Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Ernstige tekorten in de magazijnen te Veenhuizen, de directeur rapporteert erover op   8 februari 1844


Op 8 februari 1844, in een brief met nummer N431, invnr 290 scans 683-685, schrijft directeur der koloniŽn aan de permanente commissie over de situatie rond het magazijn van het derde gesticht. Blijkbaar heeft de nieuwe magazijnmeester van het derde gesticht zijn baan gekregen onder de voorwaarde dat hij oude tekorten zou ophoesten!!

Overigens is er wel wat loos met die magazijnmeesters: die van het derde gesticht moest aftreden omdat hij blind was geworden en bij die van het tweede verliest een reprimande elk effect door 's mans hardhorendheid.



Ik heb de eer gehad op den 6 Juny jl te ontvangen UwHEdG Resolutie van den 30 December jl N22, houdende een eindbeschikking aangaande de bevonden verschillen in de roerende goederen in Augustus 1842.

Daaraan is dadelijk uitvoering gegeven en zijn de Adjunct-directeuren daarbij uitgenodigd geworden om te zorgen dat de bedragen der opgelegde vergoedingen nog in December 1843 in ontvang werden genomen, althans met uitzondering der f 143,77, waarvan de voldoening den nieuwen Magazijnmeester bij het 3e Gesticht te Veenhuizen, als voorwaarde zijner benoeming bij UwHEdG Besluit van den 1e December jl. N1 is opgelegd, waartoe C.L. de Lange zich onvermogend verklaart.

In de kantlijn bijgeschreven: De Permanente Commissie veronderstellen dit tekort door werkelijke stortingen te verminderen

Ter voldoening aan Artikel 4 dier Resolutie heb ik wijders de eer, UwHEdG hiernevens aan te bieden eenen, naar het mij voorkomt, voldoende Nota van opheldering, betreffende de 336 el verschillende soorten van katoen, welke in de fabryk van Kolonie no.3 zijn te veel bevonden, waartoe ik de vrijheid neem mij te refereren.

Omtrent Artikel 7 merk ik aan, dat een gemiddeld verschil van nog geen 73 pond gekleurd katoenen garen van de bontweverij, in een jaar tijds, over zulk eenen aanzienlijke hoeveelheid, die er verwerkt is, niet zo aanzienlijk is, dat zulks door wijziging der tarieven zou zijn voor te komen; waarop intusschen de bijzondere aandacht gevestigd blijft.

In de kantlijn bijgeschreven: Ter verificatie is dit verschil, daar hetwelk is, in groot bedragen kwijt, terwijl overigens in de ????

Aangaande de in het Magazijn van het 2e Gesticht teveel bevonden 45 lakens wordt hiermede een Nota overlegd, volgens welke ik wel kan aannemen dat daarvan geen bewijzen van aflevering zijn gewisseld en ook verzuimd is de grondstof daarvoor in de fabryk af te schrijven; maar de wijze waarop de fabrijksbaas het daaruit ontstane tekort heeft weten te dekken, pleit niet zeer voor de getrouwheid van deeze, noch voor een voldoend  toezigt, hetwelk er door hem dient gehouden te worden.

In de kantlijn bijgeschreven: Den fabryksbaas hiervoor streng te berispen.

Ik heb dien fabryksbaas daarover wel ernstig onderhouden, maar bij zijne hardhorendheid verliest dit allen indruk; terwijl ik den Adjunct-Directeur nog nader zal aanbevelen om zelf maandelijks de quantiteiten goederen, welke voor reparatie afgeschreven worden, dadelijk beter na te gaan.

Eindelijk heeft mij de nieuwe benoemde Magazijnmeester bij het 3e Gesticht, G.L. de Lange, verzocht bij UwEdGeb zijn beklag uit te brengen over het Besluit van 11 December 1843 N1, waarbij hem de vergoeding van zulk een groot deel der tekortkomingen, als voorwaarde zijner benoeming, is opgelegd geworden, daartoe aanvoerende, dat de overledene Meijer niet slechts in naam, maar ook in der daad effectief magazijnmeester was, die de sleutels droeg en derhalve uit- en inging zoo als hij verkoos;

van wiens tekortkomingen hij niet eerder iets vernomen heeft, dan toen dezelve in July 1842, kort voor de opneming, met verlof was gegaan, en hij door vergelijking van het boek met de aanwezige quantiteiten eenige belangrijke verschillen bemerkte

en die den Magazijnsknecht Harbrecht teveel vertrouwde, als welke de levensmiddelen ook aan den kolonistenhuisgezinnen uitgaf, geheel buiten hem adsistent, of liever schrijver van het Magazijn, om en daarbij wel uitgiften kan hebben gedaan, die niet opgegeven werden, maar waarvoor hij persoonlijk vergoeding van de Kolonisten kan hebben ontvangen;

terwijl deze Harbrecht later in January 1842 openlijk wederkeerig den Magazijnmeester Meijer beschuldigde, nu en dan objecten uit het Magazijn voor zijn huisgezin te hebben geleend, die Meijer niet heeft kunnen bewijzen te hebben teruggegeven, welk verschil hierover mij toen noodzaakte een eind aan de zaak te maken door Meijer het Magazijn te ontzeggen en De Lange, van dat ogenblik af aan, verantwoordelijk te stellen, toen er dan ook eene opneming heeft plaatsgehad, waarbij wederom tekorten zijn ontdekt, volgens den Staat welken hij mij daarvan overhandigd heeft en die UwEdGeb hiernevens wordt aangeboden.

Zonder nu juist de oneerlijkheid van den overledene Meijer zooverre te verdenken, zou ik toch ook De Lange van grove ontrouw vrij achten, daar zijne benoeming dan beter achterwege gelaten ware; maar geloof ik den toenmaligen Magazijnknecht, die zich nu en dan aan misbruik van sterken drank schuldig maakte en later, in de gewone Kolonien overgeplaatst zijnde, zich ook van geen gunstige zijde bij mij heeft doen kennen, voor de eigenlijke oorzaak der groote tekortkomingen te moeten houden, die bij Meijer veel te veel vertrouwen had, terwijl deze, sedert zijn blindheid, als verantwoordelijk Magazijnmeester had moeten aftreden.

De vrijheid nemende UwEdGeb een en ander in nadere overweging te geven, verzoek ik bij aldien De Lange dientengevolge geene verlichting der zoo bezwarende voorwaarde zijner benoeming mogt kunnen bekomen, van UwEdGeb te vernemen bij welke wekelijksche termijnen hem ter vergoeding opgelegde som moet worden ingehouden, daar hij, van eigen middelen ontbloot en met een huisgezin van 5 hoofden bezwaard, buiten staat is die som ineens op te leggen.

De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg.


De permanente commissie heeft op de brief geschreven dat ze hierover beslist op 15 februari 1844 N23, maar dat heb ik niet bekeken.