Naar het overzicht
van stukken over WATEREN



14 juli 1823: aanbesteding van het nieuwe gebouw, er wordt van alles geprobeerd om de prijs te drukken

Op 14 juli 1823, invnr 66, schrijft directeur Visser aan de permanen­te commissie hoe de aanbesteding van het gebouw te Wateren is verlopen:

Heden middag 12 uur de publieke aanbeste­ding van het gebouw te Wateren hebbende plaats gehad, haaste ik mij de Permanente Kommissie de uitslag daarvan te berigten.

Alvorens egter vinde ik mij verpligt ter kennis van de Permanente Kommissie te brengen dat Elzinga welke met het opmaken van het bestek en de begroting, door Zijn Hoog Ed Gestr. den Heer 2e Adsessor was belast geworden, een aanmerkelijk abuis in zijne bereekening hadt blijkens den brief in originali hier bij gevoegd, zo dat den kosten van het gebouw op ƒ3974- in plaats van ƒ3450,00 voor den besteeding waren gecal­culeerd.

Met de inschrijvingsbilleten welke zijn ingesloten en daar van gefor­meerde staat blijkt dat den minsten inschrijvers waren Wind en Bodenstaf en wel voor ƒ4500-.

Bij den daar opvolgenden finale bestelling wierde de eerstgenoemde, aannemer van het gebouw voor ƒ4390-.-.

Deze somme de laatste begroting nog ruim ƒ400-.- te bovengaande, heb ik na de ondertekening van het contract en bestek, welke hier nevens gaan den aannemer de meer waarschijnlijke disapprobatie der be­steeding door de Permanente Kommissie te kennen gegeven en tegelijk getragt, eene onderlin­ge overeenkomst te treffen, hetwelk geheel vrugteloos was, verklaar­de Wind, de minst mogelijke prijs te hebben bedongen, en dus niet kon besluiten die iets hoe weinig ook te verminderen.

Daar na heb ik het geraden gevonden, de Heer Oosterloo te vragen, of hij het ge­bouw naar het bestek zoo als het zelve daar was liggenden wilde aannemen voor minder dan ƒ4390-.-, en zo ja, mij de somme waar voor opgeven, waar op hij twee uuren tijds vroeg, om zijne bereekening te herzien.

Dee­ze verschenen zijnde, heeft hij na eenig woorden wisselen geadseerd(?) het gebouw te maken voor ƒ4200-, ten gevolgen waar van het meede hier nevens gaande contract is opgemaakt en door ons ondertekend, zo ook een afschrift van het door de Permanen­te Kommissie goedgekeurd bestek.

De kolonist Bodestaf als aannemer ook nog gevraagd hebbende of hij iets van zijne reekening wilde afdoen, verklaarde die des noods met ƒ200-.- te kunnen verminderen, en dus het gebouw voor ƒ4300-.- te willen aannee­men, het geen dus voor het tegen­woordig in geene consideratie kan worden genomen.

Al het hier boven vermelde aan het verligt oordeel der Permanente Kommissie onderwerpende, neem ik de vrijheid haar te solliciteren, mij haar besluit dien aangaande zo spoedig mogelijk te willen mede delen.

Bijgevoegd is het contract met Wind en 4 inschrijfbriefjes. Naast Wind en Bodenstaf hebben ingeschreven Oosterloo voor ƒ4800,- en H. Smit voor ƒ4669,-.