Naar het overzicht
van stukken over VEENHUIZEN



Burgemeester Tonckens van Norg vraagt zich september 1828 af of de nieuw aan te leggen begraafplaats in Norg groot genoeg moet zijn om ook Veenhuizenaren te bergen


Onderstaande stukken bevinden zich bij wijze van uitzondering NIET in het archief van de Maatschappij van Weldadigheid, maar in dat van het provinciebestuur, Drents Archief, toegang 0031, invnr 1, aanvraagnummer 10032. Het eerste is een brief van burgemeester Tonckens van Norg aan Gedeputeerde Staten, gedateerd 26 september 1828:


Westervelde 26 September 1828.

Ik heb de eer UEGr.achtbaren te informeren dat de Gemeenteraad van Norg in hare vergadering van de 22 sten dezer, delibererende over een plan van aanleg der nieuwe begraafplaats tot geen besluit heeft kunnen komen, uit hoofde zij in de onzekerheid was, of zij het kerkhof moest inrigten voor de geheele gemeente met inbegrip van de kolonie Veenhuizen, waar twee nieuwe afzonderlijke kerkhoven, het eene voor de Roomsch Katholieken en het andere voor de belijders der overige gezindheden zijn aangelegd, dan of zij het slechts voor de overige bevolking van de Gemeente moeste daarstellen.

Daar de kerkhoven in de kolonie Veenhuizen voor de kolonie groot genoeg zijn, en daarenboven ver genoeg van de gebouwen verwijderd liggen, beschouwt de Gemeente Raad het eene overtolligheid te zijn dat ook het kerkhof te Norg meede voor Veenhuizen worde ingericht, maar is tevens van oordeel dat het aan de bewoners van Veenhuizen zal vrij staan om hunne lijken op het nieuwe kerkhof te Norg te doen begraven.

Zoo de Maatschappij van Weldadigheid aan dat recht niet zal hebben gerenumtieerd(?) en het is uit dien hoofde dat ik op verzoek van de Gemeente Raad van Norg de vrijheid neem UEGr.achtbaren te verzoeken, om het daar henen te willen dirigeren dat de kolonie Veenhuizen geen regt heeft op het nieuw aan te leggen Kerkhof te Norg of liever van dat regt afstand doet.

De Burgemeester van Norg.
(get) J. Tonckens

Gedeputeerde Staten behandelen dit op 30 september 1828, waarbij ze eerst de brief samenvatten en in de tweede alinea haar oordeel geven:


Gelezen eene missive van de heere burg. ter Norg dato dezen nr 193 verzoekende te worden geinformeerd of ongeacht er in de kolonie Veenhuizen twee afzonderlijke begraafplaatsen voor de bevolking harer etablissementen bestaan, dien onverminderd de groote der aanteleggene Gemeentelijke begraafplaats zal behooren te worden genoomen naar eene bevolking zooals dezelve bestaat met inbegrip der bewoners van gemelde kolonie dan wel of de aanleg zal kunnen worden genomen naar de bevolking der oude Gemeente.

Den Heer Burg voorn. te antwoorden dat het in de gegeven omstandigheden voldoende zijn zal, dat de ruimte der aan te leggen begraafplaats genomen wordt naar de bevolking der Gemeente afgezonderd van de kolonie Veenhuizen, wordende Zeab niettemin uitgenoodigd om te zorgen, dat de bedoelde aanleg, ruim en naar een behoorlijk plan geschiede, hetwelk ten spoedigste ter onzer goedkeuring moet worden ingezonden met opgave der wijze waarop de nodige kosten zullen worden gevonden.