloppenburg, echtgenote Leentje en vier kinderen in de kolonie aan (zie hierboven de aankomststaat, Drents Archief, toegang 0186, invnr 1370) en al een paar dagen later meldt de directeur dat er wat hem betreft weinig te jubelen valt.
Hij noemt Sipke een ‘zeer ongeschikt voorwerp’ voor de kolonie, ‘hebbende weinig ligchaamskragten en voorheen niets gedaan dan studeeren en schrijven’.
Het blijft twee jaartjes behelpen en stuntelen in de landarbeid tot Kloppenburg in het najaar van 1824 op zijn eigen verzoek een functie als zaalopziener krijgt. Het strekt ook de subcommissie van weldadigheid Medemblik 'tot geen gering genoegen'. En zij denken dat hij als wat zij noemen 'zaalmajoor in een der gestichten van Weldadigheid te Veenhuizen' beter tot zijn recht zal komen.
Zoals de meeste invoerders inmiddels weten heeft een zaalopziener behoorlijk wat schrijfwerk te doen.
En inderdaad functioneert Kloppenburg in deze functie beter dan op het land. Hij woont en werkt vijftien jaar lang als zaalopziener in het tweede gesticht, waar bedelaars gehuisvest zijn. Er komen in het gezin nog zes kinderen bij, waarvan slechts twee overlijden. In 1839 zijn de drie oudste kinderen al uitgevlogen als de inmiddels 66-jarige Kloppenburg zijn werk als zaalopziener neerlegt en het gezin een hoeve in de vrije kolonie Willemsoord krijgt. Daar overlijdt hij tenslotte op de gezegende leeftijd van 77 jaar, drie jaar na zijn Leentje.


Wil Schackmann

P.s.: Als het zo goed blijft gaan als het nu gaat, dan halen we een dezer dagen de tien procent. Dat is fantastisch! Eigenlijk zou ik dan moeten komen met een jubeldicht over de invoerders, maar sorry, dat is niet mijn genre, dat kan ik niet, vooral niet als het ook nog moet rijmen. Dus ik volsta met te zeggen dat ik het geweldig vind.