Diverse stukken over de kolonie Veenhuizen 1823-1859


Er staan her en der en overal op de site al stukken over Veenhuizen, zoals bij de weeskinderen, bij het onderwerp onderwijs en bij het onderwerp geneeskunde. Belangstellenden worden vriendelijk aangespoord daar eens te gaan shoppen.
Maar Ik heb er een aantal over die meer algemeen van aard zijn en die ik daar niet kwijt kan en die worden op deze pagina's geplaatst.


De directeur der koloniŽn doet op 10 januari 1829 verslag van een bezoek aan Veenhuizen, loopt diverse zaken langs, rapporteert een geweldincident en bespreekt met dokter Sasse een sollicitant.
Dominee Johannes Heersprink meldt op 29 januari 1829 een schreeuwend gebrek aan 'Kerk- en onderwijsboeken'. Meer dan de helft van zijn catechisanten heeft geen 'vraagboeken'.
Net als begin januari schrijft de directeur der koloniŽn ook op 6 februari 1829 een verslag van zijn bezoek aan Veenhuizen, waarbij hij alle facetten van het leven daar langsloopt.
Van het rapport van de directeur over Veenhuizen van 6 maart 1829 heb ik slechts fragmenten. De gezondheidstoestand is buitengewoon gunstig en waterzuiveringsapparaten zijn simpel te maken.
Op 12 maart 1829 stuurt de directeur wat stukken naar de permanente commissie waaruit blijkt dat er tekeningen gemaakt zijn en het oude tuchtreglement voor wezen naar Den Haag gaat.
Ook op 9 april 1829 een kort gehouden verslag van Veenhuizen. In het eerste gesticht is plaats gemaakt voor nieuw aankomende weeskinderen, de koornmolen en het karnen en het vee.
Een onbekende heeft een verslag gemaakt van de viering van Koningsdag 24 augustus 1834 in de kolonie Veenhuizen, welk verslag volgens een bijschrift is geplaatst in de Groninger Courant.
Adjunct-directeur van het derde gesticht Sikke Berends Drijber onderhandelt met diverse betrokkenen over een vaarverbinding tussen Veenhuizen en Friesland. Op 13 juni 1836 doet hij verslag.
Een in augustus 1837 door Gedeputeerde Staten van Drenthe opgestelde instructie voor de sluiswachter van het sluisje tussen de Norgervaart en de Veenhuizense Vaart.
Een van de regelmatige bezoeken van de directeur aan de kolonie Veenhuizen in februari 1842. Hij loopt alle vormen van landbouw- en industriele bedrijvigheid langs, met commentaar uit Den Haag.
Er is gebrek aan ruimte in Veenhuizen, zowel voor woonruimte als voor werkzaamheden. Directeur Van Konijnenburg schrijft er november 1842 een (slechts gedeeltelijk getranscribeerde) notitie over.
De directeur houdt het verslag van zijn bezoek aan de kolonie Veenhuizen in april 1843 dit keer kort. Winterrogge, zomerrogge, pramen met mest, katoen-spinnerij en een dronken zaalopziener.
De directeur is weer op bezoek in Veenhuizen geweest en daarvan 'tamelijk te vreden' teruggekeerd als hij 9 mei 1843 bericht krijgt van een 'onaangename passage'. Opstand en vechten!
Twee dagen later, op 11 mei 1843, stuurt de directeur het volgende verslag vanuit Veenhuizen. Alles is onder controle en de ergste booswichten zijn met veel militair vertoon uit de kolonie weggevoerd.
Als de permanente commissie er op 24 juli 1843 over te spreken komt, blijkt de angst van adjunct-directeur Rensing voor haar oordeel onterecht. Ze vinden dat hij het goed heeft aangepakt.