Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



De directeur doet verslag van zijn bezoek aan Veenhuizen van 7 tot 10 december 1833

Bij een verslag over Veenhuizen op 14 december 1833 maakt de directeur melding van de bevestiging van dominee Van Rinteln en de aanvaarding van zijn functie van de geneesheer HuŽt. Het stuk bevindt zich in invnr 143


Ik ben UWelEdG nog rapport verschuldigd van mijn afgelegd bezoek te Veenhuizen, van den 7 tot den 10 dezer maand. Des zondags heb ik de bevestiging van den Heer Predikant van Rinteln door ds. Redingius van Rhoden, en de intredingsrede van eerstgenoemden bijgewoond. Wanneer de ijver van den nieuwen leeraar zijne bekwaamheden evenaart, dan, geloof ik, mag men zich gelukwenschen met zijne beroeping in de gemeente te Veenhuizen, aan wier zedelijke belangen zeer veel te arbeiden valt.


De nieuwe benoemde eerste geneesheer, de Heer Huet, zou in deze week zijne functien mede aanvaarden. De gezondheid blijft naar wensch, en gelukkig mag men het noemen, dat dezelve, gedurende de vacaturen in de geneeskundige dienst, zoo bij uitnemendheid gunstig is geweest.


Het rogge zaaijen mag geŽindigd heten.

Bij het 1e Gesticht zijn er 100 bunders bezaaid; bij het 3e ruim 90, welk verschil in ongelijkheid van bemesting kan gelegen zijn.
Overal zie ik deze roggevelden zeer schoon en op behoorlijke afwatering liggen, zoo dat eene toenemende betere bewerking van den grond mij in het oog is gevallen.

Met het behakken van nieuw boekweitenveld, bij het 1e Gesticht, gaat men nog voort, voor zoo ver het weder zulks nog toelaat.

Overigens is de veldarbeid voor dit jaar afgelopen.


Het vee blijft in eenen goede staat. De vette koeijen, die er geslacht worden, voldoen allen nog evenzeer en wegen kort bij de 300 ld, waaronder er zijn, die meer van 50 ld vet afwerpen.

Bij het 1e Gesticht zijn eenige dragtige vaarzen gekocht, om de afgaande koeijen te vervangen, ook die in het volgende jaar zullen afgaan, zullende men eerst in den volgenden winter hier jonge koeijen van eigen fokkerij verkrijgen.


Het hooi is geheel aangevoerd en kan, grootendeels, thans, ook te water, aan de Norgervaart in de Kolonien worden overgebragt. Ook levensmiddelen, winkelwaren, grondstoffen en alle andere behoeften zijn, tegen den naderenden winter, aangebragt en op de plaats voorhanden, zoo dat ik niet weet, waaraan eenige behoefte zoude kunnen ontstaan.


Met de werkzaamheden in de fabrijk gaat het goed voort. Bij het 2e Gesticht alleen telde ik 81 vlas-spinsters. Op 15 weefgetouwen wordt wit linnen geweven, op 5 grijs, op 15 voerlaken, op 4 pij en op 2 noppendoek. 300 ellen linnen worden er reeds ís weeks vervaardigd.

Het eerste hemd van eigen gereed linnen, hetwelk in het voorjaar is in gebruik genomen, is dezer dagen ter herstelling voorgekomen, dat een bewijs is van de deugdzaamheid van dezelve.


Ook in de klompenmakerij gaat men druk voort te arbeiden; maar zijn deze klompen in den winter te nat en te zwaar van hout, om dadelijk te kunnen worden gedragen, waarom aan de daarover ingekomen klagten moet worden toegegeven en er dezen winter nog eenige aangekogte klompen zullen moeten worden gebruikt.


De kuiperij voorziet thans mede geheel in de behoefte, gelijk ook de smederij en de wagenmakerij.


Den schrijver van den fabrijken van Eldik is de vermaning van het Departement van Oorlog overgebragt en moet daarvan het effect worden afgewagt.

Intusschen is het schrijfwerk van de fabrijken bij het 1e Gesticht, ook om den ziekelijken staat van van Eldik en omdat de Adjunct-Directeur het vereischte opzigt over de fabrijk hebben zou, bij het Gesticht teruggebragt en wordt  de f 1,50 verdiensten, voorloopig, en onder UWelEdG goedkeuring, uitbetaald als aan den adsistent Goelen f 1,00 en aan 2 weezen de overige 50 centen.

Ook bij het 3e Gesticht acht ik zulks, in het belang der zaak, volstrekt noodig, waarom ik UWelEdG voorstel, het bedoelde werk met 1 Januarij mede bij het bureau van dit Gesticht te doen waarnemen, onder verantwoordelijkheid der boekhouders van binnen, door zekeren kolonist Roodenburg, welke tot anderen koloniale arbeid toch weinig geschikt is.

UWelEdG gelieven mij op beide deze punten wel derzelver goedkeuring te doen kennen.

Met potlood bijgeschreven door een lid van de permanente commissie: Goed, tenminste wat de zaak aangaat, ook wel de personen


Bij het 1e Gesticht zijn nog 41 blaauw lakensche kolonisten buizen voorhanden, welke daar, misschien sedert de eerste bevolking der Gestichten, ontvangen zijn en om derzelver duurte niet gebruikt worden; waarom ik UWelEdG ter voorkoning van verder bederf door mot en muis, in bedenking geef, om derzelve tegen den prijs van pijen buizen uit te reiken.

Met potlood bijgeschreven door een lid van de permanente commissie: Goed


De winkelier bij het 2e Gesticht geraakt wederom ten achteren, zoo als uit de maandelijkse overlegd wordende staten van opneeming des winkels, blijken kan.

Met potlood bijgeschreven door een lid van de permanente commissie: Die zal dan wel weg moeten


De onderofficier Hoeksloot, opziener van de zieken zalen bij het 1e Gesticht, heeft zijn gagement ontvangen, doch heb ik van diens ontslag uit de Kolonien van UWelEdG nog niets vernomen.

Ik heb de eer UWelEdG dit verslag mijner bevinding aan te bieden .
De Directeur der Kolonien,
J. van Konijnenburg