Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Verslag over met name de fabriekmatige activiteiten in Veenhuizen door de directeur op 31 januari 1834


Dit verslag met datum 31 januari 1834 en met nummer N208 bevindt zich in invnr 144 de scans 476-480. De permanente commissie heeft bij de eerste alinea in de kantlijn met potlood geschreven 'Goed' en behandelt dit stuk op haar vergadering van 12 februari 1834 bij agendapunt N11.


Ik ben UwEd nog rapport verschuldigd van mijn bezoek te Veenhuizen, op den 16, 17 en 18 dezer maand afgelegd. Het zachte winterweder doet den veldarbeid voortgaan. Bij het 1e Gesticht is de f 200,00 tot het aanleggen en behakken van nieuwen boekweiten veengrond toegestaan, besteed en men zou gevoegelijk daartoe nog zoo veel kunnen aanwenden, waartoe ik de eer heb UwEd goedvinden te vragen.

Overigens was men hier en daar aan de noodzakelijke verbetering van de wegen bezig. Die, vooral op het terrein van het 3e Gesticht, in eenen bijna onbruikbaren staat zijn; doch, waartoe met meer vrucht in de zomer kan worden gearbeid, hetgeen dan niet zal behooren te worden verzuimd, daar de moeijelijkheid en kostbaarheid van den overgang en vervoer langs zulke wegen ongeloofelijk groot is.

Aan het boekweit dorschen, waartoe eene bevroren grond vereischt wordt, heeft men alzoo nog niet kunnen doen en zal men dit werk, alzoo tot nadere gelegenheid moeten uitstellen.

De fabrijken waren, ditmaal inzonderheid, voorwerpen van mijn onderzoek.

Bij het 1e Gesticht worden die werkzaamheden vrij goed voortgezet. De vier weefgetouwen, alhier opgerigt, zijn goed aan de gang en niets verhindert ons er meerdere aan den gang te brengen dan eene geschikte localiteit, om ze te kunnen plaatsen.

De fabrijksbaas Klaufus voldoet, niettegenstaande zijne hooge jaren, onder het toezigt en de zorg van den Adjunct-Directeur bijzonder wel.

Bij het 2e gesticht worden de fabrijkmatige werkzaamheden niet minder goed voortgezet.

Men telt hier thans 293 personen aan dien arbeid bezig, waaronder 103 vlas-spinsters, terwijl er voormaals in den winter slechts 40 waren, doch de geheele vergrootte ruimte voor de fabrijken is dan nu ook geheel bezet, en wat er nog niet meer zou kunnen verrigt worden, bij meerdere geschikte localiteit, laat zich begrijpen uit de gemaakte vorderingen sedert den vorigen winter en het aantal personen dat men ledig ziet loopen.

Ik hoop hartelijk, dat UwEd dit punt, in den aanstaande zomer, nog eens rijpelijk in overweging zullen gelieven te nemen.

Uit mijn ingezonden kolonie-berigten zullen UwEd vernomen hebben, hoeveel strekken voer- en frijlaken, benevens linnen en noppendoek er reeds in voorraad zijn.

Het spinnen van vlasgaren moet nog sterker worden voortgezet, zal er met het aanstaande voorjaar genoegzaam voor de wevers in voorraad zijn; tot welk einde ik ieder Gesticht eene taks heb gesteld, die er wekelijks moet worden gesponnen, kunnende er door de huisgezinnen nog veel meer worden gedaan dat tot hiertoe gebeurde.

Gebrek aan goed gereedschap, inzonderheid voor de wevers, zijnde al het oude van vroeger tijd of versleten of minder geschikt; voorts, de vochtigheid van het weder en het lekken op eene menigte plaatsen, waardoor sommige weefgetouwen volstrekt hebben moeten stilstaan, zijn alle bezwaren, die de fabrijkmatigen werkzaamheden belangrijk vertragen en waarin te voorzien, vooral door doelmatige localiteit, wezenlijk van het hoogste belang is.

De klompen, die er gemaakt worden, zijn, bij nadere bezigtiging, werkelijk goed, doch dezelve dienen eerst goed droog te wezen, alvorens ze kunnen worden gebruikt, waarom ze thans in voorraad gemaakt worden.

De smid Hubsart en de kuiper Nobbe bij het 2e Gesticht, welke laatste eigenlijk voor de gewone kolonien bestemd was en, uit dien hoofde met geen minder inkomen, dan hij daar hebben zou, in zijne tegenwoordige betrekking, waarin hij uitmuntend voldoet, kan worden behouden, wenschen, ieder, wekelijks f 1,00 van hun matig salaris, in gewoon geld te ontvangen, aan welk verzoek ik gaarne onder UwEd goedkeuring zoude voldoen.

De nieuwe geneesheer heeft mij twee vragen gedaan, welke ik almede aan U Edelgestrengen moet overbrengen. Vooreerst, of er weldra een tweede te verwachten is, daar hij zich anders van een paard en eenig voertuig zoude wenschen te voorzien, en ten tweede, hoedanig het gelegen is met de vaste aanstelling eener vroedvrouw, daar men intusschen moet blijven voortgaan aan de vrouw, welke tot hiertoe als zoodanig gebruikt wordt, de gewonen toelage voor iedere verlossing te doen.

Het ware te wenschen, dat het nieuwe reglement thans geheel ten uitvoer gelegd werd.

Eindelijk moet ik nog voor UwEd aandacht verlevendigen de zaak van het waschhuis, van eene droogloots en van ene weverij bij het 1e Gesticht.

De moeijelijkheid om het linnen en wollen goed in dezen winter droog te krijgen en de begeerte om ook hier het vereischte getal weefgetouwen aan den gang te brengen, doen mij, thans, nu de gelegenheid nog daar is, om het benoodigde hout beter koop te kunnen verkrijgen, en hetzelve in voorraad, door eigen kolonisten te doen bewerken, daarop terugtekomen, met dringend verzoek, dat UwEd hierop, eindelijk, eene decisie nemen en, kan het zijn, zoo als door mij aan UwEd nog mededeelen, dat, onder schade door de stormen, teweeggebragt, begrepen is, die aan de hekken op het binnenplein aan het 1e Gesticht, welke, evenwel, grootendeels reeds waren vergaan, zoodat dezelve genoegzaam zouden moeten worden vernieuwd.

Het onderhoud aan de hekken, bij al de Gestichten, is kostbaar, waarom, onder anderen, de Adjunct-Directeur van dit Gesticht voorstelt, die hekken geheel weg te laten, zich sterk makende, dat de gemeenschap van de beide sexen daardoor niet zal vermeerderen of hieruit eenig ander kwaad gevolg ontstaan.

Mij dunkt, dat hiervan, thans, alvorens tot de vernieuwing der hekken over te gaan, ligtelijk eene proeve ware te nemen, welke bij dit Gesticht, althans, het minst kwaad vrezen doet,  kunnende de oude hekken vooreerst, zorgvuldig worden opgeborgen en bewaard.

Het zal mij aangenaam zijn, op een en ander met UwEd antwoord vereerd te worden.

De Direkteur der Kolonien,
J. van Konijnenburg