Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



9 april 1829, kort verslag van de directeur over Veenhuizen: koornmolen, karnmolen en de veestapel te Wateren 'in eene allerslegste toestand'


Op 9 april 1829 is er weer een kort verslag van directeur der koloniŽn Wouter Visser. Er wordt in het eerste gesticht plaats gemaakt zodat nieuw aankomende weeskinderen daar terecht kunnen, de koornmolen en de karnmolen zijn in werking, maar het vee te Wateren is er beroerd aan toe. De brief bevindt zich in invnr 96 de scans 449-450:


Frederiksoord, 9 April 1829

(...)

Voorts aangaande mijn bevinding te Veenhuizen kortelijk te berigten dat de Staat der gezondheid in de Gestichten aldaar dezelfde is, als sedert 2 a 3 weken, zijnde zoowel in het 1e en 2e als in 3e Gesticht verscheiden min belangrijke zieken, doch gevaarlijk zeer weinig;

op den 7e dezer is een honderdtal kinderen uit het 1e naar het 3e Gesticht overgeplaatst teneinde plaats te maken voor de nieuw aankomende, terwijl op morgen den 10e de overplaatsing, voorgeschreven bij missive der Permanente Kommissie dd. 1e dezer zal geschieden.

Op de voeding, kleeding, order en zindelijkheid in alle Gestichten valt niets aan te merken;

den veteranen zal hun tegoed aan kleeding van voorgaande jaar, in natura worden verstrekt.

De veldarbeid was nu ook aldaar zoo als elders weder met kragt hervat, en wordt al het mogelijke aangewend, om de tot zoomervrugten bestemde gronden in gereedheid te brengen.

Het vee is in het algemeen in zeer goede staat, doch zijn aan het 1e Etablissement van tijd tot tijd eenige schapen gestorven, aan het 2e en 3e bepaald dit zich tot weinige.

De koornmolen is thans ook in zooverre afgewerkt, dat men een begin heeft kunnen maken daarop te malen, waarvan wij reeds dadelijk het gemak en de voordeelen hebben ondervonden.

Verder is de karnmolen en geheele inrigting tot het maken van boter enzovoort aan het 3e Gesticht geheel in gereedheid, en evenals aan het 1e Etablissement geregeld; het aantal koeijen zou dan nu, in het belang van den landbouw, zoowel als tot gerief van zooveele veteranen en andere huisgezinnen kunnen behoren te worden vermeerdert, waarom ik de eer heb hierbij de Permanente Kommissie voor te stellen dit langzamerhand te doen.

Bij mijne terugkomst van Veenhuizen ben ik als gewoonte te Wateren geweest en vond aldaar den geheele veestapel, die in de loop van de winter steeds een minder gunstige aanzien had, thans in eene allerslegste toestand, vroeger had ik reeds de aankoop van eenige koeken enzovoorts verordonneerd en nu ook nog het voederen van eenige aardappel en de aankoop van beter hooij voorgeschreven; met den veldarbeid was den Heer Mulder niet zooverre gevorderd als ik vermeende te mogen veronderstellen.

Te Veenhuizen zullen dit jaar nog honderd koeijen moeten worden aangekogt, volgens het nieuwe plan; te Ommerschans zijn er bijna genoeg.

Ik heb de eer te zijn,
de Direkteur der Kolonien,
Visser