Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Uit het jaarverslag 1833 de houtpoting in Veenhuizen (en Wateren)

Deze bijdrage aan het jaarverslag moet ook ergens bij de ingekomen post zitten, invnrs 144-146 denk ik, maar ik weet niet waar. Dat geeft niet, want het staat ongetwijfeld ook in het jaarverslag dat in de Vriend des Vaderlands afgedrukt wordt. Het gedeelte onderaan over Wateren neem ik even mee omdat ik er elders geen plek voor weet.


Verslag van de houtpoting en van het houtgewas over 1833

()

Bij het 1e Gesticht te Veenhuizen zijn eenige duizende elzen potelingen, om en bij het Gesticht, zoo ter inboeting, als nieuwen aanleg, gepoot, benevens den tuin van nog meerdere heggen voorzien en in denzelven ook een weinig boomzaad gezaaid.

Een en ander komt tamelijk wel aan. De oude populieren maken geen schot en sterven gedeeltelijk, uit hoofde de grond voor dezelve zeker niet behoorlijk is losgemaakt geweest.

31,000 elzen en 2,700 berken zijn er bij het 3e Gesticht gepoot, mede ter inboeting en tot nieuwen aanleg van heggen, om en tusschen de hoeven. Voor de nieuwe aangelegde is de te hoogen grond eerst, tot op het winterwater, afgenomen geworden, dat voor de els eene goede en noodwendige zaak is. Dit houtgewas, zoowel als de in de laatste jaren gepote eiken en ook de oude wilgen, komen zeer wel aan of groeien goed voort.

De vroegere aanleg voor het 3e Gesticht zelf, inzonderheid, geeft reeds veel beschutting en verfraaiing aan hetzelve.

Te Wateren heeft men zich in 1833 slechts bij inboeting van het bestaande moeten bepalen, om den overgrooten last des werks van den landbouw, die men op zich genomen had; om in 1834, gelijk het voornemen is, aan de houtpoting zoo veel meer te doen. Het bestaande hout groeit vrij wel op, zoodat het Gesticht des zomers reeds bevallig in het lommer of althans in de schaduw ligt.

De stukken gronds, vroeger met dennen bezaaid, komen hoe langer zoo beter vooruit.

De Permanente Commissie gelieve, bij de beoordeling van een en ander, niet uit het oog te verliezen, over welke eene geringe geldsom tot deze aangelegenheid maar mag of kan beschikt worden, die voor de behoefte van zulk eene groote uitgestrektheid gronds, waarlijk al zeer gering mag heten.
De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg