Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



29 maart 1838: Rapport van de directeur over zijn driedaags bezoek aan Veenhuizen, met vooral landbouwzaken

In het rapport van de directeur gedateerd 29 maart 1838, met nummer N721, invnr 227 scannummers 545 en verder, is er sprake van negen bouwhoeves en n die nieuw aangelegd wordt. Een mooi woord is dat grond is 'uitgeboekweit'. Het gaat ook over vreemde meststoffen en vreemde arbeiders (ook al zijn het er weinig), ter illustratie van het feit dat de eigen bevolking onvoldoende werkkracht oplevert.
En de directeur heeft weer gebrek aan geld om alles lopende te houden. Scheepsbokken zijn nodig omdat de verbinding tussen Norgervaart en Veenhuizenvaart nog niet open is.


Frederiksoord den 29 Maart 1838
                   
Ik heb de eer UWEdGeb: verslag te geven van mijn bezoek te Veenhuizen op den 22-24 van deze maand.

Er laat zich van de winterrogge nog weinig met zekerheid zeggen; ondertusschen doen de tegenwoordige nachtvorsten aan dezelve geen goed. Ook de allerlaatst gezaaide, dat bij het 3e Gesticht, kort vr den aanvang des fellen winter heeft plaats gehad, komt, echter, wel op.

Behalve de 10 morgen, op ieder der 9 bouw-hoeven, zou ook de andere helft, of 25 morgen, der nieuw ontgonnen hoeve, met aardappelen worden bepoot, dat is tezamen 10x9+25=115 bij ieder der twee gestichten en dus 230 morgen in het geheel. Ondertusschen is er maar 30,000 mud te Veenhuizen noodig, waartoe geen grootere oogst dan van 166 mud van het morgen gevorderd wordt, om die hoeveelheid van 180 morgen te  verkrijgen, de poters daar buiten, welk een oogst dit jaar wel te verwachten is, nu de grond behoorlijk met aangekochte mest zal worden bemest.

Daarenboven is het zeer te twijfelen, of wel de benoodigde mest voor het geheel zal kunnen worden bekomen, nu de winter zoo lang geduurd heeft en men, dien tengevolge, thans eerst met de aanvoer begonnen is; behalve dat ook nog eenige stukken veenachtig nieuwland, anders voor het aardappelverbouw bestemd, eerst moeten worden gebrand en daardoor hoogst waarschijnlijk te laat zullen gereed komen, om er een goed gewas van te kunnen verwachten, weshalve ik de eer heb UWEdGeb: voortestellen om niet meer dan 90 morgen, bij ieder gesticht met aardappelen te betelen, de 25 der nieuwe hoeve met nog 65 op de oude hoeven en om de overige 25 op deze laatste, welke om het branden het laatst zullen gereed komen, of welke ook wel zonder toevoeging van mest, daar voor niet ongeschikt zijn, met boekweit te zaaijen.

In de kantlijn`heeft iemand bijgeschreven dat tenminste 100 morgen aardappelen nodig zijn.

Deze 50 morgen boekweit, ofschoon in vermindering strekkende van de aardappelen, waarvan trouwens dan nog genoegzaam kan worden verbouwd, kwam dan toch in vergoeding van de veenboekweit, waarvan in dit jaar niet zoo veel als in vorige jaren kan worden verbouwd, uit hoofde er bij het 1e Gesticht van de 50 morgen, 10 is uitgeboekweit en bij het 3e van de 100 morgen 25 zijn uitgeboekweit en nog andere 25 door de uitgebreide turfgraverij zijn ingenomen geworden, in plaats van welke 60 morgen in het geheel, de 50 morgen binnen de hoeven, om, derzelver meerdere deugdzaamheid rijkelijk opwegen kunnen.

En om anders, die 60 morgen boekweiten-veengrond nu nog door nieuw aan te leggen te doen vervangen, daartoe ontbreekt het der bevolking niet slechts aan krachten, maar is het ook reeds te laat geworden, aangezien zulk veld reeds vr den winter behoort te worden gegrept en gehakt, om UWEdGeb: te kunnen voorstellen, daartoe nog vreemde werklieden te nemen, waartoe ook f 40,- voor het morgen gevorderd zouden worden en geen arbeiders te bekomen zouden zijn, daar het turfgraven reeds begonnen is en het thans overal met den landbouw even druk is.

Er is verleden jaar door UWEdGeb: bepaald, dat de 4 morgen gerst met klaver op elke bouwhoeve, welke toen, bij gebrek aan mest, niet hebben kunnen worden verkregen, zoo veel mogelijk in dit jaar zouden worden verdubbeld, in alle gevallen zorgende, dat er dit jaar genoegzaam hooi gewonnen zou worden.

Nu zou men bij het 1e de 8 morgen, wat de daartoe gevorderde arbeid betreft, misschien gereed kunnen krijgen, maar het geheel niet zoo vroeg, als de gerst best wil gezaaid wezen. Ook zij er nog stukken grond onder, die mede eerst gebrand moeten worden, en het is ook proefondervindelijk, over eene aanmerkelijke oppervlakte gebleken, dat het Groninger raijgras met witte klaver reeds het eerste jaar en zelfs nog laat in den herfst eene zware snee best gras, uitmuntend om te hooijen, geeft; zoodat ik UWEdGeb: moet in bedenking geven, om slechts 4 morgen op iedere bouwhoeve, dat is 36 bij ieder gesticht en dus 72 over het geheel, voor gerst met klaver zorgvuldig en allereerst te doen gereed maken en de tweede 36 morgen bij het 1e gesticht wat later, voor zoogenoemd smeer-raijgras met witte klaver te bereiden en bij het 3e slechts zoo veel van gelijke 36, als waarvoor geen tamelijk goed oud groenland nog een jaar te behouden en met eene matige overmesting geschikt om te worden gemaaid te brengen zal wezen, de wijl men hier nog wel zulke stukken heeft en de massa arbeids het grootst is, om dat de ontginning op de hoeven het meest achterlijk was.

Om eene kleine schets te geven van de moeijelijkheid, om in dit korte voorjaar tijdig gereed te komen, zal ik slechts aanstippen, dat 10 morgen met aardappelen en boekweit, benevens 8 morgen met gerst of raijgras, ongerekend het weinige dat hier van bij het 3e Gesticht niet zal worden bebouwd, een totaal van 18 morgen op elke bouwhoeve oplevert, door elkander, ten minste twee malen moeten worden geploegd, terwijl n span ossen niet meer dan 300 roeden daags doet en dan nog bezwaarlijk 5 dagen s weeks trekken kan, dat dus 18x2x2=72 dagwerken en dus voor 14 weken arbeids oplevert, waartoe dus ook Junij zal gevorderd worden, dat te laat voor aardappelen en ook voor gerst, maar niet voor boekweit en raijgras zoude wezen.

Op eggen, mest rijden, zand halen is nu nog niet eens gerekend, waarom ik dan ook geloof, dat het gene zaak is den stok verder te zetten.

Daarbij is de berekende behoefte vreemde meststoffen, volgens mijne algemeene begrootingen bij ieder gesticht 14.000 vor, voor zoo veel gulden, welke hoeveelheid althans niet tijdig genoeg voor aardappelen en gerst te verwachten is, daar er nog 1000 voer, of 25 Smildinger pramen, wekelijks gevorderd worden, om ze in 14 weken te kunnen bekomen.

Door nu gedeeltelijk boekweit voor aardappelen en raijgras voor gerst te nemen en eenige nog goede stukken groenland bij het 3e gesticht met eene overmesting te behouden, zal er niet alleen tijd gewonnen maar ook mest bespaard en eene goede slaging van het een en ander meer verzekerd zijn.

Aangenaam zal het mij zijn het goedvinden van UWEdGeb: hierop zoodra mogelijk te vernemen.

Op het advijs van beiden de Adjunct Directeuren heb ik gemeend het broodvoeren aan de ossen thans van 3 op 4 pond daags te moeten verhoogen.

De 6 en 5 span overgehouden paarden bij de gestichten 1 & 3, zijn voor het dagelijksch vervoer van goederen en personen benevens voor de beteeling der melkhoeven en van de nieuw ontgonnen hoeven meer dan noodig.

Bij het 1e Gesticht op hoeve N. 10, rondom de kerken gelegen, staan 4 morgen 2 jarige brem, die bezwaarlijk voor aardappelen te missen zijn, omdat deze hoeve nog zoo onvoltallig is, en daar het toch te vrezen is, dat dezelve zoo sterk in de toppen bevroren is, dat ze dezen zomer niet bloeijen zal, meen ik UWEdGeb: te moeten voorstellen om dezelve voor de aardappel cultuur te gebruiken, blijvende er in alle gevallen bij het 3e Gesticht, nog eene groote oppervlakte met brem over, om er zoo veel mogelijk zaad van te winnen.

De brem verandert nog geenzins van derzelver bruine kleur, zoodat het nog niet te zien is, waar ze wer zal uitloopen.

Het is bij de beide gestichten opgemerkt en mij aangetoond, dat daar waar de geilste rogge gegroeid is, de brem het minst is voortgekomen.

Aangezien bij het 1e gesticht van de 108 morgen winter-rogge op de bouwhoeven slechts 37 met bremzaad hebben kunnen worden ingezaaid, bij gebrek aan meerder zaad, is de vraag ontstaan, of de overige 71 morgen, die meerendeels met straatvuil zoo goed bemest is, niet voordeelig met klaverzaad zou worden ingezaaid, waarvan de kosten tegen 12 pond van 50 centen op het morgen f 6,- zouden zijn, naar ik meen gelijk aan die der bezaaijing met bremzaad, wanneer er 30 pond, gelijk vroeger, van 20 centen op verzaaid wordt.

Gelukt dit, dan zal men in het najaar, op zijn minst eene beste schapenweide hebben en best ondervoer(?) en het rogge stroo en in het volgende jaar meer dan dat. Ook hierop wensch ik UWEdGeb: spoedig welnemen te mogen verstaan.

Er waren nog maar weinig vreemde arbeiders in het werk, die bezig waren met het diep spitten van de laatste 3 morgen, bij ieder gesticht, hoogen en vasten zand-grond, op de bestaande hoeven en het schieten van zand, uit nieuw gegraven slooten, welk een en ander in 2 3 weken zoude afloopen. Aan het diepspitten op de tweede aan te leggen hoeven kan, derhalve, nog geen begin worden gemaakt en in den voor-tijd zal hiertoe slechts weinige arbeiders te vinden wezen, zoodat het ook bezwaarlijk gaan zal, om van deze 2e hoeve reeds in het aanstaande najaar de helft met rogge te bezaaijen.

Er ligt kort om de Protestantsche kerk nog 100 a 200 roeden gronds woest, welke UWEdGeb: zeker gaarne diepgespit en tot boschgrond aangelegd zullen zien, waartoe eene menigte jonge dennen bij het 1e Gesticht voorhanden zijn en, om de voortgaande beteeling, ook opgenomen moeten worden, weshalve ik ook hierop UWEdGeb: goedkeuring vraag.

In onze turfgraverij zal in de volgende week een begin worden gemaakt en binnen 8 dagen verwachten wij dezen arbeid in vollen gang. Niettegenstaande de buitenlandsche arbeiders een gedeelte hunner verdiensten tot bij den afloop laten staan, zal er bijna f 600,- s weeks noodig zijn, om welke som, uit de verkoop van turf te vinden er wekelijks 12 pramen turf van f 50,- zouden moeten worden verkocht, tegen welken prijs verleden week de 6e na den winter, gelade werd, dat is tegen f 25,- het dagwerk, daar de turf s voorjaars zoo veel kleiner is, dat de vaartuigen 2 dagwerken kunnen laden, zijnde bijna f 19,- buiten den accijns en dus nog niet hooger dan waarvoor ze verleden najaar verkocht is.

Aangenomen nu, dat de verkoop zoo sterk gaan zal, dat verre van zeker is, - dan blijft er nog f 1000,- bij ieder gesticht voor mest en eenige vreemde arbeiders s weeks noodig, dat is f 2000,- te Veenhuizen. Te Ommerschans is er mede f 1000,- s weeks noodig en in de gewone Kolonien ongeveer f 2000,- in alles f 5000,-. Daar ik nu telken weke nagenoeg f 4000,- voor geaccepteerde betalingen en behoeften telkens nog aanzienlijke betalingen voor de gebouwde weverijen en de weefgetouwen te doen heb, zoo mede voor de ontslagen weezen en bedelaars-kolonisten, terwijl ik nog niet eens gerekend heb de contanten die er wekelijks dadelijk gevorderd worden tot verschillende einden, zoo spreekt het van zelve, dat het thans, nu alle uitgaven zich z zeer op een hoopen, onmogelijk met de gewone remise doen kan, waarom het dan ook stellig zeker is, dat zonder vermeerdering van dezelve de zaken onmogelijk goed loopende kunnen worden gehouden, maar noodwendig hier of daar lijden moeten, weshalve ik UWEdGeb: nogmaals zeer dringend verzoek om hierin thans wel eenigzins te willen voorzien en mijne overgroote zorg daardoor te verligten.

Wat de vaart betreft dezelve is vol waters, zoodat de wallen hier en daar overloopen en, des niettegenstaande, is men dagelijksch vr aan het begin, met 2 man aan het baggeren, om dezelve voor goed geladen schepen bevaarbaar te houden, hetgeen men zich echter vleit nog lang te kunnen volhouden.

Zoo daardoor, als om zand aan te vlotten, van de vaarts wallen boven het 1e gesticht, tot verhooging van de laagste plaatsen en die wallen benedenwaards, in de kolonie, en tegen den zomer, voor de veenachtige stukken bremgronds, die met zand mest, tot winter koolzaad moeten worden gereed gemaakt, zijn thans, ten minste nog 2 scheeps bokken benoodigd, welke ik UWEdGeb: verzoek te mogen aankoopen moetende er zelfs misschien nog eenige in huur worden genomen, om het transport van de veelvuldige mest langs de wijken en bij het 3e Gesticht, van de Haulerwijk te kunnen doen voortgaan, waarmede ik vertrouw dat UWEdGeb: almede genoegen zullen nemen.

Nog moet ik UWEdGeb: voorstellen om zoodra mogelijk de dwarswijk uit de 6e en de 5e wijk, ten Noorden van het 3e Gesticht, nog eene halve hoeve lengte, in dezelfde rigting, door te trekken tot aan de hoeve van de 4e wijk, daar deze niet zoo verre naar beneden loopt, of, om de laagte van het terrein, gebragt kan worden, ten einde mest ter bedoelde plaatse mede te kunnen aanvoeren, hetgeen per as, in een jaar bijna zoo veel kosten zou, als de voorgeslagen verlenging die door den Adjunct-Directeur, op goeden grond niet hooger dan f 250,- gesteld wordt.

Om de veelheid der zaken heb ik in mijne voordragt kort moeten zijn, maar UWEdGeb: kunnen zich verzekerd houden, dat alle punten door mij in de 3 dagen tijds, welke ik te Veenhuizen doorgebragt heb, met de meeste zorg zijn overlegd.

Eenige andere min belangrijke of spoed vereischende huisselijke aangelegenheden moet ik thans achterwege laten.

De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg