Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



Om op de zedelijke en godsdienstige belangen der koloniale bevolking benevens de opvoeding der jeugd bijzonder te doen letten

Dat de permanente commissie zich in maart 1849 geroepen voelt om extra aandacht te vragen voor de zedelijke en godsdienstige vorming van de koloniebewoners, zou best wel eens te maken kunnen hebben met de kritiek die dominee Ottho Heldring deze tijd publiekelijk op die aspecten van het koloniale leven levert.
Het moet anders, het moet beter. Het moet netter, zindelijker, kuiser en godsdienstiger.

Op 30 maart 1849 neemt de permanente commissie onder agendapunt N5 het besluit 'den dir der kol aanschrijven om op de zedelijke en godsdienstige belangen der koloniale bevolking benevens de opvoeding der jeugd bijzonder te doen letten en door voorbeeld te doen bevorderen'. Waarbij 'dir der kol' de gebruikelijke verkorting is voor directeur der koloniën. Afschriften van de brief zullen gaan naar de protestantse en katholieke geestelijken te Veenhuizen en de uitwerking is als volgt:

’s-Gravenhage, den 30 maart 1849

De Permanente Commissie,

Gehoord het mondeling verslag van een harer medeleden:

1e Heeft goedgevonden en verstaan aan den Direkteur van de Kolonien te doen afgaan, de navolgende missive:

Het zal gewis wel tot de eersten pligten der beambten bij onze inrigting behoren, om naauwlettend toetezien, dat niets verzuimd worde tot bevordering van zedelijke verbetering in het algemeen, maar vooral ten aanzien van de opleiding der jeugd in het bijzonder.
Om dit te bevorderen, wenschen wij dat zooveel mogelijk gezorgd worde dat kinderen van dezelfde leeftijd bij elkander in de zalen geplaatst worden opdat niet de oudere de jongere ondeugden aanleeren, die op hun volgend leven van nadeeligen invloed zijn.

Aan de zaalopzieners, bij welker keuze met omzigtigheid moet worden te werk gegaan, behoordt bepaaldelijk en bij gedurige herhaling te worden opgedragen, om streng toetezien dat geene onzedelijke gesprekken worden gehouden, dat alle spotting of geringschatting van godsdienst wordt geweerd en de aanleggers strengelijk gestraft.
Ook in de tussen- of speel (mist stuk) er een wakend oog op (mist stuk) houden worden.
Aan ieder die (mist stuk) toezigt bij de (mist stuk) arbeid (mist stuk) of andere onontvangelijke uitdrukkingen te onthouden.
Bij de keuze van opzigters, zij men indagtig om vooral op zedelijkheid en godsdienstigheid te letten, terwijl bij ontdekking dat of zaalopzieners of andere over de kinderen gestelde opzieners zich aan ruwe behandeling in woorden of daden schuldig maken, toch dadelijk in hunne betrekking behoren geschorst te worden, en bij herhaling tot ontslag moeten worden voorgedragen.

Op de ziekenzalen gelden deze regelen eveneens, en wij achten het ongepast dat op de jongens ziekenzalen, als oppasters jeugdige meisjes worden gebezigd, alzoo dit natuurlijk op dien leeftijd tot verkeerdheden en opwekking van driften aanleiding geeft.
Elke kunne moet worden opgepast of bediend door dezelfde kunne, en wanneer de jongens soms eenige vrouwelijke hulp behoeven, bezige men daartoe eenigsints in jaren gevorderde vrouwen.
Indien dit uit het oog is verloren gegaan, worde daarin dadelijk voorzien.

Er is een gerugt uitgegaan, dat de jongens in het eerste Gesticht Veenhuizen, zich vrij algemeen aan zelfbevlekking schuldig maken; eene ondeugd die met den meest mogelijken aandrang moet worden tekeergegaan.
De plaatselijke directie ge?? zoo met de geestelijken even als met den Doctor te verstaan, over de beste middelen om die ondeugd tegen te gaan en te trachten uitteroeijen.
De Permanente Commissie verlangt een bijzondere berigt, van hetgeen ten dezen aanzien, bij onderzoek bevonden zal worden te bestaan, met opgave der middelen tot wering, welke het (mist stuk) zijn voorgekomen.

Wij behoeven toch niet te herinneren, dat in de regel is bevolen, om bij Protestantse kinderen, zaalopzieners van die Geloofsbelijdenis en bij Catholieken, eveneens Roomsch-Catholieken te doen fungeren.
Intuschen bestaan hieromtrent enkele uitzonderingen, zooals onder anderen in het derde gesticht, eene Protestantse zaalopziener bij de Catholieken.
Dit nu is, zulks erkennen wij gaarne, een zeer verdienstelijke ambtenaar, maar zulks neemt niet weg dat het verkiesselijk is, dat hij door een Roomsche worde vervangen, zoodra hij of voor een andere man(?) geschikte kan opleiden, of met andere werkzaamheden, waardoor hij geen schade in zijn inkomsten lijdt, kan worden belast.

Voor het tweede en derde gesticht, geldt dit ook voor aanwezige Moeders van de Protestantsche geloofsbelijdenis, die over Roomsche kinderen gesteld zijn.
Wij verzoeken UEdG: om dadelijk het noodige onderzoek intestellen, teneinde zoodra mogelijk aan onze begeerde ?? gevolg te geven, tevens van den Onderdirecteur binnen, met de meest mogelijken ernst te vermaanen, in de zin van ?? aanschrijving een bijzonder en dagelijks toezigt te houden, ter bevordering van deugd en godsdienstzin, en geen zwakheid te betoonen ten aanzien van die zaalopzieners, die aan dit doel van dezelver bestemming, niet ten volle beantwoorden.
Bovenal zorge de Onderdirekteur binnen bij het eerste gesticht, alwaar de jeugd zoo geheel afzonderlijk is gevestigd, dat zedelijke verbetering plaats hebbe, dat echte godsdienst (mist stuk) en meer dan de (mist stuk) te Uwer toezicht en (mist stuk) dan dat wij zonder twijfel (mist stuk) goede gezondheid (mist stuk) plicht met (mist stuk) het is daarop zijne aandacht vestigen.
Wij achten het overbodig in het bijzonder bij de Adjunct-Directeuren, het onderwerp dezer aanschrijving, nadrukkelijk aan te bevelen, alzoo wij overtuigd zijn, dat de eenvoudige herinnering aan onze vroegere meermalen geopenbaarde zienswijze omtrent aan te wenden middelen tot zedelijke verbetering, meer dan voldoende is om het groote oogmerk te bereiken.

Dat alle ambtenaren op de Zon-en Kerkelijke feestdagen, getrouwe voorgangers zijn om de godsdienstoeffeningen, zoowel des voor- als namiddags bij te wonen, is onze gevestigde veronderstelling; wij onthouden ons derhalve van verdere aanbeveling om niet datgene in twijffel te trekken, waaromtrent bij ons geene onzekerheid bestaat.

Tenslotte hebben wij vermeend UEdG kennis te moeten geven, dat van deze onze aanschrijving, een afschrift is toegezonden aan de Leeraren van de Protestantsche Kerk te Veenhuizen, benevens aan de geestelijkheid der RC aldaar.
Wij vragen daarentegen aan UEdG om, in de gewoone Kolonien en te Ommerschans van deze onze zienswijze aan de geestelijkheid datgeene mede te deelen wat UEdG nuttig zal oordeelen, hetgeen eveneens aan UEdG wordt overgelaten, voor zoo veel de Israelitische leeraren betreft.

2. Aan de Leeraren P Kerk en RC geestelijken te Veenhuizen te schrijven de navolgende brief

In het belang der zedelijke verbetering van de Kolonisten en van de opvoeding der jeugd hebben wij vermeend geen onnuttig werk te doen, onze vragen(?) zeer ??, steeds te herinneren en, als het ware, te verlevendigen datgeene waarop onze geheele instelling is gegrondvest.  Onder mededeling van de daartoe betrekkelijke aanschrijving zullen wij wel op Uwe medewerking niet behoeven aan te dringen.

Zoals uit bovenstaande transcriptie blijkt, is het stuk nogal aangetast door de tand des tijds, maar met enige fantasie vallen de ontbrekende stukken wel in te vullen. De verwijzing naar de zelfbevlekking in het eerste of kindergesticht te Veenhuizen is duidelijk een reactie op de uitlatingen die dominee Heldring daarover heeft gedaan (De kinderkolonie pagina 334-335)

Directeur der koloniën Jan van Konijnenburg neemt de brief uiterst serieus. Hij verwijst er al naar als de chef van de geneeskundige dienst op inspectie in Veenhuizen is geweest, zie onderaan deze pagina, hij doet onderzoek (zoals 'eene heimelijke visitatie der jongenshemden van eene week tijds in de wasscherij') en op 1 juni 1849 schrijft hij een zeer uitgebreide reactie:

Ik heb de eer gehad te ontvangen UWHoogEdG aanschrijving van den 30 maart jl. N5, over de bevordering van godsdienst en deugd onder de kolonisten, zoo door voorbeeld en toezigt van de ambtenaren, als door alle mogelijke verbeteringen in de huishouding te brengen.

Ik ben begonnen met de Adjunct-Direkteuren en Onder-direkteurs met den inhoud dier missive gekend te maken en hun het gewigt daarvan op het hart te drukken en voortgegaan met de verschillende deelen of punten van dien brief te onderzoeken en te bespreken, ten einde onder het oog te krijgen, wat dadelijk en wat in het vervolg nog voor verbetering vatbaar zoude zijn en om, vervolgens, UWHoogEdG van mijne bevinding verslag te doen.

Ik zoude thans, tot zoodanig verslag overgaande, in het algemeen, voor mijn persoonlijk gevoelen, UWHoogEdG kunnen betuigen, dat, personen en omstandigheden, billekerwijze in aanmerking genomen, er alle reden bestaat, om over het bestaan van godsdienstzin en zedelijkheid onder de kolonisten zeer te vreden te zijn; maar daar er op dit veld oneindig veel te doen en te wenschen overblijft, is het beter, niet te berusten in het bestaande goede, maar bestendig te streven naar de herstelling van het gebrekkige.

Dat, intusschen, alle ambtenaren niet evenzeer, uit eigen overtuiging en godsdienstig en zedelijk gevoel daartoe krachtdadig medewerken, behoef ik mede wel niet aan te merken.
De voornaamste en meeste ambtenaren zijn UWHoogEdG bekend.
Verkeerdheden van dezen of genen, worden voor zoo verre ze mij bekend raken, nimmer verhuld en dikwijls breng ik de chef der gestichten onder het oog, om op het gedrag en den omgang met de kolonisten van mindere ambtenaren met meerdere gestrengheid en belangstelling toe te zien, en als het ware, prijs te stellen op de ontdekking van alle verkeerdheden en ze door verandering(?) en bestraffing zoo veel mogelijk tegen te gaan.

De afzondering van personen van verschillende leeftijd, in onderscheiden zalen, is zeker eene wenschelijke zaak, maar ik behoef UWHoogEdG niet onder de aandacht te brengen, dat reeds de afscheiding der verschillende sexen en van ongelijke Godsdienst-belijders hare localen vordert, zoodat bij bekrompenheid, of laat ik liever zeggen, bij geen overvloed van localen, een meer strenge afscheiding van personen van verschillende leeftijd, ?? moeijelijk, ja schier onmogelijk is.
Behalve dat jong en oud toch dagelijks op de pleinen bij elkander komt.
Een staat aanwijzende hoe iedere zaal van het 1e Gesticht te Veenhuizen bevolkt is en waarin ik tot nog toe geene verbetering heb kunnen brengen, moge UWHoogEdG daarvoor tot bewijs strekken.

Daarnaast zullen UWHoogEdG mede ontwaren, dat zelfs allen van ééne geloofsbelijdenis, zonder opoffering van andere belangen, daar nog niet geheel afzonderlijk te verplegen zijn. Ik bedoel de beide zalen van kleine en zwakke jongens van Buck. In de bedelaarsgestichten vindt zulks nog meer plaats.

Zoo ook kunnen niet alle zalen van kolonisten van dezelfde geloofsbelijdenis onder een opziener van gelijke gezindheid worden geplaatst, uit hoofde meer zalen onder een zaalopziener zijn gesteld. Een voorbeeld bij het 3e Gesticht zal dit ophelderen en tevens doen zien, wat hier daaromtrent, toch nog te verbeteren valt.

Emmelot heeft 3 zalen, ieder van 50(?) personen waarvan eene boven, doch die thans voor de heelmeester in gebruik is. Het zijn alle gereformeerden en in eene zijn jongens.

Keiner heeft 2 beneden en 2 bovenzalen, van welke laatste eene dubbele en dus, zijn ze geheel bezet, voor 400 personen.
Beneden zijn het gereformeerden en boven R.C. Hier zou niet slechts nog een zaalopziener van de R.C. godsdienst nodige zijn, maar ook gelogeerd kunnen worden op de bovenkamer, die met 1 mei jl door de weduwe Scheffener is ontruimd.
Hem te verwisselen met eenen van de R.C.Godsdienst, naar het bij UWHoogEdG aangegeven denkbeeld, zou de zaak niet verbeteren uit hoofde de benedenzalen niet dan gereformeerden tellen. Mogten UWHoogEdG nu, tot de aanstelling van nog een R.C.opziener voor de bovenzalen kunnen besluiten, dan zal ik UWHoogEdG daartoe eene voordragt doen, zullende ik, intusschen, naar een geschikt huisgezin omzien.

Van der Ent heeft 2 benedenzalen, de linksche naar de achterpoort van 120 plaatsen. Alle zijn gereformeerden. Boven de linksche bevinden zich de zieken, ook de R.C., doch onder een oppasser van die gezindheid.

Al die 3 zaalopzieners over de mannenkolonisten belijden de gereformeerde godsdienst.

Aan de vrouwenkant, van de poort vervolgende, heeft men eerst:
Tempel, met 2 benedenzalen, waarvan eene dubbele, dus met bijna 240 plaatsen, alle voor gereformeerden.

Dan Schwartz, die R.C. is, met 2 benedenzalen, bevolkt met R.C.kolonisten, benevens de zieken vrouwen, van beide gezindheden boven.

Eindelijk, Danens, met 2 benedenzalen met gereformeerden, gelijk hij is, benevens de boventallige R.C. en boven, regts, mede gereformeerde vrouwen en links vrouwen met zuigende kinderen, zoowel van de R.C., als van de Gereformeerde Godsdienst.


Elke kunne moet worden opgepast of bediend door dezelfde kunne en wanneer de jongens soms eenige vrouwelijke hulp behoeven, bezigde men daartoe eenige enigszins in jaren gevorderde vrouwen.
Deze aanmerking van Uw Hoog Edelgestrenge aanschrijving vordert mede eenig overleg wat de toepassing aangaat.
In den regel vindt dat plaats; maar de behinderen van blok 10 en de 13 kinderen van 11 tot 15 jaren en de zalen van Buck zijn, op enkelen na, alleen jongens die zwak en achterlijk van groei zijn en die nog thans uitsluitend onder de zorg van bijna volwassen meisjes staan, die alles verrigten, wat hunne verpleging mede brengt en die onzes oordeels daartoe bijzonder geschikt zijn en door geene jongens zouden kunnen worden vervangen, als welks ten eenenmale ongeschikt te achten zijn, van zorgvuldig en doelmatig kinderen te helpen. Ik houd het er dan ook voor, dat Uw Hoog Edelgestrengen, wat deze kleine jongens betreft, daarmede wel zult kunnen instemmen.
In de ziekenzalen wordt alle hulp, mede aan jongens, door meisjes, als zaalwachters of ziekenoppasters, aangeboden, met uitzondering van hetgeen de eerbaarheid niet zoude toelaten aan oudere jongens te doen, hetgeen of de ziekenvader zelf verrigt of zijn adsistent voor chirurgale diensten, zijnde een gebrekkige volwassen jongen.
En van deze inrigting heeft men nooit wat verkeerds opgemerkt.
Meisjes of vrouwen worden dan ook overal elders als de eenige geschikte ziekenverzorgsters gehouden.
Intusschen is erg lang en rijpelijk gedacht of, en zoo ja, waarin de afscheiding der beide kunnen, hier aan het weezengesticht toch nog zoude kunnen worden verbeterd; maar elke verandering heeft zijne eigenaardige bezwaren; zoo zoude men door jongens ter verzorging van zieke jongens te nemen, gevaar loopen, dat zij in te naauwe verkeering met de ziekenoppasters zouden komen en het is, van veel meer belang de gezonden dan de zieken afgescheiden te houden.

Men heeft de zieken jongens willen verplegen in eene der zalen van Buck, maar dan kreeg men twee ziekenvaders, waarvoor Buck en vele anderen niet geschikt zijn.
Op het afzonderlijk voor en het dieet van de zieken kon ook niet zoo goed als thans worden toegezien.
Anderen weder hebben de ziekenzalen onder de geheele breedte van het gebouw en dus mede over de binnenzijde willen hebben; doch dan ontstond dezelfde zwarigheid in de behoefte aan 2 ziekenvaders en aan 2 keukens, wilde men de zieken van beider geslacht volstrekt afscheiden. Ik voor mij acht van grooter gebreke hierin gelegen zijn, dat de vertrekken voor de scabieuzen van beide kunnen, zoo kort bij elkander gelegen zijn boven, den hoek om, en zoo geheel buiten toezigt van den ziekenvader staan. Deze vindt men dan ook dikwijls tesamen of kunnen althans elk ogenblik tezamen komen, wanneer de kamerwachters afwezig zijn of het toelaten.

De volgende veranderingen zouden, misschien, nog het beste voor een en ander en ook minst kostbaar zijn.
De poort uitgaande en den hoek omslaande heeft men west de twee meisjes ziekenzalen, van 25 el lengte, dan de woning der ziekenvaders, vervolgens de twee jongens ziekenzalen van 29 el lengte en hierna de kinder benevens de trap naar de scabieuzen kamertjes.
Daar waar de jongens zieken nu zijn, nabij de keuken en den opgang naar boven, konden reeds daarvoor geen jongens tot oppassers worden genomen, maar ook als resonvalescenten?
Zouden deze zieken beter vooraan of eerst aan de poort geplaatst zijn en de meisjes achteraan, tegen welke een plaatsing enkel het verschil van 4 el lengte bestaat, die voor de jongens zieken meer dan noodig is.
Toch wanneer men de zolder boven de ziekenzalen mede geheel voor ligtere zieken en de scabieuzen inrigte, dan kon hier de ontbrekende ruimte in overvloed worden gevonden.
Een gedeelte van die zolder is tot magazijn van de fabrijk ingerigt, doch van daaraf tot aan het einde dezer flank, is eene voldoende lengte, die in twee geevenredigde  deelen, het eerste voor de jongens en het andere voor de meisjes konden worden afgedeeld, met een vast en gesloten schut tusschen beiden.
De opgang voor de jongens kan in de zaal, nevens de opzienerswoning zijn; doch voor de meisjes moest de opgang aan het einde van hare zalen, nevens de keuken zijn, uit hoofde de boven jongens-zalen tot voorbij de ziekenvaderswoning zouden vallen, van het magazijn der fabrijk.
Boven moesten de beide zalen nog eens zijn afgedeeld over de lengte, boven de middelmuur; nog den binnenkant, boven de gezondenzaal van Visscher voor de scabieuzen en de buitenkant boven de zieken voor ligtere kranken en in buitengewone ziektegevallen als ook voor een kamertje voor de ziekenoppassers te  houden.

Op die wijze, waren alle zieken en scabieuzen jongens voor, aan deze zijde der woning des ziekenvaders en evenzoo alle meisjes aan geenen kant bij de keuken. De afzondering was alzoo volkomen, behalve alleen op de plaats buiten, en de ziekenvader was ook zeer nabij de scabieuzen en ligtere zieken, boven.
Over de jongens-zieken en scabieuzen konden dan gedeeltelijk jongens en voor de kleinere vrouwen worden aangesteld, waartoe, in de eerste plaats de weduwe Hernert in aanmerking konde komen en vervolgens nog eene vertrouwde zorgvuldige vrouw van een der huisgezinnen of der bedelaarskolonisten zou kunnen worden genomen.
Tot het beschieten van het dak en de noodige schutten konden dienen al ’t houtwerk, ’t welk thans, den hoek om, voor den scabieuzen kamertjes gebragt is en voor een goed deel in de behoefte zoude voorzien.
Mogt de doelmatigheid dezer veranderingen nog niet duidelijk genoeg beschreven zijn, dan zou het een punt van nader overleg op de plaats kunnen uitmaken bij de overkomst van een van Uw Hoog Edelgestrenge leden. Ons is het best en vele verbeteringen bevattende voorgekomen.

Een veel moeijlijker tegen te gaan kwaad is dat, wat UWHoogEdG bedoelen, als hetwelks, volgens gerucht, zoo algemeen onder de jongens zou bestaan. In tusschen zijn de bewijzen, die men voor die algemeenheid kan bijbrengen, zeer onvoldoende.
In de kleine en zwakke kinderen zalen van Buck van ongeveer 150 jongens, waren er toen 9, die men daaraan schuldig kende, hoewel hunne jeugd en ziekelijkheid het haast onbegrijpelijk maakt en althans moet doen veronderstellen, dat ze, zonder oordeel, door eene bijzondere ongunstige physieke gesteldheid en verkeerde eerste opvoeding elders en wellicht ook door afstamming van hoogst zinnelijke ouders, tot het bedrijven van dit kwaad gekomen zijn, dat als niet aan de inrigting is te wijten.
Sporen van verleiding door oudere jongens van deze ongelukkige schepselen zijn er dan ook volstrekt niet te vinden. Wat daar tegen te doen, anders dan ze in het oog te houden, en te vermanen en te bestraffen, door ziekenvader en –moeder, den Geneesheer en de Geestelijken en, zooals ik aangeraden heb, hen ook te wijzen op een lijk van zoodanig een, dat niet zelden voorvalt? Dit alles geschiedt met meer belangstelling dan men zou kunnen veronderstellen.

Overigens is het van uiterste belang, deze kinderen veel bezig te houden, af te leiden en in te spannen om den groei te bevorderen, de prikkelbaarheid tegen te gaan en alzoo het gezonde werkzame leven in de plaats te doen treden van dat afgetrokken, ziekelijk en zinnelijk bestaan, dat de krachten ondermijnt en veelal in uitteering eindigt.

Ofschoon ik nu, in het algemeen, niet hoog wegloop met het nut van gymnastische spelen, acht ik dezelve toch, voor de hier bedoelde kleine kinderen, onder zorgvuldig opzigt, wel doelmatig en neem ik alzoo de vrijheid Uw Hoog Edelgestrengen te dien aanzien mijner brief van den 21 april ll.no.1061, daarover te herinneren. In hoeverre de overige jongens zich aan het bedoelde kwaad schuldig maken, is moeijelijk te weten.
Noch de Geneesheer, noch de Geestelijkheid hebben andere bewijzen voor de algemeenheid dan uit het voorkomen der jongens zoude kunnen worden afgeleid.
Ik voor mij geloof dat, daar de werkzaamheid het verkeer in de openlucht en het gebruik van weinig of geen warme drank hiertegen zoo heilzaam werken, dat het bedoelde kwaad op verre na zoo algemeen niet is als onder de jongelingen in andere gestichten of scholen verzameld.

Om evenwel eenig bewijs te hebben voor het meer of minder heerschende dier onzedelijkheid en, vervolgens, met meerder vrucht maatregelen te kunnen nemen, sloeg ik den Geneesheer eene heimelijke visitatie der jongenshemden van eene week tijds in de wasscherij voor, waarvan de uitslag in bijgevoegd extract-brief wordt vermeld, die mij niet is tegengevallen, de ouderdom en mitsdien het gevolg der eigenaardige ontwikkeling des jongelings in aanmerking genomen. Dat dezer meer bijzonder zullen worden in het oog gehouden en door leeraar en geestelijkheid zullen worden toegesproken, wordt reeds in den brief vermeld. Later zou men, ongemerkt, dergelijk onderzoek mede kunnen doen, om zo meer bijzonder op de moraliteit van diegenen te werken, welke zulks bijzonder behoeven. Andere algemeene afdoende middelen toch, geloof ik niet, dat te vinden zijn en dat overal al deze tevergeefs worden gezocht.

Tenslotte kan ik Uw Hoog Edelgestrengen verzekeren dat de ontvangen aanschrijving door mij steeds voor oogen zal worden gehouden om, telkens wanneer zich daartoe tijd en gelegenheid voordoet, bedacht te zijn bij alles wat strekken kan, om godsdienstijver op te wekken en te onderhouden en zedelijkheid te bevorderen en te handhaven.
De Direkteur der Kolonien, J. van Konijnenburg

Oftewel het is eigenlijk gekkenwerk wat de permanente commissie wil met de zaalindeling. Als kinderen over de zalen moeten worden verdeeld volgens én geslacht én godsdienstige gezindheid én leeftijd kom je er nooit uit. Om zijn gelijk aan te tonen stuurt Van Konijnenburg een Staat met de verdeling van kinderen en zaalopzieners qua godsdienstige gezindheden mee, maar die staat is nauwelijks leesbaar.

Ook als ze niet willen dat zieke jongens worden verzorgd door meisjes scheppen ze een probleem dat onoplosbaar is. Rest nog de kwestie van de zelfbevlekking die door gymnastische oefeningen moet worden bestreden, een opvatting die eerder al door de geneesheer in zijn verslag was verkondigd. Al vraagt Van Konijnenburg zich wel af of het probleem zo groot is als dominee Heldring beweert.

Daarover gaat de andere, wél leesbare bijlage bij zijn brief. Het is een notitie van Cornelis Wilhelmus Rensing, de adjunct-directeur van het eerste gesticht, met de resultaten van de heimelijke visitatie van de jongenshemden, uitgevoerd door dokter Huber. Daarbij moet worden bedacht dat de weesnummers in de hemden zijn genaaid, zodat men weet welk hem van wie is:

Veenhuizen 23 april 1849
Extract N75

Ter enzv.
De afgesproken visitatie heeft plaats gehad, 50 onder een getal van 631 droegen het kenmerk volgens den Heer Huber. Ze zijn nu bekend en zullen op eene gepaste wijze daarover onderhouden worden. Het getal bij ieder zaalopziener is als volgt:

zaal 7, 8 & 9 sterk 196 ... 17 (protestantsch)
zaal 10     sterk 232 ........  8 (protestantsch)
zaal 11 & 12 sterk 162 ...   24 Roomschen
zaal 13 & 14 sterk 41 .... 1 joden

(waaronder meer dan 2/3 boven de 16 jaar oud.

Dat er in de zaal van Buck onder een getal van 150, negen waren, is UwEd reeds bekend,
de adjunct directeur Rensing

De permanente commissie is blij met de reactie van Van Konijnenburg. Op 13 juni 1849 behandelt ze het en neemt ze onder agendapunt N16 eerst een besluit:

Besluit permanente commissie 13 juni 1849 N16 Toegestaan de invoering van gymnastische oefeningen aan het 1 gesticht te Veenhuizen ten behoeve van de kleine jongens aldaar

Toestaan de uitvoering van gymnastische oefeningen aan het 1e Gest te Veenhuizen ten behoeve van de kleine jongens aldaar alsmede den aankoop der toestellen van hout en touwwerk waarvan de kosten geraamd worden op p.m. f 12.-

Aan de 3e onderwijzer P.J. Greefkens voor het geven van onderrigt in de Gymnastie toekennen eene toelage van f 0.50 's weeks boven zijn salaris ad f 2.88 en aan de wees A.C. Vervenne toeleggen f 1.80 op den gewonen betaalstaat.

En onder agendapunt 17 ontwerpt ze een uiterst vriendelijke brief aan de directeur:

De Permanente Commissie besluit te schrijven als volgt aan den Directeur der Kolonien:

Wij hebben met genoegen ontvangen Uwen brief van den 1 dezer N1486 en aangenaam was het ons daaruit te mogen ontwaren, dat de geest en de strekking onzer aanschrijving van den 30 Maart ll. N5 zoo juist door U Edele gevoeld en begrepen is.

De door U edele bij Uwen opgemelde brief gedane mededelingen en voorstellen hebben dan ook een onderwerp van gezette overweging bij ons uitgemaakt, waarvan wij U Edele tans de slotsom gaan mededelen.

1. Dat wij weliswaar geheel doordrongen zijn van de moeijelijkheid om in de gegeven omstandigheden tot eene meerder afscheiding van personen van verschillenden leeftijd in de zalen te geraken, doch dat wij ondanks alle bezwaren in het belang dier gewigtige aangelegenheid er den meesten prijs op blijven stellen, dat zooveel maar immer mogelijk, en met den aard der inrigting overeenkomstig is, zoodanige afscheiding een punt van aanhoudende zorg en toezigt blijve;

2. dat wij besloten hebben het toezigt van den zaalopziener Kleener te doen beperken, tot de beide beneden zalen voor gereformeerden en de beide bovenzalen voor Rooms-Catholieken, thans mede onder zijn toezigt staande, te stellen onder het toezigt van eenen nieuwen Rooms-Catholieke zaalopziener;

3. dat de bekomen ophelderingen en inlichtingen nopens de verpleging der jongens in den zaal van den opziener Beck onder het toezigt van volwassene meisjes ons daarin wel kunnen doen berusten, blijvende het echter ons verlangen dat de jongens van 13 tot 15 jaren voor zooveel hun physieke toestand zulks maar eenigzins toelaat naar andere zalen worden overgeplaatst;

4. dat wij almede kunnen berusten in de consideratien nopens het bezigen van meisjes als oppassters of zaalwachters in de ziekenzalen doch er niet te min ernstig op aandringen dat, door het houden van een gestreng toezigt, alle aanleiding die de handelingen der meisjes in deze hunne betrekking zouden kunnen doen verdenken, worde voorgekomen;

5. dat wij de voorgestelde veranderingen in de ziekenzalen en scabieuzenzalen volkomen goedkeuren en het dan ook onze begeerte is, dat de uitvoering daarvan onverwijld worde bewerkstelligd, doch dat wij ons niet hebben kunnen vereenigen met het denkbeeld om de Weduwe Wernert als ziekenmoeder te employeren, en mitsdien op eene andere wijze in de oppassing der kleinere zieken en scabieuzen zal behoren te worden voorzien, waaromtrent het ons aangenaam zal zijn een nader voorstel te ontvangen.

Overigens is het ons aangenaam geweest, dat het ingesteld onderzoek nopens het zich schuldig maken aan zelfbevlekking zoo men meende, door een groot deel der jongens aan het 1e Gesticht te Veenhuizen niet den ongunstigen uitslag heeft opgeleverd als waarvoor men, te oordeelen naar de geruchten deswege, scheen te moeten veinzen.

Het door U Edele te dien opzigte bewerkstelligde draagt overigens geheel onze goedkeuring weg, waarvan wij U Edele dan ook verzoeken op den aangevangen voet voort te gaan, en alle middelen in het werk te stellen, welke tot ontdekking en wering van het bedoelde kwaad dienstig kunnen wordt geacht.

Wat ook in de verte slechts eenigermate bevorderlijk worden geacht, om de aanleiding tot dat kwaad voor te komen, willen wij dan ook gaarne aanwenden, en het is uit dien hoofde, dat wij bij ons Besluit van heden N16 U Edele gemagtigd hebben, tot het invoeren van Gymnastische oefeningen voor de kleine jongens aan het 1e Gesticht te Veenhuizen onder de beperking echter dat ten deeze geene overdrijving of eenigzins gevaarlijke proeven plaatsgrijpen.

De voortdurende behartiging van alles wat strekken kan ter bevordering der zedelijkheid, en der zin als bij onze aanschrijving is bedoeld, houden wij U Edele tenslotte op het dringendst aanbevolen.
De Permanente Commissie

Maar op één onderdeel komt de directeur nog terug. Op 23 juni 1849 vraagt hij in een brief met nummer N1678, die zich bevindt bij de uitgaande post van 9 juli 1849 N3, invnr 644, wat ze nu willen met de ziekenverzorgsters. Ze denken toch niet aan mannen voor dat werk??

Frederiksoord, 23 Junij 1849

Of schoon de veranderingen in de ziekenzalen aan het 1e Gesticht te Veenhuizen, niet zoo spoedig daargesteld zijn, neem ik intusschen de vrijheid UwHGEd om eenige opheldering te verzoeken nopens de bedoeling bij artikel 5 in verband met 4 van UwHGEd aanschrijving van 13 dezer maand N17, als waarbij een nader voorstel wordt verlangd nopens het voorzien op een andere wijze in de oppassing der kleinere zieken en scabieusen, terwijl volgens artikel 4 UwHGEd zouden berusten in de consideratien nopens het bezigen van meisjes tot oppassters of zaalwachten in de ziekenzalen.

Indien daartoe geen meisjes langer gebruikt zullen worden, dan dienen het vrouwen te zijn, en kan de weduwe Wernert er niet toe worden gebezigd, dan zouden er vrouwen uit de bedelaars-kolonisten toe genomen dienen te worden, waarbij er onder de kolonisten-huisgezinnen aan dit Gesticht geene vrouwen gevonden worden, die hiertoe geschikt en in hare huisgezinnen te missen zouden zijn.

De zorg over die kleine zieken jongens aan oudere jongens of mannen op te dragen zal toch UwHGEd bedoeling niet wezen.

De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg

Nee, mannen als ziekenverzorgers kan de permanente commissie zich niet voorstellen, en vrouwelijke bedelaars ook niet, dus laat dan maar. Ze besluit 9 juli 1849 N3, invnr 644:

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid

Besluit:

Om den Directeur der Kolonien te schrijven als volgt:

tot toelichting van artikel 5 in verband met artikel 4 onzer aanschrijving van den 13 Junij ll. N17, kunnen wij UwEd in antwoord op uwen brief van den 23 daaraanvolgende N1678, mededeelen, dat wij alleen bij gebrek aan een ander geschikt middel in het bezigen van meisjes tot oppassters of zaalwachtsters in de ziekenzalen hebben berust, doch dat wij ons niet vereenigden met het denkbeeld om de weduwe Wernert te emploijeren, het echter niet overbodig hebben geacht, uit hoofde van het belang der zaak, bij vernieuwing de aandacht der Directie op eene betere voorziening in de verpleging der kleine zieke jongens te vestigen, en, zoo mogelijk, een ander voorstel deswege indachtig te ontvangen.

Vermits echter de verpleging dier kinderen door vrouwen uit de bedelaarskolonisten niet in onze bedoeling ligt en ook het denkbeeld om daarin door oudere jongens of mannen te doen voorzien , mede niet bij ons bestaat, zoo zal als nu wel niet anders overblijven dan op den anderen voet voort te gaan, waartoe UwEd zich mitsdien voor gemagtigd kan beschouwen.
De P C