Naar het overzicht
van Veenhuizense weeskinderen



De broertjes Oege Lieuwes van Dijk en Ritske Lieuwes van Dijk uit Harlingen vinden bij hun vlucht onderdak bij de in Leeuwarden 'in garnisoen liggende Ligte Dragonders'


Op 26 april 1838 komt er een groep van dertien Harlingse wezen in het kindergesticht te Veenhuizen aan. Drie die het zonder broertjes en zusjes moeten doen, en verder twee jongens Weidema, drie kinderen Wagenaar, twee kinderen Ros en drie kinderen Van Dijk, die gezien hun patroniem wel familie van elkaar moeten zijn, en op wie we even inzoomen.


Akke Lieuwes van Dijk is volgens de kolonieadministratie geboren 29 mei 1830 en dus pas acht jaar oud bij haar aankomst en de jongste van de drie. Net als haar broers staat zij te boek met de geloofsovertuiging rooms-katholiek. Ze staat met weesnummer 1445 in het wezenregister met invnr 1413 en verder horen we van haar niets. Ze gaat op 10 april 1845 met ontslag. Dat is erg jong dus hoogstwaarschijnlijk wordt ze door familie opgenomen.

Ritske Lieuwes van Dijk komt qua leeftijd na haar, hij is volgens de kolonieadministratie geboren 3 januari 1825, hij staat met weesnummer 1443 in het wezenregister met invnr 1413 en van hem horen we des te meer.

Eerste poging

Na twee jaar, op 2 augustus 1840, gaat Ritske ervandoor. Het kost ze aanzienlijke moeite hem terug te vinden, pas op 15 oktober, dus na tweeënhalve maand hebben ze hem weer binnen. Dat betekent tuchtraad, zie het zittingsverslag van 16 oktober 1840. Met slechts vier dagen opsluiting komt hij er genadig van af.

Het maakt geen indruk op Ritske, maar de tweede keer vindt hij het leuker zijn oudere broer mee te nemen:

Oege Lieuwes van Dijk is volgens de kolonieadministratie geboren 14 juni 1822 en dus bij aankomst zestien jaar oud en nu achttien jaar. Hij heeft het weesnummer 1442 in het wezenregister met invnr 1413.

Tweede poging

Een dikke maand nadat Ritske teruggevoerd is, gaan de broers er op 24 november 1840 samen vandoor. Ze trekken richting Harlingen maar komen niet verder dan Leeuwarden. Daar vinden ze een warm onthaal bij de ‘aldaar in garnisoen liggende Ligte Dragonders’. In ruil voor een weinig stalwerk krijgen de broers kost en inwoning, ze mogen overnachten in de stallen.
Het bevalt ze zo goed dat ze met de dragonders meereizen als die naar Deventer gaan. Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want daar krijgt de politie de broers in de smiezen en brengt ze 25 december 1840 terug naar Veenhuizen. Deze omzwervingen worden kort beschreven in De kinderkolonie pagina 283.

Het betekent op 2 januari 1841 weer een tuchtraad, zie het zittingsverslag. De straffen zijn nu forser. Acht dagen opsluiting, waarbij voor Ritske geldt dat er sprake is van recidive en daarom moet hij die acht dagen doorbrengen 'met Boeijen aan'. Bovendien moeten ze de premie (als je een ontvluchte wees of bedelaar terugbrengt heb je recht op een premie van drie gulden) en de transportkosten terugbetalen.

Derde poging

Oege heeft daarna zijn lesje geleerd, we horen niet meer van hem en hij gaat op zijn twintigste op 29 april 1842 met ontslag. Maar Ritske gaat gewoon door waar hij mee bezig was. Na vier maanden is hij er weer vandoor. Hij wordt weer teruggebracht en komt weer voor de tuchtraad, zie het verslag van de zitting van 29 april 1841, en wordt weer acht dagen opgesloten met boeien aan.

Vierde poging

Het is allemaal een kwestie van warmdraaien. Op 25 mei 1841 doet hij zijn vierde ontsnappingspoging en dit keer slagen ze er niet in hem weer te pakken te krijgen en blijft hij voorgoed weg.