Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN





Het begin van de jarenlange problemen rond de in 1824 overhaast gegraven Kolonievaart


Op 19 september 1829 richt burgemeester Tinckens van Norg zich tot Gedeputeerde Staten van Drenthe met klachten over de Kolonievaart. De brief komt later bij de directeur der koloniŽn die hem kopieert en naar de permanente commissie stuurt, invnr 100, scans 268-269. Uit de brief wordt geciteerd op de pagina 151-152 van De kinderkolonie:


Aan Heeren Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe

No.239
Westervelde, den 19 september 1829

Het Gemeente Bestuur van Norg heeft op den 12 April 1823, met de Maatschappij van Weldadigheid een Contract aangegaan over het opleggen van eenen wijk uit de Norgervaart naar Florisland, welk contract door UwEdG Achtbaren is geapprobeerd bij resolutie van den 16e April 1823 N5.

Bij Artikel twee van dat Contract is bepaald dat de Maatschappij zoo vele klapbruggen, draaivonders en pompen zal moeten laten leggen en onderhouden als het Gemeentebestuur redelijkerwijs tot herstel van de afgebrokene passagie en drift, en lossen van het water nodig hebben zal en vorderen kan.

De Maatschappij van Weldadigheid heeft ook tengevolge het voornoemde contract de vaart of wijk opgelegd.

En schoon het peil van het water in deze wijk boven de daaraan belende grond verheven is, zijn er geene pompen onder deze wijk doorgelegd, om dit veld behoorlijk te kunnen afwateren, en vermits hierdoor de afwatering van het aan de Zuidzijde gelegene veld en veen gestremd is geworden, hebben de marktgenoten van Norg, Zuid en Westervelde in dit en het voorgaande natte jaar veel nadeel geleden door deze belette afwatering, terwijl zij daarenboven gevaar lopen van aanmerkelijke schade te moeten lijden zoo eens de waterkering bij langs die vaart, die zeer smal is, en reeds meermalen op het punt gestaan heeft, van te zullen doorbreken, bezweek.

De Maatschappij heeft weliswaar na het aanleggen van deze vaart ongeveer in het midden tusschen Florisland of het eerste Gesticht en de Norgervaart een verlaat gelegd waardoor het gevaar van doorbraak aanmerkelijk is verminderd, omdat de wallen tusschen het Verlaat en Florisland nog aanmerkelijk hoger waren dan de anderen zijn, dog dit gevaar bestaat nog, en bij aldien de kastelein H.J. Roemer aan de Norgervaart, tot tweemalen toe, de reeds begonnene doorbraken niet had gedamt, zoude niet alleen het veld, veen en turf met het nieuw aangelegde land van de Marktgenoten van Norg, Zuid en Westervelde onder water zijn gelopen, maar daarenboven ook de gehele Smillingen hoofdvaart zijn water hebben verloren.

Daar het bovenste verlaat van de Maatschappij thans in geene beste staat is, en het gevaar van doorbraak daardoor vergroot wordt, vermeen ik uit aanmerking van het belang, hetgeen deze Gemeente er bij heeft, dat niet alleen het veld en veen behoorlijk kan afwateren, maar ook dat zij voor doorbraken beveiligd blijft, UEG Achtb. hiermede bekend te moeten maken, en tevens te moeten opmerken dat de Marktgenoten behoorlijk hunne velden en veenen zullen kunnen afwateren, zoo het bovenste schut van de Maatschappij van Weldadigheid bij de Norgervaart geplaatst wierde, waardoor ook al het gevaar voor doorbreken zoude zijn weggenomen.

Dit zoude naar mijn inzien daarenboven ook nog dit groote voordeel voor de hoofdvaart aanbrengen, dat het doortrekken van het water door de dijken ophield, en dat er dan een goed opzigt over het verlaat konde worden gehouden, aan welk gebrek het verspillen van veel water uit de hoofdvaart bevorens met regt is toegeschreven geworden.

De Burgemeester van Norg
J.Tonckens
Voor kopie conform
de Direkteur der Kolonien
J. van Konijnenburg.

Gedeputeerde Staten heeft op de brief geschreven: 'Agenda 22 september 1829 no.28/99 - Nader 26 september 1829 no.9/99'. Dat laatste houdt in dat ze 26 september 1829 de brief doorsturen naar de directeur der koloniŽn, invnr 100 scan 267:


Assen, den 26 september 1829
No. 9
Zij deze gesteld in handen van den Heere Directeur der Kolonien,
om daarop binnen 14 dagen na dato
met terugzending te dienen van berigt en belang.
De Gedeputeerde Staten van Drenthe
Ter ordonnantie van dezelven,
get. W.H. Hofstede.

Wat de Maatschappij hierop antwoordt, weet ik niet, maar het is te laat en te weinig. Met name het onttrekken van water aan de Drentse Hoofdvaart brengt de provincie ertoe drastische maatregelen te treffen en de boel dicht te gooien. Pas na het bouwen van een schutsluis gaat in 1830 de vaarverbinding weer open.